Veel mensen zullen zich, als ze horen zeggen dat "er door heel de Middeleeuwen heen een Overblijfsel was", afvragen of de spreker soms in een sprookjeswereld is geweest. Horen ze zeggen dat dit Overblijfsel rechtzinnig was in zijn denken, dan zullen ze zéggen dat de spreker in sprookjeswereld is geweest. En horen ze zeggen dat wij in de Verenigde Staten het Eerste Amendement aan het Overblijfsel te danken hebben, dan zullen ze vermoeden dat de spreker in die sprookjeswereld op de loonlijst staat. Maar wat als de spreker nu eens volhoudt dat hij nooit in de buurt van een sprookjeswereld is geweest — en dat hij, als hij iets wil leren, naar de dichtstbijzijnde bibliotheek gaat, waar boeken staan, het liefst oude getuigenissen?
Het is uit zulke getuigenissen, meest oude, dat we leren dat er een Overblijfsel wás. Toegegeven: de boeken zijn allesbehalve talrijk; er zijn maar weinig exemplaren over. Voor die betrekkelijke schaarste zijn twee redenen. De ene is dat het voor leden van het Overblijfsel een vorm van zelfmoord was om iets op schrift te stellen. De andere is dat de mensen van het "christendom" door heel de Middeleeuwen heen loerden op geschriften die uit het Overblijfsel voortkwamen, om ze in beslag te nemen en aan de autoriteiten te overhandigen — die vervolgens de geschriften én de schrijvers aan de vlammen prijsgaven. Dit gebeurde zó stelselmatig dat het verbazend is dat er überhaupt exemplaren bewaard zijn gebleven.
Er is nog een tweede moeilijkheid te overwinnen: het "christendom" heeft zijn eigen geschiedschrijving voortgebracht, zijn eigen manier van geschiedenis "doen". Die geschiedschrijving gaat uit van de aanname dat de geschiedenis van het christelijk geloof lijkt op de geschiedenis van een mens: ze begint op het niveau van een kind, bereikt dan de volwassenheid, en blijft daar. Zó vast zit de doorsnee-historicus van vandaag nog aan deze gekleurde geschiedschrijving, dat geschriften waarin besef doorklinkt van het bestaan van het Overblijfsel, grote kans lopen overboord gezet te worden. Eén zo'n historicus met oog voor het Overblijfsel was professor Ebrard, naar wie we al verwezen. Hij schreef verschillende boeken waarin het Overblijfsel de plaats krijgt die het verdient — boeken die, voor zover nog voorhanden, nu onder het stof liggen, omdat hun schrijver had gebroken met de heersende geschiedschrijving. Een andere zo'n schrijver was Ludwig Keller, wiens boeken eveneens vrijwel zijn weggelegd. Zó'n greep had en heeft de misleidende geschiedschrijving die het "christendom" heeft uitgevonden om alles zijn kant op te laten wijzen, dat historici tot op deze dag geneigd zijn te zeggen dat het christelijk geloof Noordwest-Europa omstreeks het jaar 600 bereikte — terwijl een goed onderlegde vroege schrijver (Tertullianus, die we al aanhaalden) zei dat het er zo'n vier eeuwen eerder al wás.
Het klimaat is aan het veranderen. Tot voor betrekkelijk kort werd aangenomen dat een christen, als hij voorouders wil hebben, die in het "christendom" zal moeten zoeken. Maar die vermeende voorouder is verdwenen, dankzij het klimaat waarin het Eerste Amendement opkwam. Vandaag kan zo iemand zijn band met het verleden misschien terugvinden via het Overblijfsel. Deze verandering belooft een andere geschiedschrijving voort te brengen — de geschiedschrijving die in dit boek doorklinkt.
In dit hoofdstuk willen we het volgende doen (zij het niet per se in deze volgorde, want in de bronnen loopt alles door elkaar): (a.) laten zien dat er een Overblijfsel wás; (b.) laten zien dat het talrijk was; (c.) laten zien dat het eerbiedwaardig oud was; (d.) laten zien dat het rechtzinnig was; (e.) laten zien dat in het hart ervan een mode d'intégration lag die afweek van die waaraan het "christendom" zich had verbonden.
We zullen ons richten op Vlaanderen (zonder daarmee te zeggen dat Vlaanderen anders was dan de rest van Noordwest-Europa). Eén reden om ons op Vlaanderen te richten (we zeggen "één reden", want er is nog een tweede: de voorouders van de schrijver zijn enkele generaties geleden uit Vlaanderen geëmigreerd) is dat Vlaanderen grondiger is "uitgekamd" dan de meeste streken, dankzij Paul Fredericq, die met hulp van zijn studenten vijf dikke delen uitbracht onder de titel Corpus Documentorum Inquisitionis Haereticae Pravitatis Neerlandicae. Omdat deze vijf delen het veld zo goed bestrijken en voortreffelijke registers bevatten, zullen we vooral daaruit citeren. (We moeten er wel bij zeggen dat de toelichtingen in de vijf delen in het Nederlands zijn gesteld — voor veel buitenlandse onderzoekers een te betreuren drempel.)
