De overheid en het overblijfsel

Maarten Luther en het Overblijfsel

Hoofdstuk 8 van 20·40 min leestijd·Leonard Verduin
43%

In onze studie van de Reformatoren en hun rol in het oude conflict over de mode d'intégration (het conflict waaraan het Eerste Amendement een einde moest maken), beginnen we met Maarten Luther. Niet omdat alle verandering bij hem begon — dat was allerminst zo, zoals we hopen te hebben laten zien. Maar we moeten nu eenmaal bij één van de Reformatoren beginnen, en dan kan het net zo goed bij hem zijn.

Luther had ruimschoots de kans om te weten dat het "christendom" altijd zijn rivaal heeft gehad. Alleen al hierom: zijn leermeesters wisten ervan, en ze verwezen ernaar in hun onderwijs. Eén van hen, Von Usingen, leerde: "Zij die in onze tijd uit het kamp van de Picarden komen, worden wederdopers en catabaptisten genoemd, omdat ze een tweede keer dopen." Een andere leermeester, Eckebertus, had in zijn Preken tegen de ketters gezegd dat de "ketters" beweren dat "het ware geloof en de ware dienst van Christus nergens te vinden zijn dan in hun conventikels, die ze houden in kelders en weverswerkplaatsen en dergelijke ondergrondse plaatsen." En "Sint-Bernard" had in zijn preken over het Hooglied gezegd: "Zodra een priester zijn parochie een tijdje verlaat, stroomt het volk, jong en oud, naar de conventikels van de wevers." Al in het jaar 1233 stelde de toenmalige paus, Gregorius IX, vast: "De pest van de ketterij heeft zich over heel Vlaanderen verspreid." In de halve eeuw vóór Luthers geboorte waren er in Vlaanderen honderdvijftig "ketterjagers" — en in Luthers Duitsland was het niet wezenlijk anders. In het jaar 1322 werd in Keulen een Nederlandse "ketter" gearresteerd, bekend als Wouter den Hollander. (Droeg hij die naam omdat zijn echte naam niet werd prijsgegeven?) Hij werd gefolterd om hem de namen van zijn medegelovigen te ontfutselen, en daarna aan de vlammen prijsgegeven. Zo konden we nog wel even doorgaan. Luther móét van het Overblijfsel en zijn wegen geweten hebben, vóórdat hij in 1517 zijn stellingen aansloeg.

Dit mag niet zó worden opgevat dat Luther geen grote geesteskracht toonde toen hij zijn aanval op het "christendom" aanplakte. Nee, hij toonde grote moed. Hij hing zijn overtuigingen tégen het "christendom" op aan het openbare mededelingenbord.

Het nieuws van Luthers moedige daad ging natuurlijk meteen naar alle delen van Europa. En het kreeg antwoord: twee afgevaardigden van de Boheemse Broeders kwamen met Luther overleggen — mensen die vierkant in de traditie van het Overblijfsel stonden. Ze heetten dan wel Boheemse Broeders, maar zij en de "ketters" die "Waldenzen" werden genoemd, waren vrijwel één en dezelfde groep. Ze hadden precies dezelfde "catechismus" voor het onderwijs aan hun jeugd. Ze erkenden elkaars voorgangers, die zelfs bij elkaar op de kansel stonden. Een historicus van onze tijd, Von Zeschwitz, heeft beide gemeenschappen diepgaand bestudeerd. Zijn conclusie: de nauwe verwantschap tussen de Broeders en de Waldenzen "steht unbestreitbar fest" — staat onbetwistbaar vast.

Luther noemde de bezoekers "Picarden" — gewoon wéér een naam voor mensen van het Overblijfsel. Niemand weet zeker waar dat etiket vandaan komt. Sommige geleerden zeggen dat het een verharde vorm is van "Begard", een naam voor Overblijfsel-mensen. De uitgang "-ard" in "Picard" is het kleinerende achtervoegsel dat we al kennen. Anderen houden vol dat het woord "Picard" als ketternaam is overgenomen van de Franse provincie Picardië, een streek die al heel lang vol "ketters" zat. Voor ons maakt het niet uit — als we Luthers vroege bezoekers maar zien als leden van het Overblijfsel.

In een brief aan zijn vriend Spalatinus schreef Luther: "Ik heb gedelegeerden gehad van de Picarden" — let op: het waren geen losse "bezoekers", ze waren afgeváárdigd — "die bij mij kwamen om over hun geloof te overleggen... Ik merk dat ze op bijna alle punten gezonde overtuigingen hebben. Eén ding viel me op: ze hechten maar weinig waarde aan de kinderdoop, hoewel ze kleine kinderen wél dopen, net zoals ze degenen herdopen die van ons naar hen overkomen. Of ze juist denken over geloof en werken, weet ik niet zeker; ik heb wel enige twijfels. Wat de sacramenten betreft bespeur ik geen dwaling bij hen (tenzij woorden bedriegen), en ook niet wat de doop betreft."

Verschillende dingen in deze brief aan Spalatinus verdienen aandacht. Om te beginnen: Luther heeft zijn bezoekers uit het Overblijfsel duidelijk uitgehoord, om te weten te komen waar ze op allerlei punten wérkelijk stonden. We zeggen "werkelijk stonden", want de berichten van het "christendom" over hen waren zwaar gekleurd. Bovendien was het niet alleen moeilijk om aan hun geschriften te komen — de geschriften die er wél waren, deden soms bewust wat voorzichtig over de omstreden punten. (Hoe de verhoudingen lagen, blijkt wel hieruit: de bezoekers hadden een verklaring van hun geloof bij zich, maar die gaven ze Luther pas te lezen toen dat veilig leek.)

Luther heeft de bezoekers duidelijk ook uitgehoord over de betekenis van de doop. Vandaar zijn woorden: "...ze hechten maar weinig waarde aan de doop, hoewel ze kleine kinderen wél dopen, net zoals ze degenen herdopen die van ons naar hen overkomen..., ik bespeur geen dwaling bij hen... wat de doop betreft" — met de toevoeging: "tenzij woorden bedriegen." Het is uiterst twijfelachtig dat de mensen van het Overblijfsel werkelijk zuigelingen doopten — pasgeborenen dus, die nog geen woorden kunnen gebruiken of zinnen maken. (Bedenk dat het Franse woord "enfant" betekent: "die nog niet spreekt".) Het is wél goed mogelijk dat ze schoolkinderen doopten. En één ding is volstrekt zeker: de mensen van het Overblijfsel wezen het "kerstenen" af, of het nu om zuigelingen ging of om volwassenen (het woord werd voor beide gebruikt). Je moet dat "kerstenen" immers eerst verwerpen, voordat je ook maar kunt dénken aan een tweede doop.

