De uitkomst van het gevecht tussen de heiligen en de dood werd beslist toen de Heere opstond. Hij ontmoette de vijand op zijn eigen terrein en overwon. Hij ging het paleis van de schrik des doods binnen en greep de sterke man vast. Terwijl Hij naar buiten kwam, schudde Hij diens woning tot op de fundamenten en nam de poorten met Zich mee. Zo gaf Hij te kennen dat Hij zou terugkeren om Zijn overwinning te voltooien — door de sterke van zijn bezit te beroven en hem de schatten te ontnemen die hij zo lang had bewaard: het stof van de slapende heiligen.
Het beroven van de sterke begint bij de opstanding. Daar hebben we al over gesproken in het algemeen. Maar de Schrift gaat er zo uitgebreid op in, dat er meer over gezegd moet worden. Het is een hoop die zo rijk is aan troost voor ons — vreemdelingen in een stervende wereld — en toch zo weinig gewaardeerd, dat we er niet zomaar aan voorbij mogen gaan.
Laten we ernaar kijken vanuit het gezichtspunt waarin de apostel het voor ons uitspreidt in het vijftiende hoofdstuk van zijn eerste brief aan de Korintiërs.
Het beeld dat hij daar voor ons schildert, is er een van heerlijkheid en vreugde. Het is een ochtendlandschap dat helder afsteekt tegen de nacht en het verdriet van nu. Het trekt het gordijn opzij dat ons zo vurig verlangde erfdeel verborgen houdt. Vanaf onze uitkijkheuvel zien we de schoonheid van het land dat zo snel het onze zal zijn — vlakten rijker dan Saron, dalen vruchtbaarder dan Sibma, bergen mooier dan de Karmel of de Libanon. Het straks en het nu, het daar en het hier, zijn zo anders. Hier het sterfelijke, daar het onsterfelijke. Hier het vergankelijke, daar het onvergankelijke. Hier het aardse, daar het hemelse. Hier heerst de dood, daar is de dood verslonden tot overwinning. Hier verslindt het graf zijn prooi. Daar komt de plunderaar van het graf tevoorschijn in opstandingskracht. Hij eist elk deeltje heilig stof op. Hij maakt het werk van de dood ongedaan. Hij plundert de plunderaar. Wat in smaad was neergelegd, brengt Hij tevoorschijn in schoonheid. Wat in schande was gezaaid, bekleedt Hij met eer.
"De bazuin zal klinken en de doden zullen als onvergankelijke mensen opgewekt worden, en ook wij zullen veranderd worden!" (1 Korinthe 15:52). Dit alles "in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk." Andere veranderingen gaan geleidelijk. Deze is plotseling. Er is eb en vloed. Er is opgroeien tot volwassenheid en afnemen tot ouderdom. Er is het langzame opengaan van lente tot zomer en van zomer tot herfst. Maar deze verandering is anders dan al die andere. Ze vindt in één keer plaats — als de flits van de bliksem, als een oogwenk. Hij Die sprak en het was er, zal opnieuw spreken en het zal geschieden. Hij Die zei: Laat er licht zijn, en er was licht — Hij zal spreken, en licht zal tevoorschijn komen uit de dikke duisternis van het graf.
"Dit vergankelijke moet zich met onvergankelijkheid bekleden!" (1 Korinthe 15:53). Alles wat sterfelijk is, wordt afgelegd. Al haar omhulsels van vergankelijkheid, al haar overblijfselen van oneer — weg ermee. Elk deeltje kwaad wordt uit ons geschud. "Dit vernederd lichaam" (Filippenzen 3:21) wordt veranderd naar de gelijkenis van het heerlijke lichaam van de Heere. We kwamen deze wereld binnen als sterfelijke wezens. Ons hele leven lang werden we steeds grondiger sterfelijk en vergankelijk. Het graf bezegelde dit alles en verkruimelde ons tot gewone aarde. Maar dan klinkt de bazuin en dit alles is voorbij. De sterfelijkheid valt af. Alles wat daarbij hoort, wordt achtergelaten. Geen vuil of ziekte meer in ons lichaam. We kunnen dan ziekte, pijn en dood tarten. We zeggen tegen ons lichaam: heb geen pijn meer. Tegen onze ledematen: wees niet meer moe. Tegen onze lippen: wees niet meer droog. Tegen ons oog: wees niet meer zwak.