We beginnen met erop te wijzen dat het "christendom" de vele (en uiteenlopende) namen heeft uitgevonden — allemaal smadelijk — voor het Overblijfsel. Ongetwijfeld was dat om het gewone volk niet te laten zien wat het rivaliserende geloof overal gemeenschappelijk had: het moest lijken op allemaal losse afwijkingen. Zoals we zullen zien, werd er dikwijls een hele rij namen opgezegd wanneer de "ketters" ter sprake kwamen. De "ketters" zelf stonden zó afkerig tegenover dit beleid van het "christendom", dat wanneer ze de lijst met benamingen schoorvoetend aanhaalden, ze de namen terugbrachten tot beginletters. Zo vinden we in een geschrift van het Overblijfsel het Overblijfsel aangeduid als "lo petit tropel des vrayes Chrestiens appelle falsement et par fals noms p.o.v.o.b." ("het kleine kuddeke van ware christenen, vals en met valse namen genoemd p.o.v.o.b."). De lezer zal opgevallen zijn dat de mensen van het Overblijfsel zich ervan bewust waren dat ze, vergeleken met het "christendom", een betrekkelijk kleine groep vormden — maar dan wel een groep van ware, echte christenen. Ook zal opgevallen zijn dat de "ketters" van het Overblijfsel zeiden dat ze "arm" waren, een woord dat je kunt opvatten als "beklagenswaardig", maar ook gewoon als: niet rijk. Eén van hun verwijten aan het "christendom" was juist dat alleen zijn leiders in weelde leefden. De "ketters" waren "arm" in beide opzichten. En de lezer zal zich hebben afgevraagd waar de beginletters voor staan. De rij is waarschijnlijk te lezen als "Picarden" of "Vaudois" of "Bougres". Het etiket "Picarden" was heel gebruikelijk voor mensen van het Overblijfsel en hangt, zo lijkt het, samen met de naam van een Franse provincie, Picardië, die in de Middeleeuwen vol zat met "ketters" van het Overblijfsel — zodat de vraag opkomt of de provincie naar de "ketters" genoemd is of de "ketters" naar de provincie. De o, die twee keer voorkomt, staat voor het Franse "ou", ons "of". De v is de beginletter van "Vaudois", te vertalen als "dalbewoners" — het woord waarvan, naar het schijnt, ons "Waldenzen" is afgeleid, al kan dat ook komen van de naam Waldo, een man die in het Overblijfsel een rol speelde. De b is vrijwel zeker de beginletter van "Bougres", dat samenhangt met "Bulgarije"; van dit "Bougres" stamt het Engelse scheldwoord "bugger" af — omdat de leden van het Overblijfsel er door woordvoerders van het "christendom" van beschuldigd werden dat ze bij hun Agape, hun liefdemaaltijd, ontucht bedreven.
Nog zo'n smaadnaam die het "christendom" uitvond in zijn poging zijn mededinger zwart te maken, was "Lollard". Het woord is verwant aan ons "lullaby", wiegelied, en ontstond doordat de "ketters" de gewoonte hadden hun overtuigingen neuriënd te zingen — dat was minder gevaarlijk dan ze in woorden uit te spreken, en misschien ook wel doeltreffender. De meeste geschiedenisboeken stellen de Lollarden ten onrechte voor als een beweging die in Engeland begon, bij Wyclif; maar de naam "Lollarden" (die van Vlaamse oorsprong is) klonk al in Vlaanderen vóór Wyclifs geboorte. De beweging is in Vlaanderen geboren, maar haar leden weken kennelijk uit naar Engeland om te kunnen overleven, zoals bij leden van het Overblijfsel gebruikelijk was. Wyclif was misschien wel een bekeerling van de Vlaamse Lollarden. Het zal de gewone lezer vast verbazen dat Shakespeare de Lollarden kende, zelfs hun gedachtegoed (zoals we verderop in dit hoofdstuk zullen zien). Dat een deel van de Lollarden op het vasteland bleef, is duidelijk: in het jaar 1380 leefde en stierf er in de omgeving van Utrecht een man die Matthijs Lollaert heette. Toen aan het licht kwam dat hij een Lollard was geweest, werd zijn stoffelijk overschot opgegraven en tot as verbrand, en die as werd uitgestrooid over de straten van Utrecht — een stad een eind ten noorden van Vlaanderen.
We zeiden al dat het beleid van het "christendom" was om namen te verzinnen voor het Overblijfsel. Zo horen we een woordvoerder van het "christendom" zeggen: "Deze huichelaars geven zichzelf allerlei namen, maar noemen zich niet bij hun echte naam, en die is: ketters. In plaats daarvan noemen ze zich 'de ware kerk' of 'de vrienden van God' of 'Gods armen', en meer van zulke namen." De spreker wilde de mensen van het Overblijfsel "ketters" genoemd hebben omdat het keuzemakers waren, veroorzakers van compositisme — en op dít punt hadden zulke sprekers gelijk, want het kiezen van een eigen koers lag inderdaad in het hart van het gedachtegoed van het Overblijfsel.
We staan niet alleen bij Paul Fredericq in de schuld voor het samenstellen van de vijf delen; we zijn hem ook dank verschuldigd voor deze zin: "De Inquisitie, dat vreselijke werktuig... was al volledig in bedrijf lang voordat Luther zijn stellingen aansloeg." Er zijn zelden uitspraken gedaan die zó waar zijn — en zó nodig.