Luther heeft de bezoekers ook uitgehoord over de verhouding tussen het doen van "goede werken" en het christen-zijn. Geen wonder dat hij zijn vriend bekende dat hij op dit punt niet tot klaarheid was gekomen over hun overtuiging. Hij had dat onderzoek moeten voortzetten. Want de tijd zou het leren: Luther begon later af te glijden naar de gedachte dat de verlossing alleen maar vergeving is — zonder één woord over vernieuwing.

Terwijl Luther de bezoekers polste, hadden hij en zij één gezamenlijk belang: vrienden en helpers vinden, met het oog op de toorn van het "christendom". Daaraan dacht Luther toen hij zei: "Paus noch bisschop, noch enig ander mens, heeft het recht om ook maar één lettergreep bindend op te leggen aan een christenmens, tenzij met diens instemming... Ik roep het uit voor de vrijheid van het geweten, en ik verkondig met vertrouwen dat geen enkele wet met recht aan christenen kan worden opgelegd, behalve voor zover ze het zelf willen. Want wij zijn vrij van alles..." Of hij hierover met de bezoekers van de Broeders gesproken had, staat er niet bij. Maar we mogen er zeker van zijn dat ze geapplaudisseerd zouden hebben. Luther sprak hier immers zoals het Overblijfsel al duizend jaar sprak — de visie die uiteindelijk werd vastgelegd in het Eerste Amendement.

Het wordt duidelijk dat er al Luthers waren vóór de Luther die Maarten heette. We lezen tenminste over een "ketter" met de naam Andries, wiens aanklacht zó luidde: "Hij weigert te geloven dat priesters de macht hebben om het heilige sacrament te wijden, of om iemand van zijn zonden vrij te spreken. Hij zegt dat hij nog liever naar een merel luistert dan naar de viering van de mis." Er wordt aan toegevoegd dat de man "geen a van een b kon onderscheiden" — ongeletterd was dus. (Van ongeletterde leden van het Overblijfsel werd weleens gezegd: "Ze kennen het verschil niet tussen een hoofdletter A en een windmolen.") Vier metgezellen van de man wisten te ontkomen; hijzelf werd verdronken, in 1534. Rond diezelfde tijd kreeg een "ketter" die "luthers" genoemd werd "met een roodgloeiend ijzer een kruis op zijn borst gebrand". (We zetten "luthers" hier tussen aanhalingstekens, want ook die naam was inmiddels gewoon een scheldwoord voor een "ketter" geworden.) We vertellen dit alles om de geduldige lezer er nog eens aan te herinneren: toen Luther zijn stem verhief, was Europa geen rimpelloze vijver van rooms-katholieke heerschappij.

De vroege Luther — we zeggen "de vroege Luther", want er was een vroege en een latere Luther als het gaat om de mode d'intégration — was er vast van overtuigd dat het "kerstenen" geen been had om op te staan. Maar hij besefte ook: er openlijk mee breken zou slecht vallen bij de overheden. Hun was immers geleerd dat een samenleving alleen bijeenblijft als ze wordt samengebonden in en met sacramenten. Hij schreef: "Er is in de Schrift onvoldoende grond om de invoering van de kinderdoop te rechtvaardigen... maar het is duidelijk dat niemand het kerstenen mag verwerpen dat al zo lang in gebruik is." Waar had hij dit vandaan? In zijn priesteropleiding binnen het "christendom" had hij zoiets beslist niet gehoord. Had hij misschien, als augustijn, zijn neus in "verboden" geschriften uit de kring van het Overblijfsel gestoken? Bedenk bij die vraag wat er een eeuw geleden gebeurde, toen in Vlaanderen een oud augustijnenklooster werd afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw. In de stenen muur zat een verzameling van juist zulke "verboden" boeken ingemetseld. En herinner je dat de augustijnen van Antwerpen meteen klaarstonden om zich achter Luther te scharen toen hij zijn stem verhief. Het is dus meer dan waarschijnlijk dat Luther zijn ideeën had opgedaan uit het lezen van "verboden" boeken.

De vroege Luther verdedigde het "priesterschap van alle gelovigen" — en dat betekent: geen priesterwijding. Hij ging daarin zó ver dat zijn felste criticus, Hieronymus Emser, zei: "Luther kent het verschil niet tussen een koeienhoeder en een geestelijke." Ook dit doet ons vragen of Luther geschriften van het Overblijfsel onder zijn matras had liggen. De terecht beroemde Nederlandse historicus Pijper zei over Luthers stelling dat "leken de mis kunnen bedienen": "het doet me denken aan de Waldenzen" — en dat doet het zeker. Maar Pijper zat nog verstrikt in de geschiedschrijving die het "christendom" had uitgevonden. Daarom probeerde hij de gelijkenis die hij zelf toegaf niet eens te verklaren; hij zag er de reden niet van in.

In 1524 verscheen een boekje met een lange titel: Een samenspraak tussen een evangelisch christen en een lutheraan, waarin het aanstootgevende leven van sommigen die zich lutheraan noemen wordt blootgelegd en broederlijk bestraft. Het boekje kwam blijkbaar uit de kring van het Overblijfsel — de schrijver noemt zichzelf immers een "evangelische" — al was hij voorzichtig genoeg om dat niet toe te geven. De schrijver had kennelijk Luthers eenzijdige nadruk op de vergevingskant van de verlossing opgemerkt, ten koste van de vernieuwingskant. En omdat we weten dat de mensen van het Overblijfsel bijzonder gehecht waren aan de brief van Jakobus, voelde hij zich geroepen die eenzijdigheid in druk aan de kaak te stellen. Een katholiek was hij beslist niet. Een echte lutheraan ook niet. Dus moet hij een aanhanger van het Overblijfsel geweest zijn.

In 1523 leerde Luther nog: "In zaken van het geloof gaat het om een vrije daad, en die kan niet worden afgedwongen. Ketterij is een geestelijke zaak. Je kunt haar niet neerslaan met ijzer, niet verbranden met vuur, niet verdrinken in water... De wereldlijke overheid moet er met haar handen van afblijven en zich met haar eigen zaken bemoeien. Ze moet ieder mens laten geloven wat hij verkiest, dit of dat, en op dit terrein van het leven bij niemand dwang gebruiken." (Er kwam een tijd, zoals we zullen zien, waarin Luther waarschijnlijk spijt had dat hij dit geschreven had.)

