’Dus is er nu geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest’ (Romeinen 8:1).
Waarom koesteren we geen wrok tegen broeders en zusters die oprecht berouw tonen?
Onze morele verontwaardiging over iets verschrikkelijks wat ons is aangedaan verdampt niet zomaar omdat de dader een christen is. Integendeel. Juist omdat de ander ook christen is, kunnen we ons nog meer verraden voelen. Even sorry zeggen lijkt niet in verhouding te staan tot de pijn en het verdriet die de zonde teweeg heeft gebracht.
Let wel, in dit geval hebben we het over medechristenen. Op hen is de belofte van de toorn van God niet van toepassing, want ‘er is geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn’ (Romeinen 8:1). En God heeft christenen volgens 1 Thessalonicenzen 5:9 ‘niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid, door onze Heere Jezus Christus.’
Wat moeten we dan als we verlangen dat er recht gedaan zal worden, en als we er zeker van willen zijn dat het christendom de zonde serieus neemt?
Het antwoord is dat we moeten opzien naar het kruis van Christus. Al het onrecht dat ons is aangedaan door medegelovigen, is gewroken in de dood van Christus. Dit ligt besloten in het simpele, maar tegelijk duizelingwekkende feit dat alle zonden van alle gelovigen op Jezus gelegd zijn (zie bijvoorbeeld Jesaja 53:6 en 1 Korinthe 15:3).
Het lijden van Christus is ook een vergelding van alle keren dat medechristenen mij iets hebben aangedaan. Daarom kun je niet zeggen dat het christendom de zonde niet serieus neemt. Het is niet zo dat het christendom nog eens zout in de wonde strooit doordat we het gevoel hebben dat er geen recht gedaan wordt.
Nee, het christendom neemt de zonde die tegen ons gedaan zijn zo ernstig op, dat God Zijn eigen Zoon gaf. Met welk doel? Om Hem meer te laten lijden dan wij ooit een medechristen zouden kunnen laten lijden voor wat hij ons heeft aangedaan.
Beschikbaar gesteld door DesiringGod.org