Door John Piper
Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht. En Hij heeft een hoorn van zaligheid voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht, zoals Hij gesproken had bij monde van Zijn heilige profeten, die er door de eeuwen heen geweest zijn, namelijk verlossing van onze vijanden en bevrijding uit de hand van allen die ons haten. (Lukas 1:68-71)
In de woorden van Zacharias uit Lukas 1 zien we twee opmerkelijke dingen.
In de eerste: plaats had Zacharias het negen maanden eerder niet kunnen geloven dat zijn vrouw een kind zou krijgen. Maar nu, vervuld met de Heilige Geest, is hij zo zeker van het verlossingswerk van de komende Messias dat hij er in de voltooide tijd over spreekt.
Voor het geloof is iets wat God heeft beloofd immers al zo goed als gedaan. Zacharias heeft geleerd om God op Zijn woord te vertrouwen. Daarom is hij zo opmerkelijk zeker: ’Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht’ (Lukas 1:68).
In de tweede plaats betekent de komst van Jezus de Messias dat God deze wereld bezoekt: ‘De God van Israël (...) heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht.’_
Eeuwenlang kwijnde het Joodse volk weg in de overtuiging dat God Zich had teruggetrokken: de geest van de profetie was opgehouden en Israël was in de handen van Rome gevallen. Alle vrome Israëlieten wachtten tot God Zijn volk zou bezoeken. Lukas vertelt ons in 2:25 dat de godvruchtige Simeon ’de vertroosting van Israël verwachtte’. Enkele verzen verder spreekt hij over de biddende Anna en ‘allen die de verlossing in Jeruzalem verwachtten’.
Voor het geloof is iets wat God heeft beloofd al zo goed als gedaan.
In die dagen leefden ze in grote verwachting. Nu ging het langverwachte bezoek van God plaatsvinden. Ja, Hij stond op punt om te komen, maar wel op een manier die niemand had verwacht.