In 1522 sprak Luther de hoop uit: "Mochten wij, die op dit ogenblik zo goed als heidenen zijn, al leven we onder de christennaam, een christelijke gemeenschap gaan vormen." Was ook dit mooie verlangen voortgekomen uit het lezen van geschriften van het Overblijfsel? Zo ja, dan was Luther tactvol genoeg om het niet toe te geven. We weten dat hij al in die richting trok toen hij in Worms terechtstond. Daar kreeg hij te horen: "De meeste ketterijen die u naar voren brengt, zijn de ketterijen van de Begarden, de Waldenzen, de Armen van Lyon, Wyclif, Hus en anderen — ketterijen die allang verworpen zijn, en wel door synoden."

De man die dit zei, had zich tijd en moeite kunnen besparen door simpelweg te zeggen: "het Overblijfsel". Want we weten dat er in 1524 "bijeenkomsten waren waar de Schrift bestudeerd werd". We lezen: "Achtendertig ambachtslieden werden voor de magistraat gebracht omdat ze aanwezig waren geweest bij bijeenkomsten van dat soort, in een straatje dat 'Eckstraetken' heette" — Eikstraatje; was het misschien een steegje? — "waar tegen de voorschriften in de Schrift wordt gelezen en uitgelegd." Het jaar 1524 lijkt te vroeg om te denken dat die achtendertig ambachtslieden "goede katholieken" waren geweest totdat Luthers stellingen hun ter ore kwamen. En dat het "ambachtslieden" waren, wijst er al sterk op dat het leden van het Overblijfsel waren.

Wie in de eerste jaren van de Reformatie het volgende zeiden, waren vóór Luthers stellingen géén goede katholieken geweest: "Christus Zelf getuigt ervan dat Hij geen toestemming had gekregen van de keizer, van edelen, of van welke wereldlijke overheid ook... O, gaf God dat alle burgerlijke machthebbers gingen zien hoe alle echte christenen tegenover hen staan: dat ze met heel hun hart verlangen en wensen dat hun land vol christenen mag zijn — als dat mogelijk is. Maar ik vrees dat ze dit niet geloven." (Bedoeld is: geloven wat er bericht werd over hun voorbeeldige gedrag.) De mensen die dit zeiden, waren niet door Luther "bekeerd". Nee, ze waren wat ze waren — geheel los van Luther en zijn optreden.

De vroege Luther schreef: "Wie ernstig christen willen zijn en het evangelie willen belijden, in woord én daad — hun namen behoren in een register te worden opgeschreven. Zij behoren in een huis apart samen te komen, voor gebed, voor het lezen van de Schrift, voor de bediening van de doop" — denkt Luther hier werkelijk aan herdopen? Heeft hij in zijn hoofd de kinderdoop al opgegeven? — "en om zich te oefenen in nog andere christelijke werken." Ook zei hij dat hij hen die werkelijk geloven "apart wilde vergaderen, op een eigen plek" — Luther denkt hier aan samenkomen in conventikels — "...Dat wil ik al lang, maar tot nu toe was het niet haalbaar." Wij kunnen alleen maar vragen: waarom "niet haalbaar"? Er waren toch zalen genoeg, zoals hij zelf zei? Nee — het gold als "niet haalbaar" omdat de burgerlijke machthebbers fel tegen het houden van conventikels zouden zijn. "...We behoren de elementen van het sacrament niet zomaar aan iedereen zonder onderscheid uit te delen, zoals het pausdom doet — dat lijkt nog het meest op het in de strot van een zeug kieperen." Het is duidelijk: Luther was niet langer "katholiek". Hij begon te praten als een lid van het Overblijfsel. Maar hij wist wel beter dan het openlijk met hen eens te zijn.

Aan zijn vertrouwde vriend Hausmann schreef de vroege Luther:

"Ik loop al lang rond met het plan om een orde van dienst voor te schrijven voor het houden van de mis, maar tot nu toe heb ik het niet kunnen uitwerken." — Weer die vraag: waaróm niet? Omdat hij wist dat zijn plan slecht zou vallen bij de edelen. Hun was immers geleerd: wil er vrede zijn op het plein, dan moet er eenstemmigheid zijn bij het altaar. — "...Maar mijn voornemen is om te zijner tijd niemand tot het avondmaal toe te laten die niet eerst ondervraagd is en de juiste antwoorden heeft gegeven over het geloof. De rest sluiten we buiten." Over de herkomst van deze blauwdruk tasten we niet in het duister. En ook niet over de reden van Luthers uitstel. Hij wist dat de eerzuchtige edelen niet bereid waren het compositisme ruimte te geven — het compositisme waarvoor het Overblijfsel al zo lang streed. Het was een kwestie van mode d'intégration.

De vroege Luther liet duidelijk merken dat hij alles wist van het Overblijfsel, zijn overtuigingen en zijn gewoonten. Hij zei over hen: "Hoewel ze door de papisten" — let op: Luther rekent zichzelf niet meer tot de "papisten", en dat betekent dat hij zichzelf ziet als een "ketter" van het Overblijfsel — "heftig veroordeeld worden en ketters genoemd, is er onder hen zo'n keurige levenswandel en zo'n ernstige ijver voor tucht en goede werken als bij onze eigen geestelijken niet te vinden is, en zelfs niet van te horen valt.

Dit is een feit, en onze eigen geestelijkheid zal het eenvoudig moeten toegeven." Opnieuw: wie zó spreekt, klinkt als iemand van het Overblijfsel.

Toen de vroege Luther het had over "onze eigen geestelijken", dacht hij kennelijk nog aan de geestelijkheid van het "christendom". Maar hetzelfde beeld herhaalde zich in de kerken die "luthers" gingen heten. We lezen tenminste over een predikant die had "gegluurd": hij had in het geheim een conventikel van het Overblijfsel bijgewoond. Hij kwam terug met niets dan lof over wat hij er had gezien, "vooral hun gebeden en hun steun aan de overheden". Hij was er zó door gesticht, dat hij later in een preek zei dat hij tot dan toe "alleen de kale letter van het Woord gepredikt" had. Voor zijn bezoek aan het conventikel kreeg hij deze straf: "U zult zich een heel jaar lang onthouden van elk feestmaal, elke partij en elke drinkgelegenheid — alles op straffe van ontzetting uit uw parochie." (Het origineel luidt: "ein ganz Jahr aller und jeder Zech und Gesellschaft und des Vollsaufens... enthalten, alles bei Verlust und Entsetzung seinen Pfarr".) Opnieuw blijkt: toen de mensen van het Overblijfsel de geestelijkheid van het "christendom" van losbandig leven beschuldigden, verzonnen ze niets.

