De familie is van het begin af aan een verspreide familie geweest. Ze is niet alleen verspreid over de eeuwen, maar ook verstrooid over alle landen. "Kinderen van de verstrooiing" — zo zou je haar leden kunnen noemen. Ze hebben geen blijvende stad, nee, geen enkele stad die ze de hunne kunnen noemen. Ze zijn hier nergens zeker van, behalve van hun brood en kleding. Nergens kunnen ze rekenen op een vaste woonplaats — en toch hebben ze altijd de belofte dat die er ergens is. Naast deze verstrooiing, die voortkomt uit het feit dat ze uit elk geslacht en elk volk worden geroepen, zijn er andere, bitterdere vormen van verstrooiing. Er is de verstrooiing die vervolging brengt, wanneer zij van stad tot stad worden verdreven. Er is de verstrooiing die tegenspoed brengt, wanneer gelukkige kringen worden verbroken en hun delen ver uiteengedreven worden. Er is de verstrooiing die jaloezie, twist en zelfzuchtige wedijver teweegbrengen, zelfs onder de heiligen. En er is de verstrooiing die het verlies van geliefden brengt, wanneer sterke banden worden verbroken en warme liefde als water op de grond wordt uitgestort; wanneer gemeenschap wordt verscheurd en levende genegenheid door de dood verkild, en tranen van verstikkende angst het enige zijn dat de eenzaamheid en het verdriet verlichten. Zoals Israël onder de volken verstrooid was, zo is het ook met de heiligen gegaan — niet zoals bij Israël vanwege Gods toorn over hen, maar toch overal verstrooid. "De HEERE zal u verspreiden onder al de volken, van het ene einde van de aarde tot aan het andere einde van de aarde" (Deuteronomium 28:64) — dat waren Gods woorden tot Israël, en de gemeente voelt hoe goed die woorden bij haar eigen toestand als verspreide kudde passen. In de eerste eeuwen, en vaak daarna in tijden van moeite en vervolging, was het werkelijk een letterlijke verstrooiing — net zoals wanneer de herfstwind de rijpe bladeren losschudt en heen en weer werpt. Maar in onze tijd is het niet zozeer een verstrooiing als wel een eenvoudig uit-elkaar-wonen — doordat uit elk volk de weinigen worden geroepen die samen de kleine kudde vormen. Het is een bijeenvergadering úit de volken, maar niet een bijeenvergadering mét elkaar. Het is één familie, maar de leden kennen elkaar niet, zien elkaar niet in het vlees. Ze worden door de hand van de Vader getrokken, volgens het plan van de Vader, uit koninkrijken en families die ver uit elkaar liggen. Ze hebben geen plaatselijk middelpunt — niet van belangen, niet van woonplaats, niet van bestuur. Geen gemeenschappelijk huis, geen gemeenschappelijke ontmoetingsplaats, behalve wat het geloof hun nu geeft in hun Hoofd daarboven, of wat de hoop hun belooft in de wereld die komt — waar ze samen zullen komen, van aangezicht tot aangezicht, als één huisgezin, verzameld onder één dak en gezeten rondom één tafel. Deze scheiding en schijnbare verdeeldheid is niet natuurlijk. Want er is een verborgen magnetische kracht die hen onbewust en onweerstaanbaar naar elkaar toe trekt. Scheiding is de huidige wet van het koninkrijk, maar alleen omdat verkiezing de wet van deze bedeling is. Er is een verwantschap onder de leden die geen tijd of afstand kan verbreken. Er is een liefde ontstoken, ze weten niet hoe, in leven gehouden, ze weten niet hoe, maar sterk en onuitblusbaar — de liefde van verwantschap, de liefde van broederschap: Geen afstand verbreekt de band van het bloed. Broeders zijn broeders voor altijd. En dat voelen ze. Samengebonden door de banden van een vreemde, bovenaardse eenheid, hebben ze een bewust gevoel van saamhorigheid dat door niets geschokt kan worden. Diep verscholen in elkaars hart kunnen ze er niet mee instemmen om voor altijd gescheiden te blijven, maar zien ze vol verlangen uit naar de dag van de beloofde hereniging. Maar er is nog een andere soort scheiding