Wij zijn niet van de wereld, ook al leven wij in de wereld. Daarom zijn wij ook "niet van de nacht," al bevinden wij ons in de nacht. Wij zijn "kinderen van de dag." Wij horen bij de dag, en de dag hoort bij ons. Het is ons echte erfgoed, ook al is de dag nog niet aangebroken. Daar rust onze hoop. En al duurt het wachten lang, toch zal dat waarop wij hopen niet altijd wegblijven. En als de dag komt, zal zij ons vertrouwen niet beschamen. "Uitgestelde verwachting krenkt het hart, maar een vervuld verlangen is een boom des levens" (Spreuken 13:12).
De nacht is nog om ons heen. Maar het is niet alleen een nacht van verdriet — het is ook een nacht van waken. Geen enkel verdriet mag ons minder waakzaam maken. Nee, het moet ons juist nog waakzamer maken! In plaats van dat moeilijkheden ons onoplettend maken, moeten ze ons juist scherper maken. Ze voorkomen dat we in slaap vallen, zoals dat zeker het geval zou zijn als alles vredig en voorspoedig was. De moeiten maken de nacht kouder en bitterder voor ons. Daardoor vermoeid het ons meer, en verlangen we des te sterker naar de dag. Want als de nachtlucht zacht was en de nachtelijke hemel helder, zouden we er tevreden mee zijn en niet langer uitzien naar het aanbreken van de dag.
Dit is onze nachtwake. Hiertoe heeft de Meester ons aangesteld tijdens Zijn afwezigheid. "Wees dus waakzaam! Want u weet niet wanneer de heer des huizes komt, 's avonds laat of te middernacht of met het hanengekraai of 's morgens vroeg, opdat hij u niet, als hij plotseling komt, slapend aantreft. En wat Ik tegen u zeg, zeg Ik tegen allen: Wees waakzaam!" (Markus 13:35–37). Het is het vooruitzicht van de morgen en van de terugkeer van de Meester dat ons wakend houdt — vooral in deze laatste dagen, nu de ene wacht na de andere is gekomen en gegaan, en Hij nog niet is verschenen. "Zijn verschijning staat vast als de dageraad" (Hosea 6:3); en die morgen kan nu niet ver meer zijn.
De gemeente moet haar nachtwake vervullen. Of die nu lang of kort duurt, gevaarlijk of gemakkelijk is — zij moet haar vervullen. Het is waken waartoe zij in het bijzonder geroepen is. En het zou heel erg zijn als zij haar roeping zou verloochenen en haar Heere ongehoorzaam zou zijn door niet te waken. Zij hoeft niet te denken dat zij andere taken in de plaats kan stellen, alsof die noodzakelijker, belangrijker of passender zouden zijn. Zij mag niet zeggen: "Ik heb lief, ik geloof, ik bid, ik loof — waarom zou ik ook nog waken? Is dat niet genoeg in plaats van waken, of zit het waken niet al in die dingen?" Haar Heere heeft haar opgedragen te waken. En geen andere taak, geen andere genade, kan daarvoor in de plaats komen of als verontschuldiging dienen.
Zij moet geloven, maar dat is niet alles — zij moet ook waken. Zij moet zich verblijden, maar dat is niet alles — zij moet ook waken. Zij moet liefhebben, maar dat is niet alles — zij moet ook waken. Zij moet verwachten, maar dat is niet alles — zij moet ook waken. Zij moet verlangen, maar dat is niet alles — zij moet ook waken. Dit moet haar bijzondere houding zijn, en niets kan dit vervangen. Hierdoor moet zij in alle tijden bekend staan: als de wakende. Hierdoor moet de wereld het verschil voelen tussen haarzelf en de gemeente. En hierdoor laat de gemeente in het bijzonder zien hoe diep zij beseft dat zij hier een vreemdeling is.
Mensen vragen haar: Waarom staart u omhoog naar de hemel? Haar antwoord is: "Ik waak." Mensen bespotten haar en zeggen: Waarom die onrust? Haar antwoord is: "Ik waak." Mensen vinden het vreemd dat zij niet met hen meeloopt in dezelfde uitbarsting van losbandigheid (1 Petrus 4:4). Zij zegt hun: "Ik waak." Zij nodigen haar uit om mee te doen met hun feesten, om hun liederen mee te zingen, om hun genoegens te proeven, zodat ze haar kunnen leren haar zorgen te vergeten. Zij weigert en zegt: "Dat durf ik niet, ik waak." De spotter bespot haar en zegt: Waar is de belofte van Zijn komst? Zij slaat er geen acht op, maar blijft waken, en houdt haar hoop nog steviger vast.