Wat moet het de mensen van het Overblijfsel goedgedaan hebben, Luther over hen te horen zeggen: "Door Gods genade wordt er onder u zo'n keurig en tuchtvol leven gevonden. Geen gulzig vreten en zuipen, geen zweren en vloeken, geen praalzucht en goddeloosheid, zoals bij ons... Wij zien niet hoe wij zo'n keurige en tuchtvolle manier van leven zouden kunnen invoeren — wij, die midden in Sodom wonen. God helpe ons tot iets beters!"

We vragen ons af waar Luther de gewoonte vandaan had om het "christendom" "Sodom" te noemen — waar anders dan bij het Overblijfsel? Dáár was het immers de gewoonte om het "christendom" aan te duiden als "Sodom" — en ook als "de hoer".

En wat moeten de "Picarden" op bezoek zich verheugd hebben toen ze Luther over hen hoorden zeggen: "De Broeders geloven dat ieder mens voor zichzelf moet geloven, en dan op grond van zijn eigen geloof de doop moet ontvangen. Anders is de doop betekenisloos... De nood dwingt hen om... zich te laten herdopen, zoals ze ook degenen herdopen die van ons naar hen overkomen."

De bezoekende leden van het Overblijfsel hadden een afschrift meegebracht van een belijdenis die ze kort tevoren hadden opgesteld — in het geheim, uiteraard. Toen het veilig begon te lijken, gaven ze die aan Luther, om te lezen en te beoordelen. En toen bleek dat de inhoud hem beviel, vroegen ze hem er een inleiding bij te schrijven. Daarin stemde hij toe. (Of hij het ook gedáán heeft, hebben we tot op heden niet kunnen vaststellen.) Het begon erop te lijken dat Luther en de erfgenamen van het Overblijfsel hand in hand zouden gaan — en dat zij zo eindelijk een beetje van de hulp zouden krijgen die ze nodig hadden.

Helaas... Het mocht niet zo zijn! De ontvoering door de onafhankelijkheidszoekende edelen had Luthers leven gered. Hun dienaren grepen Luther toen hij op de terugweg van zijn proces in Worms het bos in reed. In datzelfde bos had het "christendom" diep tussen de bomen een groep soldaten klaargezet, met het bevel Luther te grijpen en te doden. Zijn redders brachten hem in allerijl naar de Wartburg, een verlaten burcht in dunbevolkt gebied. Daar zat Luther een jaar lang verborgen. Niemand op straat kon zeggen wat er van hem geworden was. En daar, in de diepe eenzaamheid, had Luther de tijd om alles te overdenken en plannen te maken voor de toekomst. Hij was ervan overtuigd geraakt dat alléén verdergaan het einde zou betekenen. Dus besloot hij samen te werken met de onafhankelijkheidszoekende edelen die zijn leven hadden gered. Hij besloot de beschermende paraplu te aanvaarden die deze edelen hem aanboden. De prijs — en Luther besefte het — was het opgeven van het gedachtegoed van het Overblijfsel, mét de praktijk die erbij hoorde. Het opgeven van de mode d'intégration van de Schrift.

Terwijl hij op de Wartburg zat, maakte Luther een tweede bekering door. Hij liet de mode d'intégration van het Overblijfsel los, en omhelsde de mode d'intégration van het "christendom" — dat tekenen vertoonde van uiteenvallen in verschillende eenheden, waarvan er één het land zou worden waar het lutheranisme staatsgodsdienst werd.

Heel scherpzinnig, en heel terecht, schreef Ludwig Keller (de historicus die de geschiedschrijving van het "christendom" had afgezworen) over Luthers tweede bekering: "Er had zich een radicale verandering voltrokken in het denken van Luther, met name op het punt van de verhouding tussen kerk en staat. Daarmee was elke kans verdampt dat de nieuwe lutherse kerk het ideaal van de oude evangelischen" — bedoeld is het Overblijfsel — "zou verwezenlijken."

Ja, de Maarten Luther die van de Wartburg afkwam, was beslist een ander dan de man die er was ondergebracht door de onafhankelijkheidszoekende edelen. De Luther die eerder had geleerd dat er in de Schrift geen grond is voor het "kerstenen", zei nu bijvoorbeeld:

"Hoe kan de doop zwaarder worden gesmaad en onteerd dan wanneer gezegd wordt dat de doop, bediend aan een ongelovige, geen goede en echte doop is! Wat? Zou de doop krachteloos zijn omdat iemand niet gelooft? Welke godslasterlijker en aanstootgevender leer zou de duivel zelf kunnen verzinnen en prediken? En toch zitten de wederdopers en de sektenmakers tot over hun oren vol van precies deze leer. Laat me dit eens voorleggen. Hier is een Jood die de doop aanneemt (dat gebeurt vaak genoeg) maar niet gelooft. Zou u zeggen dat zijn doop niet echt is, alleen omdat hij niet gelooft? Dat zou niet alleen denken zijn zoals dwazen denken — het zou bovendien God lasteren en onteren!" Dat was het terugbrengen van de ex opere operato-leer. Dat was het omhelzen van de gedachte dat het "sacrament" de verlossing bezorgt. Dat was veralgemenen. Dat was stoppen met vissen met de hengel, en beginnen met vissen met het net. Dat was de scheidslijn laten verdwijnen. Dat was terugkeren naar de mode d'intégration die het "christendom" had uitgevonden en gekoesterd.

Heel scherpzinnig en heel terecht zei Ludwig Keller ook dit over Luthers tweede bekering: "In deze tijd vond er een opmerkelijke toenadering plaats tot de grondleer van de katholieke Kerk op het punt van de verhouding tussen kerk en staat. Luther keerde in veel opzichten terug naar de theologie waarin hij was grootgebracht." (Had Luther zich niet aan die tweede bekering overgegeven, dan was het Eerste Amendement niet nodig geweest.)

Heel terecht zei wijlen Emil Brunner over de late Luther dat hij "...halverwege een volledige reformatie is blijven steken. Hij nam er genoegen mee hand in hand te gaan met de staat, en bleef steken halverwege tussen het katholicisme en de gemeente-inrichting van het Nieuwe Testament."

Laten we niet te streng zijn voor Luther om deze ommezwaai. Het was dát — of de ondergang, van hemzelf én van zijn beweging. Al vóór hij op de Wartburg werd ondergebracht, verschenen er spotprenten met een gans op een schotel, mooi bruin gebraden en klaar om te eten. De boodschap: Luther was op weg naar hetzelfde soort braadspit waarop een eeuw eerder in Bohemen een andere gans was gebraden — Hus. (Het Boheemse woord "hus" betekent "gans".)