Het wordt duidelijk, daarvan zijn we overtuigd, dat er door heel de Middeleeuwen heen werkelijk een Overblijfsel was. En het wordt duidelijk dat er een geschiedschrijving is die losgelaten moet worden. Wordt ze losgelaten, dan zullen dingen als het volgende niet meer voorkomen. Een geleerde met de naam Martin Schoock (over wie we nog veel meer zullen horen) had scherpzinnig geschreven dat "Metz een plaats was waar het zuivere evangelie heel gemakkelijk gepredikt kon worden" — de man doelt op de begintijd van de Reformatie — "vanwege de drie eeuwen van Waldenzische activiteit daar." Waarop een latere hoogleraar, Lindeboom, gedreven door de gebrekkige geschiedschrijving, meende te moeten antwoorden: "Zeer weinigen zouden in onze tijd behoefte voelen aan de verklaring van dit feit zoals Schoock die aanvoert." Dan is toch zeker de vraag gerechtvaardigd hoe het dán te verklaren is dat Metz zo ontvankelijk was voor de prediking van "het zuivere evangelie" — want dat wás Metz beslist.
We voegen daaraan toe dat in onze eigen tijd een andere Nederlandse hoogleraar, Berkouwer, een tweedelige kerkgeschiedenis heeft uitgebracht (al in het Engels vertaald en in één band uitgegeven) waarin vrijwel geen verwijzing naar het Overblijfsel voorkomt.
Het wordt tijd om niet langer doof te blijven voor wat Ludwig Keller zegt — bibliothecaris van beroep, en dus volkomen thuis in zeldzame boeken: "Het is kinderlijk om te geloven dat een omvangrijke godsdienstige beweging" — de man doelt op de doperse beweging — "die in 1522 opkwam in een welomlijnde organisatievorm, met vaste vorm en naam, met helder verwoorde beginselen waaraan streng werd vastgehouden, en in fel verzet tegen Luther én de katholieken, in 1517 zomaar uit de grond zou zijn opgeschoten, in het leven geroepen door de geschriften van een man tegen wiens leer ze zich van meet af aan verzette... Wij weten met zekerheid dat er rond 1500 al broederschappen waren die door hun vijanden Waldenzen werden genoemd — maar wat er in 1517 van hen geworden is, vraagt niemand zich zelfs maar af. Hoe dan ook: wanneer deze broederschappen in 1522 verschijnen, in dezelfde streken, en in wezen hetzelfde geloven als de oude broederschappen, dan mogen ze, zo heet het, niet met die eerdere broederschappen in verband worden gebracht. Ook niet met een nieuwe gedaante van de oudere gemeenschappen. Nee, ze moeten 'een nieuwe en nieuwsoortige sekte' heten." Met wat Keller hier faliekant verkeerd noemt, zullen we moeten stoppen — tenminste, als we de oorsprong van het Eerste Amendement willen begrijpen. Het is tijd om serieus te nemen wat de historicus Ludemann in zijn Reformation und Täufertum over de doperse beweging in de tijd van de Reformatie schrijft: "Ze was een herhaling van die begrippen en denkbeelden die steeds weer zichtbaar waren geweest tegenover de katholieke wereldkerk, en die ondanks de vervolgingen nog altijd voorhanden waren, als bewijs dat die neigingen en overtuigingen nog leefden... De doperse beweging was niet het wortelloze, plotseling opbarstende verschijnsel waarvoor ze is gehouden..." Het was uit het Overblijfsel dat het gedachtegoed achter het Eerste Amendement voortkwam. (Zolang de waarheid hierover niet gekend en aanvaard wordt, zal de foute gewoonte om het Amendement tot kind van de Franse Revolutie te maken blijven bestaan — en zelfs erger worden.)
De mensen van het Overblijfsel hadden een vurige afkeer van het begrip ex opere operato, dat het "christendom" had uitgevonden om zijn mode d'intégration overeind te houden. Het verbaast dan ook niet dat er in 1114 vier van zulke "ketters" werden opgepakt omdat ze zeiden dat "het wezen van brood en wijn niet veranderd wordt in het lichaam van Christus..." Evenmin verbaast het dat verschillende van zulke "ketters" om dezelfde "dwaling" verbrand werden in Trier, en ook in Utrecht. En het verbaast niet dat in de tijd van de Reformatie doopsgezinden over de leden van het "christendom" zeiden: "hun derde dwaling is dat ze het water van de doop, evenals het brood, 'sacramenten' noemen en ervoor houden dat ze dat zijn."
En het hoeft niemand te verbazen dat we in een traktaat uit het Overblijfsel, La Nobla Leczon geheten, lezen:
"Ik durf het te zeggen, want het is de waarheid: alle pausen die op Sylvester volgden" — in de Middeleeuwen werd gezegd dat Sylvester paus was toen het "christendom" geboren werd — "tot op de huidige dag, plus alle kardinalen, de bisschoppen en de abten, allemaal bij elkaar, missen de macht die nodig is om ook maar één zonde te vergeven. Alleen God vergeeft; niemand anders kan dat." Evenmin verbaast het dat de "ketters" van het Overblijfsel zeiden: "In het uur waarin een zondaar zucht" — bedoeld is de "zucht" van berouw — "is hij behouden, en de Heere zegt: 'Ik zal er niet meer aan denken!'" Of, zoals weer een andere "ketter" het zei: "Het Woord van God is verlossing voor de ziel van de arme" — let opnieuw op de afkeer van weelderig leven — "versterking voor de zwakke, voedsel voor de hongerige, onderwijs voor de gelovige, troost voor de getuchtigde, het einde van de laster en het verwerven van deugd." Ja, in nóg zo'n traktaat, bekend als de Cantica, lezen we: "Zoals wie door de vijand worden aangevallen naar een sterke toren vluchten, zo nemen de aangevochten heiligen hun toevlucht tot de Heilige Schrift. Daar vinden ze wapens tegen ketters" — bedoeld zijn hier natuurlijk de leden van de "katholieke" kerk — "een wapenrusting tegen de aanvallen van de duivel, de aanvechtingen van het vlees, en tegen de glorie van de wereld."