"Dood, waar is uw prikkel?" (1 Korinthe 15:55). Hij die de macht over de dood heeft, is de duivel, de oude slang. Hij kwelt ons hier. De zonde gaf hem zijn prikkel en de wet gaf de zonde haar kracht. Maar nu de zonde vergeven is en de wet verheerlijkt, is de prikkel eruit getrokken. Het steken begint bij onze geboorte. Want het hele leven lang is er één onafgebroken gevecht met de dood, totdat de dood voor een tijd overwint en wij onder zijn macht vallen. Maar de buit zal van de machtige worden afgenomen. Zijn slachtoffers worden voor altijd gered. Nu is de zonde voorbij — wat is er geworden van de prikkel van de dood? Haar scherpte, haar pijn, haar macht om te doden? Ze kan de onsterfelijke en onvergankelijke niet raken!
"Graf, waar is uw overwinning?" (1 Korinthe 15:55). Een overwinnaar ben je al die tijd geweest. Nooit verslagen. Je koers één aanhoudende triomf. De bondgenoot van de dood, altijd in zijn voetsporen. Je sloeg het slachtoffer niet alleen neer, je verslond het. Je sleepte het mee in je hol en verteerde het bot voor bot, tot elk deeltje tot stof was verkruimeld. Alsof je de overwinning zo zeker wilde maken dat een ommekeer onmogelijk zou zijn. Toch zijn je overwinningen voorbij. Het tij is gekeerd in een oogwenk. Kijk naar deze oprijzende menigten — je kunt ze niet langer vasthouden. Je dacht dat ze je buit waren, maar ze waren je slechts voor een kort moment in bewaring gegeven. Zie deze heiligen! Zonder één vlek. Niet één smet waarop jouw prikkel zich kan vasthechten. Niet één zwakheid die je zou bemoedigen om opnieuw op een overwinning te hopen. Al je daden van zesduizend jaar, in één ogenblik ongedaan gemaakt! Niet één litteken van al je wonden. Geen spoor, geen ontsiering, geen smet — alles volmaaktheid, eeuwige schoonheid! En kijk naar die andere heiligen, ook verheerlijkt! Zij hebben de dood niet geproefd. Zij zijn niet afgedaald in het graf. Over hen heb je geen macht gehad. Tevergeefs heb je oorlog tegen hen gevoerd. Zij hebben geen ontbinding gezien. Zij blijven als gedenktekens dat je niet onoverwinnelijk was. Zij hebben jouw macht getrotseerd, en nu zijn ze buiten je bereik!
Ja, dít is overwinning! Niet stiekem ontsnappen uit de handen van de vijand — hem overwinnen! Niet de vijand omkopen om ons te laten gaan. Het is een openlijke, triomfantelijke overwinning. Een overwinning die de vijand niet alleen op de vlucht jaagt en beschaamt, maar hem verslindt. Behaald in gerechtigheid, ten behoeve van hen die eens "rechtmatige gevangenen" waren. En de overwinnaar, wie is hij? Niet wij, maar onze Broeder-Koning. Zijn zwaard trof de machtige. Onder Zijn schild zijn wij als overwinnaars tevoorschijn gekomen. De krans is van Hem, niet van ons. Wij zijn de trofeeën, niet de overwinnaars. Hij overwon. Hoe? Door Zich te laten overwinnen! Hij trok de prikkel uit de dood. Hoe? Door die prikkel in Zichzelf te laten steken! Hij dwong het graf zijn greep los te laten. Hoe? Door af te dalen in zijn gebied en ermee te worstelen in de grootheid van Zijn kracht. Hij bracht de wet die tegen ons was, aan onze kant. Hoe? Door de wet alles te geven wat zij verlangde, zodat zij niets meer kon vragen van Hem of van ons.