Het was in deze tijd dat de doperse beweging overal in Europa tegelijk de kop opstak, en massaal. Haar diepste drijfveer was: vrij blijven van het neo-constantinisme dat zich begon te ontwikkelen door de zwenking naar rechts — het gevolg van de tweede bekering van de Reformatoren. De dopers, dat nageslacht van het Overblijfsel, zagen het scherp: met die zwenking van de zogenaamde Reformatoren kreeg een twééde tegenstander gestalte. Ze hadden in het begin hoopvol naar de Reformatoren gekeken. Nu waren ze diep in hen teleurgesteld, en zagen ze in hen niets anders meer dan een nieuwe gedaante van de "antichrist". Dat klinkt door in allerlei uitspraken van doperse leiders. Zoals deze: "Hoewel Luther in het begin de Geest van God had, is hij nu een duivel geworden, en de antichrist zelf." Dit werd gezegd omdat Luther was teruggekeerd naar de mode d'intégration die het Overblijfsel al eeuwenlang het werk van de antichrist noemde.

Nog een "Picard", deze woonde in Bohemen, zei over Luther: "Luther en de anderen... hebben weliswaar op hun manier een kaars aangestoken, maar ze hebben zich nu vastgeklonken aan de wereldlijke machten."

Al in het jaar 1525 horen we Conrad Grebel tegen een medebroeder zeggen — Grebel zou een belangrijke figuur worden in de opkomende doperse beweging: "Ik zie dat hij bezig is de bijl voor je klaar te leggen en je uit te leveren aan de burgerlijke machten. Dáár bindt hij nu zijn evangelie aan vast."

Hoe volkomen de terugkeer was naar de mode d'intégration van de "gevallen" kerk, horen we aan Melanchthon, Luthers vertrouwde medewerker. Hij zei nu: "Laat ieder vroom mens bedenken wat een ontwrichting eruit zou voortkomen als er onder ons twee categorieën zouden ontstaan: de één gedoopt, de ander niet. Als de doop voor het merendeel zou worden losgelaten, dan zou er een openlijk heidense manier van bestaan volgen. En daarvoor ziet de duivel maar al te graag de weg geopend." Kan het duidelijker gezegd worden dat er voor de late Melanchthon geen scheidslijn mocht bestaan? (Hoe hij dit zou rijmen met het onderwijs dat Jezus Zijn discipelen gaf in Mattheüs 10:34 — dat was hij zo verstandig niet te proberen.)

Luther wist heel goed dat hij veel klanten was kwijtgeraakt — al vertelde hij er de echte reden niet bij. We horen hem zeggen: "In onze tijd heeft de leer van het evangelie, hersteld en gezuiverd, velen tot zich getrokken en gewonnen die in vroeger tijden onderdrukt werden door de tirannie van de antichrist. Maar er zijn meteen ook wederdopers, sacramentariërs en andere sektenmakers van ons uitgegaan, want ze waren niet van ons — al liepen ze een tijdlang met ons mee." Hij had eraan moeten toevoegen: "omdat wíj van koers veranderden."

De Luther die eerst zo vol lof was over de mensen die hij "Picarden" noemde, zei nu over datzelfde volk: "Die ketterse Picarden, mensen die in conventikels kruipen en zo een sekte op zichzelf oprichten... deze Joden-van-de-geest en ellendige ketters, die wegvluchten van slechte christenen" — we onderbreken even met de vraag of het Nieuwe Testament de gedachte kent dat er zoiets bestaat als "slechte christenen" — "om zich af te zonderen... Lasteraars en Christus-verraders, dat zijn het. De kinderen van God vluchten niet weg uit de gemeenschap van slechte mensen."

Luther was geen man van het compromis; hij ging altijd tot het uiterste. Het verbaast dus niet dat hij nu ook vólledig terugkeerde naar de confusio regnorum, die zo wezenlijk hoorde bij het gedachtegoed van het "christendom". Voor de late Luther waren kerk en staat weer schering en inslag van één weefsel. Zo horen we hem nu tegen zijn vriend, de hertog van Saksen, zeggen: "Een vorst behoort erop toe te zien dat zijn onderdanen niet door rivaliserende predikers tot twist worden gebracht, waar partijschappen en onlusten uit voortkomen. In een bepaald gebied behoort maar één soort prediking te zijn. Het zal zwaar op uw geweten drukken als u katholieke diensten duldt — want geen wereldlijke macht mag toelaten dat zijn onderdanen verdeeld raken door het verbreiden van een tegengestelde leer." (Het was dít soort denken dat om het opstellen van het Eerste Amendement vroeg.)

In ander verband schreef de nu tweemaal bekeerde Luther: "De wereldlijke overheden zijn verplicht godslastering, valse leer en ketterij te onderdrukken. Ze moeten lijfstraffen opleggen aan wie zulke dingen aanhangen."

Aan een collega-predikant, Leonard Beyer, werkzaam in Zwickau, schreef de late Luther: "Op gezag van, en in naam van, de doorluchtige vorst hebben wij de gewoonte om allen die nalatig zijn in de godsdienstige dingen en niet naar de diensten komen, schrik aan te jagen. Wij bedreigen hen met straf en verbanning."

Eén van de burgerlijke machthebbers van die tijd leek er allerminst zeker van dat dit hun taak was: Filips van Hessen, een edelman die van nature neigde naar gewetensvrijheid. (Het Eerste Amendement zou hem bevallen zijn.) De gestrengheid die de lutherse Reformatoren in hun late gedaante aanbevalen, verontrustte hem blijkbaar. Daarom vroeg hij hun om een schriftelijke verklaring over de zaak. Dit was het antwoord, ondertekend door Luther, Bugenhagen, Creutziger en Melanchthon:

"Iedereen is verplicht godslastering te voorkomen en te onderdrukken, ieder naar zijn eigen positie en taak. Krachtens hun opdracht hebben vorsten en burgerlijke overheden de macht én de plicht om onwettige erediensten af te schaffen en de rechtzinnige leer en eredienst te vestigen. Hierop is Leviticus van toepassing: 'Wie de Naam van de HEERE lastert, moet zeker ter dood gebracht worden'... Vorsten moeten niet alleen de goederen en het lichamelijk welzijn van hun onderdanen beschermen. Hun meest wezenlijke taak is de eer van God te bevorderen, en godslastering en afgoderij te onderdrukken. Dáárom hebben in het Oude Testament de koningen... valse profeten en afgodendienaars ter dood gebracht. Zulke voorbeelden gelden voor de taak van vorsten." (Aan dát soort denken moest het Eerste Amendement een einde maken.)