In de tijd vóór de Reformatie werd over de leden van het Overblijfsel gezegd: "Zij kennen de Apostolische Geloofsbelijdenis heel goed, in de volkstaal. Ze leren de Evangeliën en de nieuwtestamentische geschriften uit het hoofd, in de volkstaal, en zeggen ze elkaar voor... Ik heb een jonge koeienhoeder gezien die zó ijverig had geluisterd naar alles wat hij hoorde, dat hij binnen dat jaar veertig zondagsevangeliën uit het hoofd had geleerd, zoals Mattheüs en Lukas..., vooral de uitspraken die daarin aan Christus worden toegeschreven, zodat hij ze zonder haperen kon opzeggen, met hier en daar amper een woord verkeerd."
Die opmerking, "hier en daar een woord verkeerd", laat zien dat de mensen van het Overblijfsel óf een andere handschriftentekst volgden, óf een woord of term op hun eigen manier vertaalden. Het is een feit dat ze de woorden "tollenaar" en "zondaar" vertaalden met "uffen sunder" (Duits voor "openbare zondaar"), en die uitdrukking betrokken ze op de leden van het "christendom", die "openlijk zondigden" — want in hún gedachtegoed was de verlossing een kwestie van vergeving, niet van vernieuwing, niet van een wedergeboorte die zichtbaar wordt in de manier van leven. Interessant is dat, hoewel Luther de misvertaling had rechtgezet en "tollenaar" correct vertaalde met "Zöllner" (belastingontvanger), de vertaling van de mennonieten (die erfgenamen van het Overblijfsel) de oude vertaling voortzette — althans op sommige plaatsen. (Ook dit is een bewijs te meer dat de dopers een voortzetting van het Overblijfsel waren.)
Het was door heel de Middeleeuwen heen een cliché dat de mensen van het Overblijfsel "mutins" waren: mensen die een bedreiging vormen voor de burgerlijke overheid. Hoe deze (beslist valse) beschuldiging ontstond, is goed te begrijpen. De mensen van het "christendom" waren vreemden voor de gedachte zelf van twee genades, zodat voor hen kerk en staat zich tot elkaar verhielden als schering en inslag in een lap stof. Dááruit kwam de beschuldiging voort dat de mensen van het Overblijfsel "mutins" waren. Een vertrouwde woordvoerder van het "christendom", Sint-Victor, zei: "Leken die als koningen dienen, zijn de linkerzijde van het lichaam van Christus; de geestelijkheid is de rechterzijde. Beide zijden, samen één "christendom", hebben elk hun eigen hiërarchie, de ene wereldlijk en de andere kerkelijk." Zo verklaarde ook een geestelijke, Petrus Damiani, rond het jaar 1000: "Zoals in een mysterie het menselijke en het goddelijke samenvloeien in de Christus, zo vloeien, eveneens in een mysterie, regnum" — de overheid — "en sacerdotium" — de priesterstand — "samen." Het was omdat de mensen van het Overblijfsel ervan overtuigd waren dat God twee genadeprogramma's heeft lopen — twee, en niet één; twee programma's die niet verward mogen worden (al moeten ze wel op elkaar betrokken worden) — dat ze "mutins" gingen heten. Er is geen enkel bewijs dat ze werkelijk tot wetteloosheid neigden. Feit is dat in de tijd van de Reformatie een lutherse predikant (tegen de voorschriften in) een dienst van de dopers, die erfgenamen van het Overblijfsel, was binnengeslopen, en hij zei: "niets beviel me zo goed als de gebeden die werden opgezonden voor de burgerlijke overheid." De stad Turijn, in Italië, was berucht om haar vele "ketters", en dat feit leidde tot de beschuldiging dat Turijn "voedster en leermeesteres van opstand tegen het rijk" was, een kweekschool van mutins — een aanklacht die aantoonbaar vals was.
Het valt te betreuren dat Maarten Luther de oude beschuldiging herhaalde dat de dopers mutins waren, toen hij zei: "Hoewel de wederdopers de overheid willen afschaffen, moet die gehandhaafd blijven." (Luther had eens moeten praten met de lutherse predikant over wie we zojuist spraken; dat gesprek zou hem gecorrigeerd hebben.)
Om te zien dat de mensen van het Overblijfsel rechtzinnig waren in de leer, hoeven we alleen maar te luisteren naar William van Newburgh, een vertrouwde dienaar van het "christendom": "Toen ze één voor één ondervraagd werden over de artikelen van het geloof, antwoordden ze juist over het wezen van de hemelse Geneesheer, maar verkeerd over het geneesmiddel waarmee Hij zich verwaardigt de menselijke zwakheid te genezen: de heilige sacramenten. Ze verwerpen plechtig de doop, de eucharistie en het huwelijk, en durven op goddeloze wijze afbreuk te doen aan de katholieke eenheid die door deze steunpilaren gedragen wordt." Wij kunnen alleen maar zeggen: raak geformuleerd! Want de mensen van het Overblijfsel verwierpen de steunpilaren omdat ze het gebouw verworpen hadden waarvoor die steunpilaren waren uitgevonden.
