Elk wapentuig dat tegen u wordt vervaardigd, zal niets uitrichten, en elke tong die in het gericht tegen u opstaat, zult u schuldig verklaren. Dit is het erfelijk bezit van de dienaren van de HEERE, en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de HEERE. (Jesaja 54:17)
Het is over 'dienaren' dat God hier spreekt — dat is de naam die Hij hun geeft: 'dienaren,' en toch 'erfgenamen.' Want juist in verband met de 'erfenis' noemt Hij hen 'dienaren.' De apostel verbindt 'zonen' en 'erfgenamen' met elkaar; hier verbindt de profeet 'dienaren' en 'erfgenamen.' Israël krijgt deze naam — 'dienaren van Jehovah;' de gemeente krijgt hem; de apostelen krijgen hem; elke heilige krijgt hem. De bewoners van het oude Jeruzalem droegen hem; de burgers van het nieuwe Jeruzalem dragen hem ook. "Zijn dienstknechten zullen Hem dienen" (Openbaring 22:3). Wij moeten dienen zoals de engelen dat doen — ja, zoals Jezus dat deed, want Hij was de Dienaar van de Vader. Wij moeten de Vader dienen, en de Zoon, 'de Heere Christus;' wij moeten de gemeente dienen; wij moeten de wereld dienen; en dat alles in liefde, want tot een liefdevolle, kinderlijke dienst zijn wij geroepen.
Maar het zijn vooral deze twee dingen waarover de tekst spreekt: (1) de erfenis; (2) ons recht daarop.
1. De erfenis
Die wordt uitvoerig beschreven in het eerste deel van het hoofdstuk. Als we dat lezen, mogen we zeggen: "De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke plaatsen gevallen, ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen" (Psalm 16:6). Zij bestaat uit:
(a.) Bevrijding van verdriet en storm (vers 11). De tijd van verdriet en storm heeft lang geduurd; maar de dag van bevrijding zal nog veel langer duren. Het is een eeuwige bevrijding.
(b.) Heerlijkheid en schoonheid (vers 11, 12). Alles waar het oog van de mens of het oog van God behagen in schept, en wat goed wordt bevonden — op aarde en in de hemel — zal het onze zijn.
(c.) Kennis (vers 13). Wij zullen allen "door God onderwezen" zijn. Geen onwetendheid meer, geen ongeloof; alleen wijsheid — niet de wijsheid van deze wereld, maar van de wereld die komt.
(d.) Vrede (vers 13). "Grote vrede;" vrede als een rivier; vrede die alle begrip te boven gaat; Gods eigen vrede; van binnen en van buiten; met de zekerheid dat er nooit meer onrust zal opkomen. Eeuwige vrede — in het land van vrede, onder de heerschappij van de Vredevorst.
(e.) Standvastigheid (vers 14). Wij moeten hier standvastig en onwankelbaar zijn; hierna zullen wij dat nog veel meer zijn, want onze erfenis is het Koninkrijk dat niet wankelen kan.
(f.) Veiligheid (vers 14). Geen enkele mogelijkheid van kwaad, uit welke hoek ook; niets dan goed. Veiligheid (1) tegen onderdrukking, (2) tegen schrik, (3) tegen vijanden, (4) tegen oorlog, (5) tegen aanklachten en kwaad gerucht.
Al deze dingen — negatief en positief — maken samen het erfdeel uit van Israël in de laatste dagen; en nog meer het erfdeel van de heiligen in het licht, het Koninkrijk dat niet wankelen kan, de erfenis die onvergankelijk en onbevlekt is. Het is de hemel der hemelen zelf — heerlijk, wonderbaar, volmaakt, boven elke voorstelling uit. Ja, dit is werkelijk "wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord" (1 Korinthe 2:9). Hierom "schaamt God Zich niet voor hen om hun God genoemd te worden" (Hebreeën 11:16).
2. Ons recht daarop
"Hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de HEERE." Deze gerechtigheid geldt niet alleen voor onze persoonlijke aanvaarding, maar geeft ons ook de erfenis.
Dit is de grond waarop wij haar vasthouden, en waarop wij haar eeuwig vast zullen houden. Zo is zij ons verzekerd — door God Zelf verzekerd; niet eenmalig aan ons gegeven, maar voor altijd aan ons toegezegd. Ons recht, ons houvast, is dus:
(a.) Goddelijk. Het "is uit Mij, spreekt de HEERE." Hij geeft de erfenis, en Hij geeft óók het recht waardoor zij aan ons verzekerd is. Ja, Hij geeft ons een goddelijk recht — een recht zoals onze vader in het paradijs niet had: een recht dat niet uit onszelf komt, niet uit de mens, niet uit de aarde, maar uit God; een recht zó waarachtig goddelijk, dat wij mogen zeggen: God Zelf is mijn recht op de erfenis die God mij gegeven heeft. Want de gerechtigheid waardoor zij mij verzekerd is, is de gerechtigheid van God. Mijn eigendomsbewijzen zijn werkelijk goddelijk; de koopprijs is goddelijk; de overdracht is goddelijk; de zekerheid is goddelijk. Omdat wij één zijn met Hem Die de erfenis voor ons kocht, hebben wij hetzelfde recht erop als Hij heeft — wij ontvangen haar immers door Zijn gerechtigheid. Als de Rechtvaardige heeft Hij het Koninkrijk gekocht dat Hij aan ons geeft. Zijn gerechtigheid heeft het gekocht.