Soms vraagt een zwakke, twijfelende of misschien een wankelende gelovige vol verwondering: Hoe bent u zo sterk, zo moedig, zo bekwaam voor de strijd, zo voorspoedig in het gevecht? Zij antwoordt: "Ik waak." Of hij vraagt: Hoe houdt u zo'n hoge toon aan, en bewaart u een wandel die zo dichtbij, zo standvastig, zo hemels is? Zij antwoordt: "Ik waak." Of hij vraagt: Hoe overwint u luiheid en zelfzucht en gemakzucht, of hoe bedwingt u ongeduld en bezorgdheid, of hoe wint u het van uitstelgedrag? Zij antwoordt: "Ik waak." Of hij vraagt: Hoe overwint u uw angsten, en trotseert u gevaar, en tart u vijanden, en houdt u het vlees in toom? Zij antwoordt: "Ik waak." Of hij vraagt: Hoe worstelt u met uw verdriet, en droogt u uw tranen, en heelt u uw wonden — ja, hoe roemt u zelfs in de verdrukking? Zij antwoordt: "Ik waak."
O, wat kan dit waken doen, voor wie het goed begrijpt! Geloof alleen is niet genoeg. Liefde alleen is niet genoeg. Verwachting alleen is niet genoeg. Gehoorzaamheid alleen is niet genoeg. Er moet gewaakt worden.
En dit waken gaat ervan uit dat de dag van de Heere plotseling en onverwacht komt. Het zegt niet: de Heere zal komen in mijn tijd. Maar het zegt: de Heere kan komen in mijn tijd — daarom moet ik op de uitkijk staan. Dit "kan komen" is het geheim van een waakzame geest. Zonder deze mogelijkheid kunnen wij niet waken. We kunnen wel liefhebben, hopen en verwachten, maar we kunnen niet waken als Hij niet zou “kunnen” komen. Onze lampen moeten altijd brandend zijn. Waarom? Niet alleen omdat de Bruidegom zal komen, maar omdat wij niet weten hoe snel Hij kan komen. Onze lendenen moeten altijd omgord zijn. Waarom? Niet alleen omdat wij weten dat er een komst zal zijn, maar omdat wij niet weten wanneer die komst zal zijn.
De Heere voorzag de geest van slaperigheid waarin Zijn volk gemakkelijk zou kunnen vallen terwijl Hij wegbleef, en Hij waarschuwt ons ertegen. Hij wil dat wij altijd bedenken dat er een gevaar bestaat dat wij tevreden worden en aardsgezind — tevreden met Zijn afwezigheid in plaats van erover te treuren; tevreden met Zijn vertraging in plaats van mee te roepen met de eerste gemeente: "Hoe lang nog?" Hij zag dat de wereld ons onoplettend zou maken. Dat weinigen echt wakker zouden blijven en zouden waken. Dat velen moe zouden worden van het waken en verontschuldigingen zouden zoeken om niet te waken. Dat velen zouden gaan zitten en het zich hier comfortabel zouden maken zonder Hem. Daarom herhaalde Hij zo vaak de waarschuwing: Waak! Daarom voegde Hij eraan toe: "opdat hij u niet, als hij plotseling komt, slapend aantreft."
Zijn verlangen is dat wij zo waakzaam zijn, dat wanneer Hij komt en klopt, wij Hem meteen opendoen (Lukas 12:36). En Hij spreekt een bijzondere zegen uit over de dienaren die Hij zo aantreft. Hij belooft "dat hij zich zal omgorden en hen aan tafel zal nodigen en bij hen zal komen om hen te dienen." In zo'n houding van waakzaamheid staan dat wij Hem meteen kunnen opendoen — dat is waarvoor Hij zo'n bijzondere beloning en zo'n wonderlijke eer heeft beloofd. Ach, wie van ons is in deze toestand, in deze laatste dagen? Zouden we klaarstaan om Hem meteen open te doen als Hij nu zou aankomen? Zouden we niet in verwarring raken bij het nieuws van Zijn komst, als dienaren die niet klaar zijn voor de terugkeer van hun meester en er niet zo snel op gerekend hadden? Zouden we ons niet eerst nog klaar moeten maken, terwijl we de deur al hadden moeten openen? Zouden we niet snel onze kleren moeten aantrekken, in plaats van Hem tegemoet te gaan om Hem te verwelkomen? Ach, wat een verwarring in het huishouden, wat een verbazing, wat een angst, wat een drukte, wat een heen en weer geren zou er zijn in onze tijd, als ons het bericht gebracht zou worden: "De Heere is gekomen!"