In vrijwel elke opsomming van de "dwalingen" van het Overblijfsel wordt de verwerping genoemd van de gedachte dat "sacramenten" de verlossing zouden aanreiken. Bijvoorbeeld in het volgende:
"Zij preken veel uit de Evangeliën en de Brieven, en zeggen onder andere dat een mens geen kwaad mag doen, niet mag liegen en niet mag zweren" — hier horen we dat voor de mensen van het Overblijfsel de verlossing een godvruchtige levenswandel insloot. "Wanneer ze uit de Evangeliën en de Brieven preken, bederven ze die met hun uitleggingen. Als meesters van de dwaling weten ze niet wat het is om aan de voeten van de waarheid te zitten; prediken en Schriftuitleg zijn aan leken immers volstrekt verboden. Ze zeggen dat hún kerk de ware is, en dat de Roomse Kerk niet de ware Kerk is, maar de kerk van de kwaaddoeners" — een verwijzing naar wat we lezen in Psalm 26:5, waarin de mensen van het Overblijfsel een aanduiding zagen van de kerk van het "christendom", iets waarvan de psalmist zegt dat hij het "haat". "...Ze veroordelen de rijkdom van de kerk en de kerkelijke voorrechten van bisschoppen en abten. Ze willen alle kerkelijke voorrechten afschaffen en houden vol dat niemand tot het geloof gedwongen kan worden. Ze veroordelen de sacramenten van de Kerk en zeggen dat priesters die in zonde leven het lichaam van Christus niet kunnen maken, en dat de transsubstantiatie niet plaatsvindt in de hand van een priester... maar in het hart van wie haar waardig ontvangt."
Een van de geschriften die uit het Overblijfsel voortkwamen en aan de toorn van het "christendom" wisten te ontkomen, met de titel Netz des Glaubens ("Het net van het geloof"), beschuldigt de leden van het "christendom" ervan dat ze "leven als heidenen, zonder in Christus te willen geloven; ze willen alleen maar oppervlakkig, een heel klein beetje, bedekt zijn met het huidje van de waterdoop, terwijl ze ondertussen verscheurende wolven blijven." Hier zien we beide dingen verworpen: de gedachte van een sacrament dat de verlossing bezorgt, én het wegstrepen van de vernieuwingskant van het zaligmakende geloof.
Nu we herhaaldelijk gezegd hebben dat de mensen van het Overblijfsel rechtzinnig waren in hun theologie, komt de vraag op of er in de Middeleeuwen óók andersdenkenden buiten het "christendom" waren die onrechtzinnig waren. Waren er bijvoorbeeld ook andersdenkenden die aanhangers waren van het dualisme? Bij die vraag moet worden toegegeven dat de beschuldiging van dualisme inderdaad geuit werd, al vroeg en dikwijls — bijvoorbeeld in de geschriften van Augustinus. Hij was zelf bekeerd uit het manicheïsme, een uitgesproken dualistische godsdienst, en het valt niet te ontkennen dat hij bij zijn aanvallen op de Donatisten telkens weer dezelfde techniek gebruikte die hij op zichzelf had toegepast toen hij zich van het manicheïsme losmaakte. Dat was beslist oneerlijk van hem, want de Donatisten waren geen dualisten in hun denken. Maar het wérkte wel. Natuurlijk: wie kerk en staat als één lichaam ziet, kan iedereen die zegt dat het twee lichamen zijn van dualisme beschuldigen — en dat deed Augustinus. Als het geloof dat God twee ijzers in het vuur heeft, dat er twee genades aan het werk zijn, iemand tot dualist maakt, dan waren de mensen van het Overblijfsel inderdaad dualisten. Maar dan was Jezus ook een dualist, omdat Hij onderscheid maakte tussen het "Koninkrijk der hemelen" en het "koninkrijk van deze wereld". (Het is waar dat dualistische bewegingen in de loop van de tijd de zaak van Christus hebben geschaad; maar het is even waar dat het monisme minstens zoveel schade heeft aangericht.) Robert Grundmann was misschien iets te stellig toen hij schreef dat "er in de Europese Middeleeuwen geen spoor van dualisme was", want dualistische trekken waren er wel — bijvoorbeeld bij de Albigenzen.
Maar Ebrard zat op het goede spoor toen hij schreef: "De grondfout van de heersende voorstelling is dat mensen, zodra ze het woord 'ketter' horen, meteen, zonder er verder over na te denken, aan een gnostische sekte denken — en dat terwijl de verstandigere en eerlijkere ketterbestrijders van de Middeleeuwen gewoon waren heel duidelijk onderscheid te maken tussen twee soorten ketters." Daar moeten we het mee eens zijn, en wel vást. Nee, de "ketters" van de hoofdstroom waren geen dualisten. We moeten Henry C. Lea bijvallen — nog altijd een van de best geïnformeerde historici op dit gebied — als hij zegt:
"Aan de ene kant hebben we sektariërs die vasthouden aan alle wezenlijke onderdelen van het christelijk geloof" — bedoeld is het Overblijfsel — "en aan de andere kant hebben we de 'manicheeërs', die dualisten waren." Op het standpunt dat Lea hier inneemt, valt niets af te dingen.
Op het punt van het dualisme verschillen we hier van mening met professor Berkouwer, waar hij zegt dat de dopers uit de tijd van de Reformatie aanhangers waren van "uitgesproken dualisme". Het was omdat hij nog gevangenzat in de gebrekkige geschiedschrijving, dat Berkouwer over de dopers zei wat hij zei.