Hoe volkomen leek de overwinning over ons een tijdlang! En toch, hoe volkomen is de ommekeer! Deze vijanden zijn niet alleen overwonnen, maar meer dan overwonnen. Geen spoor van hun eerdere overwinningen blijft over. We leven niet alleen, maar zijn onsterfelijk gemaakt. We zijn niet alleen gered uit het graf, maar voor altijd onvergankelijk gemaakt.
Overwinning is ons wachtwoord. We gingen de strijd in met de zekerheid van de uiteindelijke overwinning. Door Hem Die zei: "Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven, en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid" (Johannes 11:25-26). Door Hem Die aan al Zijn beloften dit toevoegde: "en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag" (Johannes 6:40). Toen we zwaard en schild opnamen, waren we zeker van succes. We konden roemen bij het aantrekken van de wapenrusting, zoals hij die haar aflegt in triomf. Overwinning was ons wachtwoord tijdens elk gevecht, zelfs het hardste en pijnlijkste. Overwinning was ons wachtwoord op het sterfbed, in het donkere dal, toen we afdaalden in het graf. Overwinning zal ons laatste wachtwoord zijn wanneer we tevoorschijn komen uit het graf, de sterfelijkheid achter ons latend, opvarend naar de heerlijkheid.
"Dan zal de Heere HEERE de tranen van alle gezichten afwissen" (Jesaja 25:8; 30:19; 35:10; 60:20; Jeremia 31:12; Openbaring 7:17; 21:4). We zullen niet meer huilen. De sporen van vroegere tranen zijn uitgewist. Tranen van angst, tranen van afscheid, tranen van rouw, tranen van tegenspoed, tranen van hartverscheurend verdriet — ze zijn vergeten. We kunnen niet meer huilen. De bron van tranen is opgedroogd. God onze Heere wist de tranen weg. Het is niet de tijd die het verdriet van de heiligen geneest of hun tranen droogt. Het is God. God Zelf. God alleen. Dit houdt Hij voor Zichzelf, alsof het Zijn bijzondere vreugde is. De enige toevlucht van de wereld in verdriet is de tijd of het plezier. Maar de toevlucht van de heiligen is God. Dit is de ware genezing van de wond. De verzekering dat tranen die eenmaal door God zijn weggewist, niet opnieuw kunnen vloeien.
"De smaad van Zijn volk zal Hij wegnemen van heel de aarde" (Jesaja 25:8). Zoals Hij dit voor Israël zal doen, zo ook voor de gemeente. Smaad, schande en vervolging zijn het lot van de gemeente op aarde geweest. De wereld haatte de Meester en ze hebben de dienaar gehaat. "De smaad van Christus" (Hebreeën 11:26) is een welbekende smaad. Schande om Zijn Naam is wat Zijn heiligen hebben doorstaan, en zullen doorstaan tot Hij terugkomt. Maar dit alles wordt omgekeerd. Spoedig houdt de spot van de wereld op. Ze zullen niet meer honen, niet meer haten, niet meer lasteren en onze namen niet meer als slecht verwerpen. Eer kroont de heiligen en hun vijanden worden beschaamd. Het is slechts één dag van smaad voor mensen, en dan een eeuwigheid van heerlijkheid in de tegenwoordigheid van God en van het Lam. Dan zal de naam van heilige een naam van eer zijn, op aarde en in de hemel.
Waarom deinzen we dan terug voor de smaad van de wereld? Het is op zijn hoogst een ademtocht, en het zal zo snel ophouden. Waarom je niet verheugen dat we waardig geacht worden smaad te lijden voor de Naam van Jezus? Alles wat ons hier treft "weegt niet op tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden" (Romeinen 8:18). De ochtend, en de heerlijkheid die zij meebrengt, zal meer dan genoeg vergoeding bieden. Laten we goede moed houden en voortgaan — door kwaad gerucht en door goed — met het oog op de beloning.