die ze hebben moeten verdragen. De dood heeft hen van elkaar weggerukt. Vanaf Abel is er één lang tafereel van verlies geweest. Het verdriet van het afscheid vormt het grootste deel van het aardse lijden onder de mensenkinderen. En van dit verdriet zijn de heiligen niet vrijgesteld. Bitter zijn de afscheidswoorden geweest die op aarde zijn gesproken — rond het sterfbed, of in de gevangenis, of aan de kust, of op de drempel van het huis, of in een vreemde stad — het afscheid van mensen die wisten dat ze elkaar niet meer zouden ontmoeten tot het graf zijn schat zou teruggeven. De dood is de grote verstrooier geweest, en het graf de grote ontvanger van de brokstukken. Onze nacht van verdriet heeft veel van zijn somberheid en droefheid aan dit uiteenrukken te danken. De pijn van het afscheid heeft voor de heiligen veel dat het verzacht, maar toch is de bitterheid er. We voelen dat we moeten scheiden, en al is het maar voor even — ons hart bloedt van de wond. Maar er is een weerzien. En een van de vreugden van de morgen is dit weerzien onder de heiligen. In de nacht waren ze verstrooid; in de morgen worden ze samengebracht. In de woestijn zijn ze gescheiden geweest, maar in het koninkrijk zullen ze elkaar ontmoeten. In dit tijdperk zijn ze geweest als de druppels van een grillige regenbui; in het komende tijdperk zullen ze zijn als de dauw van de Hermon, de dauw die neerdaalde op de bergen van Sion — één stralend gezelschap dat neerstrijkt op de heilige heuvels en verkwikking meebrengt aan een vermoeide aarde. Dan zal het gebed van de Heere volledig verhoord worden: "opdat zij allen één zullen zijn, zoals U, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zullen zijn, opdat de wereld zal geloven dat U Mij gezonden hebt. En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die U Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, zoals Wij Eén zijn; Ik in hen, en U in Mij, opdat zij volmaakt één zijn en opdat de wereld erkent dat U Mij gezonden hebt en hen liefgehad hebt, zoals U Mij hebt liefgehad" (Johannes 17:21-23). "Ik zal de Herder slaan en de schapen van de kudde zullen uiteengedreven worden" (Mattheüs 26:31). Dat is onze huidige positie — een geslagen Herder en een verspreide kudde! Maar de dag is nabij dat Hij die verstrooide kudde, zal vergaderen. Dan zal er een verheerlijkte Herder zijn en een verzamelde kudde — niet slechts één kudde, één schaapskooi en één Herder, maar één kudde samengebracht in de ene kooi rondom de ene Herder. De verstrooiing voorbij, het dwalen ten einde, de honger verruild voor de groene weiden, het gevaar vergeten en de verslindende leeuw gebonden. Dan zal de profetie over de vrucht van de dood van de Borg volledig in vervulling gaan: "om de kinderen van God, overal verspreid, bijeen te brengen" (Johannes 11:52). Dan zal wat over Israël geschreven is, in hogere zin vervuld worden in de gemeente: "Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar ze op zoek gaan. Zoals een herder op zoek gaat naar zijn kudde op de dag dat hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik op zoek gaan naar Mijn schapen. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verspreid zijn op de dag van wolken en donkerheid. Ik zal ze weiden op de bergen van Israël. Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn." En zoals het bijeenbrengen van Israël een zegen is die zich naar alle kanten verspreidt, zo zal ook het weerzien van de verspreide gemeente een zegen zijn voor de wereld. Daarom mogen we ook hier de belofte van Israël gebruiken: "Ik zal hun en het gebied rond Mijn heuvel een zegen geven, en Ik zal de regen op zijn tijd doen neerdalen. Regens van zegen zullen er zijn" (Ezechiël 34:11-26). Dit weerzien vindt plaats wanneer de Heere terugkomt. Wanneer het Hoofd verschijnt, komen de leden samen. Ze zijn altijd verenigd geweest — want zoals de Godheid nog steeds verenigd was met de mensheid van Christus, zelfs toen zijn lichaam in het graf lag, zo is de eenheid tussen de leden onderling en met hun Hoofd altijd onverbroken gebleven. Maar wanneer Hij komt, wordt deze eenheid ten volle gevoeld, beseft, gezien, geopenbaard. "Wanneer Christus geopenbaard zal worden, Die ons leven is, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid" (Kolossenzen 3:4). Dit weerzien is bij de "opstanding van de rechtvaardigen." Dan wordt elk overblijfsel van scheiding weggenomen — ziel en lichaam ontmoeten elkaar — beiden volmaakt. Geen spoor meer van dit "vernederd lichaam," geen stof meer dat aan de ziel kleeft. Het vergankelijke is verdwenen, het onvergankelijke is gekomen. Ons weerzien zal zijn in onvergankelijkheid: handen die nooit meer zullen beven, die elkaar vasthouden en verbroken vriendschappen hernieuwen — ogen die nooit meer zullen verduisteren, die elkaar aankijken met zuiverder liefde. Dit weerzien is in de wolk van heerlijkheid waarin de Heere terugkomt. Toen Hij opsteeg van de Olijfberg, nam deze wolk Hem op, en zijn discipelen hadden zo graag met Hem mee willen gaan. Maar in dat heerlijke paviljoen — Zijn tabernakel — zullen zij nog eens opstijgen. Daar zullen ze Hem ontmoeten en elkaar omhelzen, samenkomend in die geheimenisvolle woonplaats, vanuit de vier windstreken, "uit elk geslacht en volk en taal en natie." Dit weerzien is de trouwdag, en dat met wolken omhulde paviljoen is de kamer van de Bruidegom. Daar wordt de bruid eindelijk als één gezien. En daar beseft ze haar eigen eenheid op een manier die ze zich nooit eerder had kunnen voorstellen. Daar is ook het bruiloftsmaal bereid, en de bruid neemt haar ereplaats in aan de bruiloftstafel — "van binnen heerlijk," zowel als van buiten — niet als de hoerenbruid, uitgedost met purper, scharlaken, goud en edelstenen (Openbaring 17:4; 18:16), maar "bekleed met smetteloos en blinkend fijn linnen" (Openbaring 19:8). Naar dit weerzien, en naar de eer die dan tegelijk aan de hele gemeente gegeven zal worden, verwijst de apostel wanneer hij zegt dat "deze allen, hoewel zij door het geloof een goed getuigenis van God gekregen hebben, de vervulling van de belofte niet verkregen hebben, daar God met het oog op ons iets beters voorzien had, opdat zij zonder ons niet tot de volmaaktheid zouden komen" (Hebreeën 11:39-40). Daarmee laat hij doorschemeren dat het werkelijke bezit van het beloofde nog niet gegeven is. Het is uitgesteld tot de Heere komt, zodat geen tijdperk, geen groep, geen enkel lid van de gemeente volmaakt gezegend en verheerlijkt zou worden vóór de rest. Want allen moeten samen opgewekt worden, allen samen opgenomen, allen samen gekroond — omdat ze één lichaam zijn, één bruid. Hij wijst naar de dag van de Heere als de dag van onze gemeenschappelijke intrede in de erfenis — de dag van onze gemeenschappelijke terugkeer naar Eden — de dag waarop we als één grote menigte uit alle geslachten door de poorten de stad zullen binnengaan. De dag van onze gemeenschappelijke kroning, onze gemeenschappelijke triomf. Want het zal één kroning zijn, één troonsbestijging, één feest, één triomf, één intocht voor de hele gemeente vanaf het begin. De leden worden niet alleen gekroond, niet in stukken en brokken, niet in groepen — maar in één heerlijk uur ontvangen ze hun eeuwige kronen en nemen ze hun plaatsen in, zij aan zij met hun Heere en met elkaar, in gelijktijdige vreugde, op de lang verwachte troon. De voorbereiding op deze eenheid is al lang gaande. Het begon bij ons persoonlijk, toen de verspreide brokstukken van onze ziel voor het eerst werden samengebracht door de Heilige Geest, bij onze bekering. Daarvóór was ons hart "verdeeld," en dat was onze bijzondere zonde (Hosea 10:2). Maar toen werd