Nu we gesuggereerd hebben dat het Overblijfsel begon met het Donatisme, moeten we daar even bij stilstaan. Al zijn we herhaaldelijk van Augustinus afgeweken, nu moeten we het volmondig met hem eens zijn als hij over de Donatisten zegt: "Inter nos et Donatistas quaestio est, ubi sit hoc corpus, id est, ubi sit ecclesia" ("Het geschil tussen ons en de Donatisten is de vraag wáár dit lichaam, dat wil zeggen: de Kerk, zich bevindt"). De Donatisten hielden vol dat met de omvorming van het christelijk geloof tot "christendom" "het onkruid is toegenomen, maar de tarwe is afgenomen". Ze stonden zó afkerig tegenover de samensmelting van kerk en staat, dat ze beweerden: "agrum Dei in sola Africa remansisse" ("alleen in Afrika bestaat de kerk nog"). Het is zoals professor Frend heeft gezegd (nog altijd een vooraanstaande autoriteit op dit terrein): "Het zou een vergissing zijn om in het Donatisme een bewust anti-keizerlijke beweging te zien... Donatisme en katholicisme vertegenwoordigden twee tegengestelde richtingen. De twee kerken waren in feite twee samenlevingen die fundamenteel verschilden in hun kijk op zowel godsdienstige als maatschappelijke vragen... Stond de Kerk bínnen het Romeinse Rijk, als steun van en gesteund door de christelijke keizer — of was het Rijk de vertegenwoordiger van de 'buitenwereld', waarvan een christen zich moet afzonderen om te groeien in het geloof? Het geschil ging niet om 'waarheid' tegenover 'ketterij', maar om twee tegengestelde houdingen tegenover de samenleving." Het was overduidelijk een kwestie van mode d'intégration. Daarom is het helemaal niet verrassend dat in de tijd van de Reformatie, toen de strijd tussen de twee modes d'intégration op zijn heftigst was, de dopers even vaak "Donatisten" en "neo-donatisten" werden genoemd als "wederdopers". En het klinkt ons ook niet vreemd meer in de oren als Beda Venerabilis tegen het einde van het jaar 735 zegt: "In het bondgenootschap van Constantijn en Sylvester begon de antichrist zich te openbaren... de onderdrukking van de Donatisten was daarvan slechts het voorspel."
Nu we weten wat er in het hart lag van de twist tussen het "christendom" en het Overblijfsel — namelijk de vraag of God één ijzer in het vuur heeft of twee — verbaast het ons niet een lid van het Overblijfsel te horen zeggen:
"Door het gebruik van geweld wordt niemand tot het geloof gebracht. Dat is net zo onwaarschijnlijk als dat iemand Tsjechisch leert door Duits te studeren. Door middel van de wereldlijke macht heeft de antichrist alle macht naar zich toe getrokken, onder de dekmantel van het christelijk geloof. Omdat wij geloven dat Jezus ons door zachtmoedigheid en nederigheid, tot aan het kruis toe, verlost heeft uit de macht van de satan, kunnen wij niet toegeven dat de voltooiing van ons geloof langs de weg van wereldlijke macht komt — alsof geweld een grotere weldaad zou zijn dan geloof. Toen keizer Constantijn, nog in zijn heidense staat, in de Kerk werd opgenomen en met uiterlijke heerschappij werd toegerust, was de verwoesting van de Kerk onafwendbaar."
In een van de bewaard gebleven geschriften van het Overblijfsel lezen we: "De priesters laten het volk omkomen van honger en dorst naar het horen van het Woord van God... Niet alleen weigeren ze tot op deze dag zelf het Woord van God te horen en aan te nemen, maar ze maken ook wetten en vaardigen voorschriften uit zoals het hun belieft, als de verkondiging van het Woord maar wordt tegengehouden. De stad Sodom zal eerder vergeving vinden dan zij."
Met het oog op zulke geschriften zei de deken van Kamerijk dit: "Hieruit blijkt hoe gevaarlijk het is dat leken de Schrift in de volkstaal bezitten en blijven stilstaan bij de letterlijke betekenis, met voorbijgaan van de morele en allegorische betekenis — die zich tot de letterlijke verhoudt als de kern tot de schil."
De mensen van het Overblijfsel keurden het af dat de mensen van het "christendom" hun priesters "vaders" noemden, en het is de moeite waard na te gaan waarom. Het lijkt zo gegaan te zijn. In de taal van die tijd heette het dat vaders "verwekken", dat wil zeggen: een zaad planten, dat de moeder vervolgens "draagt" — eerst in haar schoot en daarna op haar armen. De moeder, zo heette het, "voedt" het zaad dat de vader had "geplant". Deze kijk op de menselijke voortplanting werd in de Constantijnse synthese overgebracht naar het geestelijke vlak. Zoals het vermogen om te verwekken begint bij de puberteit van de jongeman, zo zou het vermogen om op geestelijk niveau te "verwekken" beginnen in en met de priesterwijding. Wij weten nu dat die oude voorstelling van de voortplanting beslist onjuist is: de aanstaande moeder draagt net zo werkelijk bij als de aanstaande vader. Waren de mensen van het Overblijfsel al gaan beseffen dat het onjuist is om te zeggen dat een vader op het lichamelijke vlak "verwekt"? Dat is moeilijk te geloven, en zeker moeilijk te bewijzen. Maar het is wél opmerkelijk dat in het kamp van het Overblijfsel de tegenhangers van de priesters van het "christendom" soms geen "vaders" werden genoemd, maar "ooms". Was dat omdat niemand ooit zal zeggen dat hij door zijn oom is "verwekt"? (Opnieuw zien we hier een familieband tussen het Overblijfsel en de dopers, want bij de dopers was het soms de gewoonte hun geestelijke leiders aan te duiden als "Ohm" in het Hoogduits en als "Oom" in het Nederduits en Nederlands — beide woorden betekenen "oom".)