"De schepping zelf zal bevrijd worden van de slavernij van het verderf om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God" (Romeinen 8:21). De ochtend die voor ons de opstanding brengt, brengt voor de schepping het herstel. Bevrijding voor een zuchtende aarde. Dezelfde Heere Die ons uit het graf brengt, wentelt de vloek af van de schepping. Hij wist de sporen uit van de zonde van de eerste Adam en legt een nieuw gedenkteken neer van de gerechtigheid van de tweede Adam. Gelukkige wereld! Wanneer Satan gebonden is, de vloek uitgewist, de slavernij verbroken, de lucht gezuiverd, de grond gereinigd, het graf geleegd — en de opgestane heiligen de troon van de schepping bestijgen om in gerechtigheid te regeren met de scepter van de rechtvaardige Koning.
De opstanding is onze hoop. Onze hoop in het leven, onze hoop in de dood. Het is een reinigende hoop. Een verblijdende hoop. Ze troost ons wanneer we het stof in het graf leggen van hen die we hebben liefgehad. Ze bemoedigt ons wanneer we de zwakheid van ons eigen lichaam voelen en bedenken hoe snel we zelf in het stof zullen neerliggen. Ze verfrist en verheft wanneer we eraan denken hoeveel kostbaar stof de aarde heeft ontvangen sinds de dag van de rechtvaardige Abel. Wat een zoet woord — opstanding! Het giet leven in elke ader en kracht in elke zenuw, bij het horen alleen al!
Het is niet vleselijk om je over het koude, levenloze lichaam heen te buigen en te verlangen naar de tijd dat juist deze ledematen weer bewegen. Dat die hand de onze weer zal grijpen als vanouds. Dat die ogen weer zullen stralen. Dat die lippen hun onderbroken spreken weer hervatten. Dat we de kloppingen van dat hart opnieuw voelen! Nee, het is Bijbels. Het is geestelijk. Sommigen noemen het sentimenteel, maar het is onze aard zelf. We kunnen niet anders voelen, zelfs als we zouden willen. We kunnen het stof niet anders dan liefhebben. We vinden het moeilijk om het los te laten. We verlangen ernaar dat het opnieuw levend wordt. De natuur die God ons gegeven heeft, kan met niets minder tevreden zijn. En God is ook niet van plan haar met minder tevreden te stellen. "Uw broer zal weer opstaan" (Johannes 11:23). "God zal op dezelfde wijze hen die in Jezus ontslapen zijn, terugbrengen met Hem" (1 Thessalonicenzen 4:14). We voelen het gewicht van die sterfelijkheid die het leven vaak tot een last maakt. Toch zeggen we: "Wij willen niet ontkleed, maar overkleed worden, zodat het sterfelijke door het leven wordt verslonden" (2 Korinthe 5:4). We leggen in het graf neer wat ons het liefst is. Toch klampen we ons vast aan de overblijfselen. Het voelt alsof de aarde die op de kist valt, het lichaam verwondt waarop ze terechtkomt. Op zo'n moment is de gedachte aan geopende graven en oprijzend stof onuitsprekelijk kostbaar. We zullen dat gezicht opnieuw zien. We zullen die stem opnieuw horen. Niet alleen leeft de ziel die dat stof vulde nog — dat stof zelf zal herleven. Onze opgestane vriend zal werkelijk, in gestalte, aanblik en stem, de vriend zijn die we gekend en liefgehad hebben. Onze opgestane broeder zal alles zijn wat we van hem kenden hier. Toen we hand in hand door de woestijn trokken, bemoedigd door de gezegende gedachte dat geen scheiding ons lang kon scheiden, en dat het graf zelf handen noch harten kon losmaken.









