Door John Piper
Toen nu Jezus geboren was in Bethlehem, in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit het oosten kwamen in Jeruzalem aan, en zeiden: Waar is de pasgeboren Koning van de Joden? (Mattheüs 2:1-2)
Anders dan Lukas vertelt Mattheüs niet over de herders die Jezus een bezoek brachten in de stal. Hij richt zich in zijn beschrijving direct op de buitenlanders – heidenen, niet-Joden – die uit het Oosten komen om Jezus te aanbidden.
Zo schildert Mattheüs Jezus dus zowel aan het begin als aan het einde van zijn evangelie af als de Messias voor alle volken, niet alleen voor de Joden.
De eerste mensen die komen om Jezus te aanbidden zijn hier magiërs, astrologen of wijzen, niet uit Israël, maar uit het Oosten – misschien uit Babylon. Het waren heidenen. Volgens de oudtestamentische wetten waren ze onrein.
Aan het einde van Mattheüs luiden Jezus’ laatste woorden: ’Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ga dan heen, onderwijs al de volken’ (Mattheüs 28:19).
Daarmee zette Hij niet alleen de deur wijd open voor ons als heidenen, zodat ook wij mogen verheugen in de Messias, het was ook een bewijs dat Hij echt de Messias was. De profeten hadden het immers herhaal- delijk voorzegd dat de volken en koningen zouden komen tot Hem, de Heerser van de wereld. Bijvoorbeeld in Jesaja 60:3: ’En heidenvolken zullen naar uw licht gaan en koningen naar de glans van uw dageraad.’
Mattheüs bevestigt dus dat Jezus echt de Messias is, niet alleen voor Israël, maar ook een Koning en een Vervuller van de beloften voor alle volken.