In het herhaalde bevel om te waken, zit veel bestraffing. De Heere kon er niet op vertrouwen dat wij het zelf zouden onthouden of uit onszelf zouden gehoorzamen. Als Hij had kunnen rekenen op volmaakte liefde in ons voor Hem — liefde zo vol en diep als Zijn eigen liefde — zou Hij dan aan zo'n bevel hebben gedacht? Zou het nodig zijn geweest? Nee. Het enige dat nodig zou zijn geweest, was ons te vertellen dat Hij van plan was terug te keren. De liefde zou de rest hebben gedaan en ons vanzelf waakzaam hebben gemaakt. De liefde zou het onmogelijk hebben gemaakt om niet te waken. Er zou geen bevel nodig zijn geweest, en ook geen mededeling van onzekerheid en het plotselinge van zijn komst.. De liefde zou dat alles al hebben begrepen. De liefde zou ernaar gehandeld hebben, zonder dat het haar gevraagd werd. Maar de Heere kon niet op ons vertrouwen. Hij kon niet op onze liefde vertrouwen. En daarom voegt Hij het bevel toe, daarom herhaalt Hij de waarschuwing. Het is vreemd en verdrietig dat noch de kracht van liefde, noch het ontzag voor het bevel, ons kan aanvuren tot waakzaamheid of ons kan opwekken tot voorbereiding.
De aankondigingen van het plotselinge van Zijn komst zijn heel duidelijk en precies. Er is niets vaags aan. Niets dat de scherpte van de waarschuwing afzwakt. Ze zijn veel uitvoeriger en vaker herhaald dan die van Zijn eerste komst. Zijn eerste komst verraste de gemeente, ook al had Hij de tijd vastgesteld en de jaren geteld. Hoeveel meer zal Zijn tweede komst ons dan verrassen! Want door de manier waarop Hij die heeft aangekondigd, heeft Hij ons ervan weerhouden om op welke tussentijd dan ook te rekenen. En toch waken wij niet! Noch het vastleggen van de tijd in het ene geval, noch het onbepaald laten ervan in het andere, brengt het bedoelde effect teweeg. "Maar zal de Zoon des mensen, als Hij komt, wel het geloof op de aarde vinden?" (Lukas 18:8).
Tijdens deze nachtwake moet het geloof altijd krachtig en in beweging zijn. Want geloof is de wortel van waakzaamheid. Zonder geloof kun je nauwelijks begrijpen wat het is om te waken. Want alles waar het waken op gericht is, heeft te maken met onzichtbare dingen — een onzichtbare Heiland en een onzichtbaar Koninkrijk.
Toen wij de Heere voor het eerst leerden kennen en in Hem geloofden als de Vredestichter, werden wij niet alleen vrijelijk vergeven, maar ook verlost uit deze tegenwoordige boze wereld. De dingen van nu vielen van ons af. De dingen die komen gaan, kwamen om ons heen. Wat ooit vaag leek, werd werkelijk. Wat ooit werkelijk leek, werd toen als een schaduw. De woorden van Christus werden echte woorden. Zijn waarheden werden echte waarheden. Zijn beloften werden echte beloften. Al het andere leek onwerkelijk. De sluier werd niet weggenomen, maar wij beseften wat erachter was. De toekomst werd niet het heden, en het onzichtbare werd niet het zichtbare — maar wij voelden alsof dat wel zo was. "Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet" (Hebreeën 11:1). Omdat wij geloven dat de Heere komt, dat de tijd kort is, dat de tussentijd onzeker is en dat Zijn komst plotseling zal zijn — daarom waken wij. Ongeloof maakt ons onoplettend, maar geloof stuurt ons naar onze wachttoren. Wij weten wat onze Heere bedoelde toen Hij zei: "Zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben en toch zullen geloven" (Johannes 20:29).