De mensen van het Overblijfsel hadden een afkeer van kathedralen. Dat hoeft niemand te verbazen, want de middeleeuwse kathedralen waren de architectonische belichaming van het "christendom". De mensen van het Overblijfsel noemden de kathedralen cumuli lapidum, dat is "steenhopen". (Het is interessant, en ongetwijfeld veelzeggend, dat er sinds de bekrachtiging van het Eerste Amendement een einde is gekomen aan het bouwen van kathedralen.) Hilarius van Poitiers (die we al eerder tegenkwamen) was tegen de omvorming van het christelijk geloof tot "christendom"; geen wonder dat hij niet van kathedralen hield. Hij schreef: "Wacht u voor de antichrist! Want, droevig genoeg, een liefde voor muren heeft u in haar greep gekregen.
Droevig genoeg bestaat de kerk die u vereert uit gebouwen en huizen. Droevig genoeg denkt u dáárin vrede te vinden. Maar is er enige twijfel dat het dáár is dat de antichrist zal zetelen? Veiliger zijn mij de bergen en de bossen, de meren en de grotten, want dáárin woonden de profeten toen ze hun profetieën spraken." Hilarius dacht terug aan de dagen waarin de christenen nog samenkwamen in conventikels, gehouden in grotten en kelders, om te kunnen overleven. Hoewel hij de "gevallen" kerk niet verliet, was hij zich diep bewust van haar "val", zodat we hem horen klagen: "De kerk jaagt nu schrik aan met dreigingen van verbanning en kerker, en zij die vroeger bekeerlingen won ondanks verbanning en kerker, brengt de mensen nu binnen met dwang. Zij die verbreid werd door opgejaagde priesters, jaagt nu op haar beurt priesters op. Dit moet gezegd worden in vergelijking met de Kerk die ons is overgeleverd maar die we nu kwijt zijn; de feiten liggen voor ieders ogen en schreeuwen het uit."
Het Net van het geloof van het Overblijfsel, waarover we spraken, had dit te zeggen over de weelderige gebouwen die het "christendom" optrok: "Ze zeggen dat de vroege kerk bedroefd was; maar ik houd staande dat ze daarin niet verkeerd was, want vanaf de dood van Christus tot de dagen van Constantijn leefden allen die de Naam van Christus aanriepen als verworpen volk, onder grote druk... zodat Christus, en wie Hem trouw waren, door de volken vervloekt werden en tot de dood toe opgejaagd. Zó bestond de eerste kerk — op een manier die de dwazen zwaar toescheen; maar de latere kerk leidt een vrolijk leven, omringd door rijkdom en de lof van de wereld. Ze heeft zich omringd met de wapens van de wereld om in vrede te kunnen neerliggen, vrolijk te zingen, aan een rijkgedekte tafel te zitten en languit te liggen op een zacht rustbed... De kerk, die zogenaamd de Heilige Geest volledig bezit, meent de verlossing van de mensheid te kunnen beheren" — let op de gebondenheid aan het ex opere operato — "maakt nooit een fout, doet geen afbreuk aan de eer en lof van God, aangezien de Heilige Geest in haar woont, die al Zijn schatten in haar heeft neergelegd, terwijl zij tot in eeuwigheid Zijn vertroosting grondvest in haar tabernakel — een die veel rijker is dan die van de apostelen! Wat een leugen is dit! Wie heeft er ooit een grotere verteld? En welke duivel heeft ooit hoogmoediger en ijdeler gepocht dan de kerk doet wanneer ze zichzelf verheft boven alles wat God geopenbaard heeft? De hoer heeft een verbond gesloten met de Heilige Geest, en geeft onderwijs in de gemeenschap die het bloed vergiet van prijzenswaardige mensen." Hier horen we het Overblijfsel zijn stem verheffen, al liep het nog mee in de optocht van de kerk van het "christendom". De lezer zal opgevallen zijn dat de aangehaalde klacht eindigde met een verwijzing naar het voorbeeldige leven van de leden van de "ware" kerk, bestaande uit "prijzenswaardige mensen".
Als we bij het lezen van zulke dingen de indruk krijgen dat andersdenkenden buiten het "christendom" dun gezaaid waren, voegen we eraan toe dat ze óf van het begin af talrijk waren, óf het geworden zijn. Want we lezen dat in de Middeleeuwen "in alle steden van Lombardije en de Provence en andere streken meer scholen van de ketters zijn dan van de theologen" (met de "theologen" zijn de pleitbezorgers van het "christendom" bedoeld). Er is reden om aan te nemen dat de "scholen" van de "ketters" ondergrondse plekken waren waar toekomstige leiders van het Overblijfsel werden opgeleid. De leden van het Overblijfsel waren zó talrijk dat er gezegd werd dat een lid te voet van Antwerpen naar Italië kon reizen en elke nacht kon overnachten in het huis van een geloofsgenoot. Het is moeilijk voorstelbaar dat het Overblijfsel een geschreven ledenlijst had — als die gevonden werd, zou dat tot massale terechtstellingen leiden. Nee, de mensen van het Overblijfsel hadden geheime tekens en symbolen, herkenningstekens die alleen leden kenden, zoals het dragen van een houten stok (in plaats van een zwaard, zoals de mensen van het "christendom" maar al te vaak droegen). Deze houten stok noemden ze hun "Israël". Die naam was waarschijnlijk een bewuste omvorming van "Azaël", dat "kracht van God" betekent. Blijkbaar zetten de mensen van het Overblijfsel de lijn voort van de vroege christenen in Noordwest-Europa, die een wandelstok droegen die gambutta werd genoemd (een woord waarvan de betekenis nog altijd niet ontdekt is). De mensen van het Overblijfsel hadden ook de gewoonte om een geheime figuur in het zand of de sneeuw te tekenen wanneer ze een "vreemde" ontmoetten, om die "vreemde" — als hij een "ingewijde" was — te laten weten dat degene die het teken maakte een "ketter" was. (Het is meer dan waarschijnlijk dat de omtrek van een vis, die we in onze tijd nog zien, zijn oorsprong had in het Overblijfsel.)