het "verenigd" — ten minste in zekere mate, al bleef het onophoudelijk gebed nodig: "Maak mijn hart één om Uw Naam te vrezen" (Psalm 86:11). Het was eerst de innerlijke mens die onder de macht van de zonde kwam en in stukken brak; daarna volgde de uiterlijke mens. Beiden waren in elk opzicht heel geschapen, en beiden zijn in elk opzicht opgehouden heel te zijn. Wanneer het herstel begint, begint het met de hereniging van de innerlijke mens, en bij de opstanding gaat het over naar de uiterlijke, waarbij de twee herstelde delen weer worden samengebracht. Het was het individu dat eerst aan de zonde werd onderworpen, en daarna de massa. Zo is het ook het individu dat als eerste wordt hersteld. Dit is het proces dat nu gaande is onder de almachtige, levendmakende, verenigende kracht van de Heilige Geest. Maar het weerzien is niet compleet totdat de eenheid is teruggekeerd in de massa, in het lichaam — totdat al die leden die afzonderlijk zijn hersteld, worden samengebracht en zo het lichaam weer heel wordt. Hierop wachten we tot de Heere komt. Want zoals het de eerste Adam was die de schepping in stukken brak, zo is het de tweede Adam die de schepping in al haar delen en gebieden zal herstellen en weer tot één zal maken. Het goede en het kwade worden dan voor altijd gescheiden, maar het goede en het goede worden tot volmaakte eenheid gebracht — een eenheid zo volkomen, zo blijvend, dat ze meer dan opweegt tegen alle gebrokenheid en scheiding hier. De ziel en het lichaam komen samen en vormen één verheerlijkt mens. De tienduizenden leden van de gemeente komen samen en vormen één verheerlijkte gemeente. De verspreide stenen komen samen en vormen één levende tempel. De bruid en de Bruidegom ontmoeten elkaar. Hier is het geweest: één Heere, één geloof, één doop. Daar zal het zijn: één lichaam, één bruid, één wijnstok, één tempel, één familie, één stad, één koninkrijk. De gebroken vruchtbaarheid, de wisselvallige onbestendigheid van de vervloekte aarde zullen overgaan in de ongebroken schoonheid van de nieuwe schepping. De wanklank van de onrustige elementen zal worden stilgelegd en de harmonie zal terugkeren. De strijdende dieren zullen in vrede naast elkaar neerliggen. Dan zullen hemel en aarde samenkomen tot één. Wat wij afstand noemen, wordt tenietgedaan. Het gordijn dat de zonde heeft opgetrokken tussen de bovenste en de onderste heerlijkheid, wordt weggenomen. De velden van een paradijs dat nooit verloren ging, worden in de gelukkige nabijheid gebracht van de velden van het herwonnen paradijs. Gods plan ontvouwt zich in de eenheid van een tweevoudige heerlijkheid — de heersers en de overheersten, de opgestanen en de niet-opgestanen, het hemelse en het aardse — de heerlijkheid in de hemel daarboven, de heerlijkheid op de aarde daarbeneden. Want "er zijn hemelse lichamen en er zijn aardse lichamen, maar de heerlijkheid van de hemelse is verschillend, en die van de aardse is verschillend." Bij zulke taferelen moeten we stilstaan, zodat naarmate onze verdrukkingen toenemen, ook onze troost mag toenemen. Onze wonden hier genezen langzaam. Verlies houdt het hart lang bloedend. Melanchthon vertelt met een zachte eenvoud, zo kenmerkend voor hemzelf, over zijn gevoelens toen zijn kind hem door de dood werd ontnomen. Hij huilde wanneer hij terugdacht. Het doorboorde zijn ziel om zich de keer te herinneren dat, terwijl hij zat te huilen, zijn kleintje met zijn kleine doekje de tranen van zijn wangen veegde. Zulke herinneringen achtervolgen ons door het leven, steeds opnieuw opgeroepen door voorbijgaande taferelen. De zon van een zomerochtend brengt met schrijnende frisheid het uur terug waarop diezelfde zon door ons raam naar binnen stroomde, op de wieg van een stervende zuigeling — alsof hij alle schoonheid van een afscheidslach naar voren wilde halen en voor