’Bezwijkt mijn lichaam en mijn hart, dan is God de rots van mijn hart en voor eeuwig mijn deel’ (Psalm 73:26)
Letterlijk staat er eigenlijk in deze telst: ‘Mijn lichaam en mijn hart bezwijken!’ Ik ben moedeloos! Ik ben wanhopig! Maar onmiddellijk volgt er een voltreffer waarmee de psalmist alle moedeloosheid de kop indrukt: ‘God is de rots van mijn hart en voor eeuwig mijn deel.’
De psalmist geeft niet aan toe aan het ongeloof. Hij gaat in de tegenaanval.
In wezen zegt hij: ‘Ik voel me zwak en hulpeloos en kan het allemaal niet meer aan. Ik ben gewond geraakt in de strijd en voel me op sterven na dood. Maar wat de reden van mijn moedeloosheid ook is, ik geef niet op. Ik zal op God vertrouwen en niet op mijzelf. Hij is de rots van mijn hart en voor eeuwig mijn deel.’
De Bijbel staat vol met voorbeelden van gelovigen die worstelen met neerslachtige gevoelens. Psalm 19:8 zegt: ‘De wet van de HEERE is volmaakt, zij doet de ziel weer leven’ (naar de Engelse vertaling). Dit is een duidelijke erkenning dat de ziel van een gelovige soms weer levend gemaakt moet worden. En als de ziel levend gemaakt moet worden, was hij in zekere zin dus dood.
David zegt hetzelfde in Psalm 23:2-3: ‘Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren. Hij verkwikt mijn ziel.’ Ook de ziel van de ‘man naar Gods hart’ (1 Samuël 13:14) moest blijkbaar verlevendigd worden. Hij zou van dorst en uitputting omgekomen zijn als God hem niet naar het water geleid had en hem niet verkwikt had.
God heeft deze getuigenissen in de Bijbel gezet zodat we ze kunnen gebruiken in onze strijd tegen het ongeloof van moedeloosheid.
Beschikbaar gesteld door DesiringGod.org