De lutherse Reformatoren negeerden de erfgenamen van het Overblijfsel in hun late gedaante bepaald niet — ze vielen hen aan, stelselmatig en onophoudelijk. Bijvoorbeeld met deze beschrijving: "Zij leren dat niemand tot het geloof gedwongen mag worden, omdat het geloof een vrijwillige zaak is, iets wat God alleen aan de uitverkorenen geeft. Ze zeggen dat ketterij bestreden moet worden met het Woord van God, en daarmee alléén. Want als ketters door uiterlijk geweld van hun opvattingen worden afgebracht, blijft de dwaling in hun hart zitten, en worden ze huichelaars in het geloof... De apostelen hebben tegen ketters niet het wereldlijke zwaard ingezet, en toch hebben ze het evangelie tot de einden van de aarde gebracht, met veel vrucht. Christus zei: 'Predik het Evangelie aan alle schepselen; wie geloofd zal hebben...' — en Hij zei niet: 'Dwing ze totdat ze wel móéten geloven.' Waarheid en dwaling zijn verborgen zaken van het hart, zaken waarover de kerk niet te oordelen heeft... Waarom zou de wereldlijke machthebber dan het gebied van het geloof binnendringen?"

Wat je ook zou willen inbrengen tegen deze weergave van de opvattingen van de "ketters", één ding moet worden toegegeven: de burgerlijke machthebbers waren goed op de hoogte van wat de erfgenamen van het Overblijfsel leerden. Namelijk over de vraag of het maken van keuzes aangemoedigd moet worden — of juist onderdrukt en verboden.

Luther wist heel goed dat hij partij koos in een oud geschil. We horen hem het volgende zeggen over de mensen die weigerden mee te gaan in de terugkeer naar de mode d'intégration van het "christendom": "Net zo waren de Donatisten gezind... Sint-Augustinus heeft in vroeger tijd veel te stellen gehad met de Donatisten."

En in dat besef van de gelijkenis met de Donatisten stond Luther niet alleen. Verre van dat. Uit het kamp van de Reformatoren in hun late gedaante horen we: "Wanneer de mensen de aanstootgevende gebreken zien waarmee de satan onze kerken ontsiert, ontkennen ze meteen dat wij de kerk zijn... De Donatisten waren door dezelfde denkbeelden bezeten."

En Justus Menius, een lutherse predikant uit die tijd, zei: "Net als de Donatisten van weleer proberen ze de kerk te scheuren, omdat wij slechte mensen in haar toelaten. Ze willen een zuivere kerk vergaderen — en waar dat ondernomen wordt, wordt gegarandeerd de openbare orde omvergeworpen." (Hier horen we opnieuw de oude gedachte: wie de samenleving als samengesteld ziet, is een mutin, iemand die "geen overheid wil".)

Urbanus Rhegius, nóg een lutherse predikant uit die tijd, zei over de dopers, die erfgenamen van het Overblijfsel: "...een echt Donatistische streek..., zoals ze stilletjes wegsluipen, weg uit het 'christendom', een eigen groepje in." En bij een andere gelegenheid: "God verwekt overheden tegen de ketters, de sektenmakers, de scheurmakers, opdat Hagar door Sara gegeseld wordt. De Donatisten vermoorden" — let op: Rhegius noemt de dopers van zijn eigen tijd "Donatisten" — "de zielen van mensen en voeren ze de eeuwige dood in. En dan klagen ze wanneer wíj hen straffen met de tijdelijke dood. Daarom moet het de eerste zorg van christelijke overheden zijn om de christelijke godsdienst zuiver te houden door gezonde leer... Wie de geschiedenis kent, herinnert zich wat er gedaan is door mannen als Constantijn, Theodosius, Karel de Grote en anderen."

Luther zelf schreef nu, ter verdediging: "Het is een troost tegenover de sektenmakers en allen die zich ergeren aan de zwakheid van de kerk, dat de ketters van het begin af de gedachte gekoesterd hebben dat de Kerk heilig en zondeloos moet zijn. Toen ze zagen dat sommigen... in de kerk slaven van de zonde waren, ontkenden ze dat dit de kerk was, en maakten ze een sekte van degenen die volgens hen leden van de ware Kerk waren. Daaruit zijn de Donatisten voortgekomen en de Katharen en vele anderen, en ook de wederdopers van onze tijd. Ze roepen allemaal met dezelfde hartstocht dat de ware Kerk de Kerk niet is, omdat ze er zondaars en goddelozen doorheen gemengd zien. En ze hebben zich ervan afgescheiden... Het is de grootste wijsheid om er geen aanstoot aan te nemen dat er slechte mensen in de Kerk in- en uitgaan. De grote troost is dat wij weten dat ze de kerk geen kwaad doen, en dat we ermee moeten leven dat tarwe en onkruid door elkaar staan." (Het lijkt niet bij Luther te zijn opgekomen dat het Nieuwe Testament, waar het spreekt over tarwe en onkruid die samen opgroeien, het niet over de Kerk heeft — maar over de wereld.)

Het is welbekend dat de late Luther niets moest hebben van de leer dat christen-zijn zichtbaar wordt in innerlijke vernieuwing. Volgens bewaard gebleven aantekeningen van een van zijn studenten besteedde Luther hele collegeuren aan het aantonen "hoe schadelijk voor de zaligheid de goede werken zijn" ("wie schädlich zur Seligkeit gute Werken sind"). En dit weten we ook: de Boheemse Broeders hadden jongemannen naar Wittenberg gestuurd om er voor het voorgangerschap te worden opgeleid. Toen die terugkwamen met de boodschap dat aandringen op een veranderd leven "de vrijheid van het geweten schendt", besloten de Broeders geen jongemannen meer naar Wittenberg te sturen.

Na zijn "tweede bekering" waakte Luther er zorgvuldig voor om ook maar iets te zeggen of te leren dat uitgelegd kon worden als een stap richting de leer van het Overblijfsel — de leer dat christenen te herkennen zijn aan hun manier van leven. Laat in zijn loopbaan preekte hij op een dag over Psalm 24:6: "Dat is het geslacht van hen die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken." Opeens hield hij zichzelf in en zei: "Maar hier moet ik stoppen, want de leeuw ligt op de loer om ons te bespringen: de ketterse Picarden, die vlak naast ons staan, nemen aan dat wij in dezelfde geest spreken als zij." De late Luther wilde eenvoudig niet dat er gezegd zou worden dat de verlossing, behalve vergeving, óók vernieuwing is.

