Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. (Jesaja 53:11)
"Over wie zegt de profeet dit? Over zichzelf of over iemand anders?" vroeg de Ethiopische hoveling (Handelingen 8:34). Over iemand anders, zonder twijfel; over iemand groter dan hijzelf; hoger, en toch lager dan wie ook onder de mensenkinderen. Want slechts van één Persoon, in de hele geschiedenis van de aarde vanaf het begin, konden deze dingen gezegd worden. Heet Hij niet "Wonderlijk"? Hier hebben wij:
1. De rechtvaardige Knecht van de Vader
"Mijn rechtvaardige Knecht," zegt God, alsof Hij nooit een andere gehad heeft. Mijn Knecht! Mijn rechtvaardige Knecht! Knecht is een naam van onderwerping en gehoorzaamheid, maar ook van eer, naar de rang van degene die hij dient. Als Knecht doet Hij de wil van de Vader; de Knecht van de Vader voor ons, en in die zin onze Knecht: "Ik ben in uw midden als Iemand Die dient" (Lukas 22:27); "de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen" (Markus 10:45). Als Knecht is Hij de Vervuller van de wet; de Gehoorzame in alle dingen. Hij behaagde Zichzelf niet en deed niet Zijn eigen wil. "Mijn rechtvaardige Knecht," zegt God, als Iemand Die Zich in Hem verheugt; want nooit eerder had Hij zulke dienst en zulke gerechtigheid ontvangen; goddelijke, en toch menselijke dienst; goddelijke, en toch menselijke gerechtigheid. Het is over deze rechtvaardige Knecht dat het hele hoofdstuk spreekt. Hij is het Die voor Zijn aangezicht opschoot als een loot, als een wortel uit dorre aarde. Hij is het in Wie mensen geen schoonheid zagen; Die zij verachtten en verwierpen. Hij is het Die de Man van smarten was, bekend met ziekte. Hij is het voor Wie mensen hun gezicht verborgen; Die als een lam ter slachting werd geleid; Die uit de angst en uit het gericht werd weggenomen; Die afgesneden werd uit het land van de levenden. O wonderlijke Knecht! O genadige dienst! Wat of waar zouden wij zijn zonder zulk een Knecht en zulk een dienst! Alles wat wij nodig hebben wordt ons door U bediend, vrijelijk, overvloedig, liefdevol! Waarom zijn wij toch zo traag om U als de Knecht te erkennen, en Uw dienst ten behoeve van ons te aanvaarden? Uw leven op aarde was een leven van dienst voor ons; en Uw leven in de hemel is nog steeds hetzelfde. Want is Uw voorbede, Uw pleiten niet dienst van de beste en waarachtigste soort?
2. Deze rechtvaardige Knecht rechtvaardigt
Hij is geen gewone knecht. Hij is de grote Rechter van allen; de Rechtvaardiger van de zondaar; Hij Die de schuldige vrijspreekt en vergeeft. Hij handelde als zodanig op aarde, toen Hij zei: "Ook Ik veroordeel u niet" (Johannes 8:11) — "uw zonden zijn u vergeven" (Markus 2:5). Hij handelt als zodanig in de hemel. Onze rechtvaardigmaking ligt in Zijn handen; wij gaan tot Hem om gerechtvaardigd te worden. In één opzicht is het de Vader Die rechtvaardigt; in een ander opzicht is het de Zoon. Hij "rechtvaardigt velen." Alle macht is Hem gegeven; rechterlijke macht, koninklijke macht, priesterlijke macht. Wij ontvangen vrijspraak en aanvaarding uit Zijn priesterlijke en koninklijke handen. Laten wij dan met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid verkrijgen (Hebreeën 4:16). Hij zit daar om zondaars te ontvangen. Hij neemt de zaak van de veroordeelden op — en als zodanig rechtvaardigt Hij hen. Hij erkent al hun zonde en schuld, en dan bevrijdt Hij hen. Zij komen tot Hem als veroordeelden; Hij erkent het vonnis als rechtvaardig; maar Hij maakt het ongedaan — voor eeuwig. Zijn rechtvaardigend vonnis keert het veroordelende vonnis van de wet om. Het is met veroordeelden dat Hij te maken heeft; het zijn zij die Hij vergeeft. Er was gerechtigheid in de veroordeling; er is niet minder gerechtigheid in de vergeving. De Rechtvaardiger is de Knecht van de Vader; het Woord dat vlees geworden is; de Zoon van God, Die kwam in de naam van de Heere om ons te verlossen. Genade en gerechtigheid in al hun volheid zijn in Hem te vinden.