(b.) Rechtvaardig. Dat ligt opgesloten in de uitdrukking "hun gerechtigheid is uit Mij" — zij geeft aan dat het door gerechtigheid is dat de erfenis aan ons verzekerd wordt. Deze erfenis is méér dan alleen een geschenk van liefde; het is een geschenk van gerechtigheid. Wij ontvangen haar op een rechtvaardige manier; wij houden haar vast vanwege een rechtvaardige prijs die ervoor is betaald; onze zekerheid ervoor is meer dan de genade van God — het is de gerechtigheid van God. Onze vergeving is een rechtvaardige vergeving, en zo is ons recht ook een rechtvaardig recht — goddelijk rechtvaardig — een recht dat de wet erkent, en dat de wet aan ons zal toekennen tegenover alle tegenstanders of rivaliserende eisers, als die er zouden zijn. "Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?" (Romeinen 8:31). In onze eigendomsbewijzen zit geen enkel gebrek of onduidelijkheid, want zij zijn opgesteld door een rechtvaardig God, ondertekend door een rechtvaardig God, en aan ons overhandigd door een rechtvaardig God. Alles wat met onze intrede in en ons bezit van de erfenis te maken heeft, is in gerechtigheid.
(c.) Vrij. Onze erfenis is een "verkregen bezit" — voor ons gekocht door een ander; volledig betaald met een goddelijke prijs; zó volledig betaald dat er voor ons niets meer overblijft om te betalen. Alles is vrij. Kanaän was Gods vrije gave aan Israël; zo is de erfenis Gods vrije gave aan ons. Wij zouden niet kunnen betalen, mocht het nodig zijn; en het is niet nodig. Alle betaling wordt geweigerd. Zij is zo kostbaar dat alleen God er een prijs voor kon betalen — en Hij hééft die prijs betaald. Zoals het leven vrij is, en de verlossing vrij is, zo is ook de erfenis vrij — volstrekt en onvoorwaardelijk vrij; vrij in de zin van ongekocht; vrij in de zin van onverdiend; vrij in de zin dat zij een gave van God is.
(d.) Eeuwig. Omdat ons recht goddelijk en rechtvaardig is, moet het ook onaantastbaar zijn. Het moet eeuwig standhouden. Een eeuwig recht op een eeuwige erfenis — dáárin verheugen wij ons. Daarom wordt de erfenis zelf, en alles wat ermee samenhangt, beschreven in bewoordingen die volstrekt eindeloze en onbegrensde duur aangeven. Geen tweede val; geen tweede verlies van het paradijs. Geen toekomstige verleider of verzoeking. Wij gaan binnen om er nooit meer uit te gaan. Want de gemeente is "de gezegende van de Heere," tegen wie gezegd zal worden: "Kom, gezegenden van Mijn Vader" (Mattheüs 25:34). Omdat wij één zijn met de Zoon van God — "deelgenoten van Christus,""mede-erfgenamen met Christus Jezus" — moet ook ons houvast op de erfenis even zeker en even eeuwig zijn als dat van Hemzelf.
Het is deze erfenis die God in Zijn evangelie aan ons voorhoudt. Hij wijst erop, zoals Hij Israël op Kanaän wees, en zegt: Daar is de heerlijkheid; vertrouw Mij ervoor, en je zult er binnengaan.
Israël kon er niet binnengaan vanwege ongeloof — en het is alleen dat wat de zondaar buiten het Koninkrijk houdt. Wij verkondigen het Koninkrijk, en wij roepen uit dat wie Gods getuigenis over Zijn eniggeboren Zoon aanneemt, het vrij zal ontvangen. Maar het gepredikte woord is niet van nut als het niet met geloof vermengd wordt bij hen die het horen. Gods getuigenis is waar; het is een getuigenis dat speciaal voor zondaren bedoeld is. Zullen wij het naast ons neerleggen? Zullen wij het als waardeloos behandelen? Zullen wij Hem tot een leugenaar maken? Zullen wij de open poort voor onszelf sluiten? Zullen wij weigeren binnen te gaan? "Wij die tot geloof gekomen zijn, gaan immers de rust binnen" (Hebreeën 4:3). Hoe vrij, hoe eenvoudig, hoe uitnodigend is de toegang! Het is God Zelf Die bij de open deur staat en ons uitnodigt binnen te komen; Hij wenkt ons naar binnen. Zal zo'n erfenis voor ons verloren gaan? Zal zo'n heerlijkheid worden veracht?