Of, als we de woorden van onze Heere een beetje anders zeggen, kunnen we dan niet ook zeggen: "Zalig zijn zij die wel gezien hebben en toch niet geloofd hebben"? Zien en toch niet geloven — dat is iets wat het geloof ons leert. En het is iets wat ons waakzaam maakt. Wij kijken naar een wereld vol goddeloosheid, maar geloven toch niet dat God de aarde verlaten heeft. Wij zien hoe de wijsheid van de wereld aanbeden wordt, maar geloven toch niet dat het wijsheid is. Wij zien de macht van het kwaad, maar geloven toch niet dat het kwaad zal overwinnen. Wij zien overal verwarring, maar geloven toch dat orde Gods wet is. Wij zien een verdeelde gemeente, maar geloven toch dat de gemeente één is. Wij zien machtige koninkrijken regeren, maar geloven toch niet dat zij zullen standhouden. Wij zien de heiligen vertrapt worden, maar geloven toch niet in hun schande of ondergang. Wij kijken naar het graf van de rechtvaardige, maar geloven toch niet dat hij dood is. Wij zien de vervolgingen en nederlagen van de gemeente, maar geloven niet alleen dat zij overwinnaar is — maar ook onoverwinnelijk. Wij zien de opmars van de antichrist, maar geloven toch niet in zijn vooruitgang, behalve als een vooruitgang naar zijn ondergang. Wij zien de vreugde van de wereld, maar geloven toch niet dat het echte vreugde is. Wij zien het verdriet van de heilige, maar geloven toch niet dat hij werkelijk bedroefd is. Wij zien de nacht om ons heen, diepe, dikke nacht, maar toch geloven wij niet in de nacht — maar in de dag.
Zo overwint het geloof. Wij geloven, wij vertrouwen, wij hopen — en zo staan wij boven de wereld. Wij heffen onze ogen op naar de bergen, vanwaar onze hulp komt. Wij kijken naar het oosten, waar de dageraad doorbreekt. Wij wachten op de morgen. Onze nachtwake is lang en vermoeiend geweest, maar de morgen zal er spoedig een einde aan maken. Het waken, het wachten en het hopen zullen dan voorbij zijn, maar het liefhebben zal voor eeuwig zijn.
Wij waken, want wij weten van geen tussentijd tussen ons en de verschijning van de Heere. Het uur van onze ontmoeting met Hem, en met hen die wij hebben liefgehad maar moesten verliezen, kan dichtbij zijn. Eerder dan wij denken, kunnen wij voor altijd met elkaar verbonden zijn. Onze lichamen bekleed met opstandingsgezondheid, en onze zielen juichend in heiligheid en liefde.
Wij waken, want het is nacht. En hoewel wij geen kinderen van de nacht zijn, rust de nacht toch zwaar op ons met zijn schaduwen. Daardoor kijken wij met verlangend ongeduld uit naar het verdwijnen van de nacht. Hoe dieper de nacht wordt, hoe ontevredener wij ermee worden. De nacht brengt zoveel verdriet mee, verzamelt zoveel verleidingen om ons heen, roept zoveel gevaren op, geeft zoveel vijanden moed, dat het ons dwarszit dat de nacht zo lang duurt. Maar wij kunnen de nacht niet afschudden. Gods plan moet uitgevoerd worden, en Zijn tijd moet voorbijgaan. Laten wij tot die tijd onze zielen bezitten in geduld, terwijl wij uitkijken naar het morgenlicht. Laten wij onszelf aansporen met de zekerheid dat wij niets weten van iets dat tussen ons en het einde van onze lange nachtwake staat.
Wij waken, want de dag is van ons, met alles wat hij bevat aan blijdschap en zonneschijn. Wij zijn moe van de nacht, en wij verheugen ons dat de nacht niet van ons is — maar dat de dag van ons is. Net zoals wij kunnen zeggen: "Het Koninkrijk is van ons," zo kunnen wij ook zeggen: "De dag is van ons." En wij wachten op de dag, omdat hij van ons is. Zijn licht is van ons. Zijn blauwe hemel is van ons. Zijn zachte lucht is van ons. Zijn vrolijke klanken zijn van ons. Zijn vriendelijke begroetingen zijn van ons. Alles wat de dag oproept aan vreugde, gezondheid en zuiverheid — het is van ons. Hoeft iemand zich dan te verbazen dat wij uitkijken naar zo'n dag?
Wij waken, want de nacht is bijna voorbij. Niet alleen weten wij van niets dat voor ons ligt voordat de Heere komt, maar we weten ook van veel dat achter ons ligt. Uren, jaren, eeuwen zijn voorbijgegaan. En als de hele nacht kort zou zijn — slechts "een korte tijd" — dan moet er nu zeker al heel veel van voorbij zijn. "De nacht is ver gevorderd," zegt de apostel; letterlijk staat er dat de nacht "is afgesneden," bekort — dat wil zeggen: de nacht wordt steeds korter en loopt ten einde. Achter ons liggen eeuwen van tranen en schaduwen. Het grootste deel van die korte tijd moet nu voorbij zijn. De dag moet dichtbij zijn. Die nabijheid maakt de gedachte aan de dag dubbel welkom. Wij buigen ons ernaar toe met warm verlangen. Wij turen om het eerste teken ervan op te vangen. Wij maken onszelf alert, wetend dat nu onze verlossing dichterbij is dan toen wij tot geloof kwamen.