altijd in ons hart wilde griffen. Of het is een begrafenistafereel dat opkomt in de herinnering — een begrafenis die slechts een paar dagen eerder een bruiloft was geweest — en nooit op aarde kunnen we de uitbarsting van ons verdriet vergeten, toen we de bruidsbloemen zagen liggen op een pas gedolven graf. Of een winterse middag roept de tijd en de plek in herinnering waarop we het stof van een ouder in zijn rustplaats legden en het achterlieten om te slapen in het winterse graf van sneeuw. Deze herinneringen achtervolgen ons, doorboren ons, en doen ons voelen wat een troosteloos oord dit is — en hoe oneindig verlangend we ernaar uitzien om deze verloren geliefden weer te ontmoeten, daar waar de ontmoeting eeuwig zal zijn. Daarom is het bericht van dit weerzien in de vele woningen als een groet van thuis. Het verlicht het geslagen hart. Het zegt ons goede moed te houden, want de scheiding duurt maar kort, en de ontmoeting waarop we hopen zal de gelukkigste zijn die er ooit is geweest. De tijd van droevige herinneringen zal snel voorbijgaan, en er zal geen herinnering overblijven dan die welke onze vreugde doet overstromen. Alles wat met dit weerzien te maken heeft, vergroot de zaligheid ervan. Elkaar weer ontmoeten, waar dan ook, hoe dan ook, wanneer dan ook — dat zou al gezegend zijn. Hoeveel te meer op zo'n moment, in zulke omstandigheden, in zo'n thuis! Het donkere verleden ligt achter ons als een gevangenis waaruit we zijn vrijgekomen, als een schipbreuk waaruit we veilig zijn ontsnapt en geland in een rustige haven. We ontmoeten elkaar waar scheiding onmogelijk is, waar afstand de trouw niet meer beproeft, de geest niet meer pijnigt, de vreugde van het liefhebben niet meer bederft. We ontmoeten elkaar in een koninkrijk. We ontmoeten elkaar aan een bruiloftstafel. We ontmoeten elkaar in de "voorbereide stad," het nieuwe Jeruzalem. We ontmoeten elkaar in de schaduw van de boom des levens, aan de oevers van de rivier des levens. We ontmoeten elkaar om feest te vieren en de liederen van de overwinning te zingen. Het was gezegend om elkaar hier te ontmoeten voor een dag — hoeveel te meer om elkaar te ontmoeten in het koninkrijk, voor eeuwig! Het was gezegend om elkaar te ontmoeten, zelfs met het afscheid vol in zicht — hoeveel te meer wanneer geen wolk boven onze toekomst hangt! Het was gezegend om elkaar te ontmoeten in de woestijn en het land van graven — hoeveel te meer in het paradijs, in het land waar de dood niet binnenkomt! Het was gezegend om elkaar te ontmoeten in de nacht — al was het kil en donker. Hoeveel te meer in de morgen, wanneer het licht is opgegaan, de onrustige hemel is opgeklaard, en de vreugde zich om ons heen verspreidt als een nieuwe atmosfeer, waaruit elk element van verdriet is verdwenen.
Het weerzien
Hoofdstuk 9 van 13·15 min leestijd
69%
Gerelateerde artikelen
Alle
Geestelijke groei
47 min
Overwinning en vrede door het kruis
Pilgram Marpeck · 27 jun 2025

Geestelijke groei
36 min
De uitdrijvende kracht van een nieuwe liefde
Thomas Chalmers · 8 nov 2024

Geestelijke groei
14 min
De gereinigde tempel (2 Korinthe 7:1)
Andreas Murre · 16 jul 2024

Geestelijke groei
14 min
Jezus’ heerlijkheid in wonderen (Johannes 2:1-12)
Andreas Murre · 23 jun 2024

Geestelijke groei
14 min
De enige ware Wijnstok (Johannes 15:1-8)
Andreas Murre · 27 apr 2024

Geestelijke groei
18 min
Uitdrijvende kracht van nieuwe liefde (Mattheüs 13:44-46)
Andreas Murre · 17 mrt 2024

Geestelijke groei
23 min
Het licht van de mensen (Johannes 1:4)
Andreas Murre · 3 dec 2023

Geestelijke groei
6 min
Drie waarschuwingen
Andreas Murre · 16 okt 2023

Geestelijke groei
21 min
De hoogmoed van biddeloosheid (2 Kronieken 26)
Andreas Murre · 1 okt 2023

Geestelijke groei
18 min
Klaar om door Christus’ gediend te worden (Lukas 12:37)
Andreas Murre · 16 apr 2023