3. Deze rechtvaardige Knecht rechtvaardigt door Zijn kennis
De kennis is de schakel tussen de velen en de rechtvaardigmaking. Hij rechtvaardigt hen door hun de kennis te geven van Hemzelf als de Rechtvaardiger, en van Zijn werk als het rechtvaardigmakende. Kennis wordt hier niet gebruikt in de zin van wijsheid of begrip. Het betekent datgene wat Hij hen leert kennen. Wij worden gerechtvaardigd door de rechtvaardige Knecht te kennen. Het is niet door werken, of bidden, of lijden, maar door kennen, dat wij de staat van aanvaarding binnengaan: "En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt" (Johannes 17:3). Dit is een van de eenvoudigste vormen waarin het evangelie aan ons wordt voorgesteld. Er is hier geen mysterie of duisternis. Jezus kennen is gerechtvaardigd zijn! De gerechtvaardigde mens kan niets zeggen ter verdediging van zichzelf; niets goeds heeft hij in zichzelf gevonden, in zijn werken, zijn gevoelens of zijn karakter. Alles is kwaad, enkel kwaad. Hij is volstrekt ongeschikt voor vergeving, naar de maatstaf waarmee mensen geschiktheid beoordelen. Het enige dat hij voor zichzelf kan zeggen is dat hij de rechtvaardige Knecht van de HEERE kent, en in die kennis bevrijding heeft gevonden van de toorn en de vloek. Die kennis heeft hem gebracht in de staat van "geen verdoemenis" (Romeinen 8:1). Tevreden met die kennis (hoewel tevreden met niets in zichzelf) kan hij met zekerheid en vreugde zeggen: "Wie is het die verdoemt?" (Romeinen 8:34).
4. Deze rechtvaardige Knecht rechtvaardigt door de ongerechtigheden te dragen van hen die Hij rechtvaardigt
Hij rechtvaardigt als rechter; als een rechter die rechtvaardig oordeelt; een rechtvaardig oordeel in het vrijspreken van de onrechtvaardige. De grond waarop Hij rechtvaardigt is niet louter genade; het is ook gerechtigheid.
Niet dat zonde onbeduidend is; maar Hij heeft de ongerechtigheid gedragen in de plaats van de onrechtvaardige. Dit dragen van de ongerechtigheid was Zijn grote werk op aarde, van Zijn kribbe tot Zijn kruis. Het werd op Hem gelegd. Hij nam het gewillig op Zich. Hij was in staat het te dragen. Hij heeft het gedragen. De Zondedrager heeft getriomfeerd. Het werk van het zondedragen is volbracht. Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld (Jesaja 53:5). Het werk is volbracht! De ongerechtigheid is gedragen. Dat wat verzoent is voltooid. Van dit alles heeft God Zelf getuigenis afgelegd.
Het is op Gods getuigenis dat wij ons geloof laten rusten; en uit de belofte die aan dit goddelijk getuigenis verbonden is, trekken wij de gezegende conclusie dat wij, door te geloven, die vrede zullen binnengaan die tot stand gebracht is. God heeft ons een getuigenis gegeven over het werk van Zijn Zoon; en Hij heeft de belofte eraan toegevoegd dat wie dat getuigenis gelooft, onmiddellijk gerechtvaardigd is. Wij geloven, en zijn gerechtvaardigd. Wij weten dat wij het zijn vanwege het zekere woord van belofte aan hem die het getuigenis aanneemt. Dit is wat "toe-eigening" wordt genoemd. Het is de eenvoudige conclusie die wij trekken uit het geloven van het getuigenis. Wie gelooft, heeft eeuwig leven (Johannes 6:47). Wij geloven, en daarom weten wij dat dit hele leven het onze is: "God is geen man, dat Hij liegen zou" (Numeri 23:19).
Wij zullen weten, wanneer Hij terugkomt, hoeveel wij verloren hebben door dit ware getuigenis niet te geloven; hoeveel vrediger, heiliger en vruchtbaarder ons leven zou zijn geweest als wij dat getuigenis in zijn eenvoud en volheid hadden geloofd.