Luthers versmalling van de verlossing tot vergeving werd verworpen door een doper met de naam Bernard Knipperdollinck. Daarop kwam Luthers medestander Urbanus Rhegius met het volgende, voor Knipperdollinck om te lezen: "Aha, hier grijpt Bernard naar een echt Donatistische streek! Ook de Donatisten veroordeelden en verlieten het 'christendom' vanwege slechte en valse christenen... Maar er zijn onder de massa altijd enkele ware en vrome christenen geweest, en we hopen dat die er ook onder ons zijn. Trouwens, dat er goddeloze schurken in ons gezelschap zijn, gaat ons niet aan. Wíj hebben hun niet geleerd te drinken, te schransen, onzedelijk of hebzuchtig te zijn... Wij weigeren het net te scheuren alleen omdat er wat slechte vissen in zitten — en dat is precies wat de superheilige wederdoper Bernard doet. Hij laat zijn ware aard zien: in hem zit dezelfde wederdopersduivel die de Donatisten in Afrika verblindde. Ook zíj deden hun ogen open en zagen, met huichelachtige gezichten, dat veel mensen die de christennaam droegen in werkelijkheid heidenen waren. En ze zonderden zich af van het 'christendom', en deden alsof ze een waarlijk gereformeerde Kerk wilden oprichten, een kerk met alleen maar heiligen. En ze waren zó rein in eigen ogen, dat ze de doop die in het 'christendom' door de slechte priesters bediend was, tot geen doop verklaarden — en dus opnieuw doopten. Met die kunstgreep dachten ze echte heiligheid op te richten. Ze verweten Augustinus dat hij in de vergadering van de goddelozen bleef. Waarop hij antwoordde dat er inderdaad slechte mensen in zijn gemeenschap waren... en dat de uiterlijke omgang van goeden met kwaden de verlossing van de eersten niet schaadt, zolang ze de kwade en goddeloze manier van leven maar niet goedkeuren. Wij mogen geen scheiding veroorzaken! Wie zich van de Kerk afscheidt, is een ketter en een scheurmaker. Laat Bernard zich gezegd weten: hij is een echte Donatist, iemand die aanstoot neemt aan het kwaad van anderen, en hij is een heilige en onbevlekte Kerk gaan oprichten, hij en de zijnen. Ik ben waarlijk nog liever een grove tollenaar in de christelijke Kerk, of een openbare zondaar, dan de allerheiligste Farizeeër in de spelonk van bisschop Bernard!"

Sommige woorden die Rhegius in deze tirade tegen Knipperdollinck gebruikt, verraden dat hij het Overblijfsel goed kende — zijn geschiedenis, en zelfs zijn eigen woordgebruik. Het ene woord is "grove tollenaar", het andere "openbare zondaar". In de Tepler Codex — een van de nieuwtestamentische vertalingen uit het Overblijfsel die aan de toorn van het "christendom" wisten te ontkomen — werd het woord "tollenaar" opgevat als een bijvoeglijk naamwoord bij "zondaar". Ze lazen het dus als "openbare zondaar": iemand die in het openbaar zondigt. En dat vatten ze op als een bestraffing van het doorsnee-lid van het "christendom", dat er een gewoonte van maakte openlijk te zondigen. Zo ontstond bij hen de uitdrukking "uffen sunder" — "openbare zondaar". Ze komt voor in alle vertalingen die uit het Overblijfsel voortkwamen, waaronder de Tepler Codex. Interessant en veelzeggend is dit: in de Biestkensbijbel van de mennonieten staat de uitdrukking "openbare zondaar" — hoewel Luther de misvertaling al een hele generatie eerder had rechtgezet. Wéér een aanwijzing voor de familieband tussen het Overblijfsel en de doperse beweging van de Reformatietijd. Rhegius gebruikt de twee uitdrukkingen dus eigenlijk om de dopers en hun taalgebruik belachelijk te maken. Het Overblijfsel sprak van de "openbare zondaar", en de erfgenamen van het Overblijfsel deden dat in de Reformatietijd nog steeds — ook al had Luther het allang verbeterd.

We weten dat de mensen van het Overblijfsel moesten leven met kritiek op hun gewoonte om in conventikels samen te komen. Die kritiek keerde natuurlijk terug in de kritiek op de dopers in de Reformatietijd, want ook zíj kwamen alleen in conventikels samen. Het verbaast dus niet dat de late Luther de doperse conventikelgangers aanviel: "Conventikels mogen in geen geval geduld worden. Zij zijn de 'dieven en rovers' over wie Christus sprak, zoals opgetekend in Johannes 10:8 — mensen die de parochie van een ander binnendringen en zo zijn ambt aanmatigen. Dat gedrag is niet geboden, maar juist verboden. Een burger is verplicht om, als zo'n sluipdief komt, nog vóór hij naar hem luistert of hem laat spreken, de burgerlijke magistraat in te lichten, en ook de predikant wiens parochielid hij is. Doet hij dat niet, laat hij dan beseffen dat hij zich gedraagt als iemand die ondankbaar is tegenover zijn magistraat, dat hij handelt in strijd met zijn eed, en dat hij, als verachter van zijn predikant (die hij behoort te respecteren), tegen God ingaat. Bovendien wordt hij zo zélf een dief en een schurk, samen met de sluipdief... Naar deze lieden mag niet geluisterd worden en ze mogen niet geduld worden, ook al prediken ze het zuivere evangelie" — de lezer ziet het onbedoelde getuigenis over de rechtzinnigheid van de rondtrekkende prediker — "ja, zelfs al waren het engelen en zuivere Gabriëls uit de hemel" — en let op het onbedoelde getuigenis over zijn voorbeeldige leven. "Laat daarom iedereen dit bedenken: wil iemand prediken of onderwijzen, laat hij dan de roeping of de opdracht laten zien die hem daartoe brengt. Anders moet hij zijn mond houden. Weigert hij dat, laat de magistraat de schurk dan overleveren in de handen van zijn ware meester — wiens naam Meester Hans is" (een verbloemende naam voor de beul). Was Luther vergeten dat hij eerder in zijn loopbaan het priesterschap van alle gelovigen had geleerd? Nee. Hij was van front veranderd, en had genoegen genomen met een nieuwe gedaante van het "christendom". Een keuze die vele jaren later, aan de andere kant van een oceaan, de bekrachtiging van het Eerste Amendement nodig maakte.