Wat een teleurstelling, wat een domper om te horen dat er nog eeuwen van deze nachtwake voor ons liggen! Als dat bewezen zou kunnen worden, zou het onze hoop droef verkillen. We zouden dan meteen van onze wachttoren af kunnen komen en onze verwachting opgeven. "De komst van de dag van God verwachten en daarnaar verlangen" (2 Petrus 3:12) zou dan niet langer een plicht zijn. De laatste generatie van de gemeente, die aan het eind van het millennium leeft, zou dan de wachttoren kunnen beklimmen — maar voor ons zou waken slechts een naam zijn, een lege houding van vorm of schijn.
Het is altijd het doel van satan geweest om iets te plaatsen tussen de gemeente en de komst van haar Heere. Maar nooit bedacht hij een slimmer en succesvoller middel dan het plaatsen van een heerlijk en gezegend voorwerp daartussenin. Naar iets anders zou de gemeente niet geluisterd hebben. Zij zou zijn teruggedeinsd voor duizend jaar van verdriet. Maar zij wordt aangetrokken en verblind door de belofte van duizend jaar van rust en vreugde. Maar is het Bijbels en geoorloofd om er een vaste tijdsperiode tussen te plaatsen — of die nu droevig of vreugdevol is? Als de komst van de Heere ver in de toekomst wordt geduwd, maakt het niet uit wat ertussen wordt geplaatst. Als de Hoop van de gemeente verborgen wordt, doet het er weinig toe of dat gebeurt door een doek van rouwstof of door een sluier van geweven goud.
God behandelt de gemeente als één geheel. Hoewel zij uit vele generaties bestaat, ziet Hij haar als één lichaam. En wat haar hoop betreft, heeft Hij Zijn openbaring zo gevormd dat elke generatie van de gemeente op dezelfde voet staat als de laatste. Hoe heeft Hij dat gedaan? Hoe is de eerste tijd, en hoe zijn alle latere tijden, in dezelfde positie gebracht als de laatste? Eenvoudig door de tussentijd verborgen te houden. Hierin is het werkelijk "Gods eer een zaak verborgen te houden" (Spreuken 25:2). Want door deze methode, zo eenvoudig en zo natuurlijk, is elke tijd van de gemeente ertoe gebracht precies zo te voelen als de laatste zal voelen — te waken, precies zoals de laatste zal waken, wanneer de Heere werkelijk nabij is. En zo is dat lichaam, verspreid over eeuwen, altijd in een positie gebracht die dezelfde is als wanneer het een lichaam was waarvan het leven en het handelen samengevat was in één generatie. Elke bekende tussentijd die vóór de komst geplaatst wordt, verandert de houding, vernietigt het karakter en breekt de eenheid van de gemeente. Bovendien doorkruist het het doel dat God zo nadrukkelijk voor ogen had door de tijden en gelegenheden in Zijn eigen macht te houden.
Vaak, sinds de Heere de aarde verliet, is de wacht gewisseld en de wachter afgelost. God heeft het geloof van geen enkele tijd te zwaar beproefd door de wacht te lang te laten duren. In Zijn genade heeft Hij de leeftijd van de mens teruggebracht van de levensduur van de aartsvaders tot zeventig jaar. Want anders zouden de uitgeputte wachters kunnen bezwijken onder de last en het lijden. Dit is wat slapen en niet waken zo onvergeeflijk maakt. Adam, of Seth, of Methusalach, of Noach — zij hadden het scherpe van hun waakzaamheid misschien kwijt kunnen raken door een strijd van negenhonderd jaar. Maar welk excuus hebben wij voor zorgeloosheid? Onze diensttijd is kort. In slaap vallen of ongeduldig worden zou wijzen op treurige traagheid en ontrouw. "Kon u dan niet één uur met Mij waken? Waak en bid, opdat u niet in verzoeking komt" (Mattheüs 26:40–41). Als de Heere niet in onze tijd komt door Zijn persoonlijke verschijning om ons waken te beëindigen, dan hoeven wij nog steeds niet te klagen over te lang volhouden of uitputting. Want wij zullen zo snel worden afgelost en in Zijn nabijere aanwezigheid worden opgenomen. Daar zullen wij waken in rust en vreugde en licht, zoals wij hier gewaakt hebben in vermoeidheid en verdriet en duisternis.