Niet zonder stevige grond schreef een doper met de naam Hubmaier, met de late Reformatoren voor ogen: "De mensen krijgen nog maar twee dingen geleerd. Het ene is dat we door het geloof behouden worden; het andere dat we uit onszelf niets goeds kunnen doen. Onder de dekmantel van dit tweetal halve waarheden hebben alle kwaad en ongeloof en ongerechtigheid volledig de overhand gekregen, zodat het gezegde in vervulling gaat: 'je älter, je böser' — hoe ouder, hoe erger... Iedereen wil doorgaan voor een goed en evangelisch christen: als het gaat om trouwen, om vlees eten in de vastentijd, om het niet meer opzeggen van gebeden. Maar verder zie je alleen maar zuipen, schransen, godslasteren, woekeren, liegen, luieren, hoereren, tiranniseren, moorden, enzovoort. De derde les luidt: 'het geloof zonder de werken is dood'."

Niet iedereen die bij de Reformatoren bleef na hun terugkeer naar de mode d'intégration van het "christendom", had vrede met dat nieuwe "christendom". Beslist niet. Eén van hen was Staupitz, een oude vriend van Luther. Laat in zijn leven schreef hij: "Tegenwoordig leren ze de mensen een dwaas geloof: ze maken het geloof los van de levenswandel, alsof iemand in Christus kan geloven zonder dat dat iets betekent voor zijn gedrag. Wat een sluwe zet van de vijand is dat! Die mens gelooft niet werkelijk in Christus, die weigert te doen wat Híj deed en te ondergaan wat Híj onderging!... Het geloof dat ons op Christus doet vertrouwen, doet ons wandelen in Zijn voetstappen. Hoor hoe de dwazen praten: 'Wie in Christus gelooft, heeft geen werken nodig.' En zet daarnaast de woorden van Hem Die Zelf de Waarheid is: 'Wie Mij wil dienen, laat hij wandelen in Mijn wegen; en wie Mij wil volgen, laat hij zichzelf verloochenen en Mij volgen, dagelijks Mijn kruis dragend.' Maar de boze geest leert zijn vleselijke christenen dat ze behouden kunnen worden zonder werken — alsof Paulus dát geleerd heeft, zoals ze zo vals van hem beweren." (Had Staupitz hierbij speciaal Luther op het oog — de Luther die zijn studenten wilde laten zien "hoe schadelijk voor de zaligheid de goede werken zijn"?)

De erfgenamen van het Overblijfsel die Luther niet in geweten konden volgen op zijn terugweg naar de mode d'intégration van het "christendom", gaven hem het volgende te overdenken:

"Luther heeft hierover geschreven in zijn boekje over het houden van de mis. Daarin stelt hij dat we een kamer zouden moeten binnengaan en de deur sluiten — om er meteen aan toe te voegen dat hij niet klaar was om zo'n dienst in te voeren, omdat hij er niet moedig genoeg voor was. Het zou immers 'sektarisch' genoemd worden."

Natuurlijk stond de late Luther gevaarlijk dicht bij de gedachte van het ex opere operato — de gedachte dat sacramenten niet alleen afbeelden, maar ook afleveren. We horen hem het doopwater zó noemen: "een goddelijk water van God, een goddelijk, hemels, heilig, zalig water, waaraan het geloof hangt; een kostelijk suikerwater, een parfum, een medicijn is het geworden; een water waarin God Zichzelf gemengd heeft, het ware levenswater, dat de dood en de hel verdrijft en eeuwig levend maakt" ("Gottes Wasser, ein göttlich, himlisch, heilig, selig Wasser, an dem der Glaube hangt, ein köstliches Zuckerwasser, Aromaticam und Apotheek ist draus worden, da Gott sichselb eingemenget hat, das recht Aqua Vitae, das den Tod und die Hell vertreybet und das ewig lebendig macht").

Een bewonderaar van Luther zou kunnen opperen dat hij hier gegrepen was door een van de stormachtige uitbarstingen waarin hij zo nu en dan verviel. Lees dan het volgende maar, dat hij schreef toen hij rustig in zijn studeerkamer zat:

"Hoe kan de doop erger misbruikt en gesmaad worden dan wanneer gezegd wordt dat het geen echte doop is, als hij bediend wordt aan iemand die niet gelooft... Aha, dus de doop is geen echte doop, alleen maar omdat ík niet geloof! Hoe zou de duivel een aanstootgevender en heiligschennender leer kunnen onderwijzen of prediken?... Ik leg het volgende voor. Hier is een Jood die de doop aanneemt (dat gebeurt vaak genoeg) maar niet gelooft. Dus is zijn doop geen echte doop, alleen omdat hij niet gelooft!

Dat zou niet alleen denken zijn zoals dwazen denken — het zou bovendien laster en schande op God stapelen!"

Nu Luther een "Jood" in de bespreking betrok, brengen we in herinnering dat hij een boek schreef met de titel Von den Juden und ihren Lügen ("Over de Joden en hun leugens"). Het is een boek dat werkelijk doet denken aan het razen en tieren van de nazi's tegen het Joodse volk. Voor zover wij weten is dit boek van Luther niet in het Engels vertaald, en we hopen dat het ook niet gebeurt. Wie het leest, houdt minder over van de eer en het respect die Luther verdient. We voegen er dit aan toe: Luthers aanval op de Joden kwam niet voort uit racisme. Nee, ze was het product van de gedachte dat een samenleving alleen bijeenblijft bij een gemeenschappelijke godsdienst — de gedachte die het Eerste Amendement moest begraven.

De geschiedenis heeft het keer op keer laten zien: waar de mode d'intégration heerst waaraan een godsdienst als die van het "christendom" zich heeft verbonden, daar valt aanpassing te verwachten — aanpassing aan het denksysteem, en aan de manier van leven die eruit volgt. Wordt de mode d'intégration van het echte christelijk geloof losgelaten, en komt die van alle overige godsdiensten ervoor in de plaats? Dan volgt er onherroepelijk aanpassing, in denkpatroon én in gedragspatroon. Dat verklaart voor een groot deel de steun die de nazibeweging kreeg. Want als kerk en staat als één en hetzelfde worden gezien, dan wordt wat er op het hoofdkwartier van de staat gebeurt, gesteund in de kantoren van de kerk. Pas toen de Constantijnse synthese verworpen begon te worden, verhieven sommigen in de kerk van Duitsland hun stem tegen de gang van zaken.

Hiermee zijn we aan het einde van dit hoofdstuk over Luther gekomen. We hebben gezegd: waar de etnische kijk op de mode d'intégration wordt binnengelaten, volgt aanpassing aan de wereld meer dan waarschijnlijk. We laten het aan de volgelingen van Luther over om te beoordelen of er in hun geliefde land aanpassing en gelijkvormigheid aan de gang zijn.

Gerelateerde artikelen

Alle