Het is duidelijk dat het merendeel van de mensen in een bepaalde plaats of streek het Overblijfsel goedgezind was; hun afkeer gold juist degenen die bij het "christendom" "op de loonlijst stonden" en de telkens weer oplaaiende jacht op "ketters" aanvoerden. We geven een voorbeeld van die volksgezindheid. Vóór het aanslaan van Luthers stellingen had de deken van Atrecht (in Vlaanderen) de plaatselijke magistraat overgehaald om een grote groep "ketters" in zijn gebied uit de weg te ruimen. Hele gezinnen werden uitgeroeid. Korte tijd later trad er een nieuwe overheidsploeg aan, en die deed een poging om het onrecht dat de mensen van het Overblijfsel was aangedaan te herstellen. Er werd een groot podium gebouwd waarop degenen aan wie de magistraat zijn verontschuldigingen aanbood, mochten plaatsnemen terwijl de verontschuldiging werd voorgelezen. Er werd een wet aangenomen "die de bisschop van Atrecht en zijn beambten en rechters... voortaan het gebruik van foltertechnieken verbiedt, zoals het onmenselijke folteren met de cappelet, het houden van vuur bij de voetzolen, het gedwongen laten drinken van olie of azijn, het slaan op de onderbuik — dit alles op straffe van arrestatie en verdiende bestraffing!"
Hebben we nog meer bewijs nodig dat het Overblijfsel er niet alleen wás, maar dat er ook veelvuldig voor in de gevangenis werd gelegen? Zo ja: in 1524, maar een paar jaar nadat Luther in het nieuws was gekomen, verscheen er een boekje, gedrukt zonder naam van schrijver of uitgever, met de titel Trostbrief (Duits voor "troostbrief"), gericht aan "dienaren van de christelijke kerk te Worms, mensen die de christelijke belijdenis doen en gevangenliggen in Mainz, Rugaw en andere plaatsen in het bisdom, onze geliefde broeders". In het voorwoord lezen we: "Wij, door Gods genade de bisschoppen en oudsten van de christelijke gemeenschap te Worms" — bedoeld zijn leiders van het Overblijfsel — "aan de heilige apostelen en Godskenners, die nu omwille van Christus Jezus en Zijn Woord gevangenzitten en in doodsgevaar verkeren in Mainz: uit uw leven, geliefde broeders, uit uw vertrouwen op God, wijd en zijd bekend en zonder vervalsing verkondigd aan het kleine kuddeke van Christus (want zo'n getuigenis hebt u van zeer velen, en van godvruchtige mensen), is het bekend. De bisschoppen en oudsten van de christelijke kerk zijn er zeker van dat zij zich tot nu toe in hun onderwijs dappere, edelmoedige en toegewijde mannen hebben betoond, die nu hun geloofsvrijheid zullen bewaren, en dat zonder enig wankelen." In het geschrift wordt gezegd dat de aangeschreven mensen "gewonnen zijn met het Woord van Christus". Alle Bijbelcitaten in het boekje komen uit een andere Duitse vertaling dan die Luther aan het uitbrengen was, zodat er geen twijfel over kan bestaan dat het boekje door mensen van het Overblijfsel is samengesteld. Alleen al het feit dat het gericht is aan mensen die in 1524 gevangenlagen omdat ze al lange tijd "het Woord getrouw gepredikt" hadden, is het sluitende bewijs dat het uit de gelederen van het Overblijfsel kwam en dat de aangeschrevenen leden waren van de gemeenschap van het Overblijfsel, de "kerk" van het Overblijfsel. (Een geschiedschrijving die haar ogen opzettelijk gesloten houdt voor het bestaan van het soort mensen dat we in dit boekje ontmoeten, moet wel misleiden — en dat heel ernstig.)
In de tijd van de Reformatie werd over de dopers en hun praktijk van het opnieuw dopen gezegd: "Wie hiermee begonnen is, daarover zwijgen de bronnen" — en dat kan alleen maar betekenen dat er niets nieuws op het toneel stond, noch qua gedachtegoed, noch qua praktijk. En dat was ook zo. Al vroeg in de vierde eeuw werd verordend: "Wie een tweede doop bedient, moet ter dood gebracht worden." En al in de wetboeken van Justinianus lezen we: "Als iemand bevonden wordt herdoopt te hebben, moet hij als een misdadiger behandeld en ter dood gebracht worden."
Er is bewijs dat het dopen-voor-de-tweede-keer ook in Engeland voorkwam, en wel heel vroeg, toen het "christendom" daar bezig was de macht over te nemen. De vroege kerk in Brittannië "kerstende" niet. Een man met de naam Herebold, al "gekerstend" door het binnendringende "christendom", werd door de inheemse kerk daar opnieuw gedoopt — omdat hij bij zijn eerste doop nog geen blijk had gegeven van de bereidheid om een "veranderd" leven te leiden. Zo lezen we ook op het vasteland, in 1524, over zes mannen en twee vrouwen dat zij "net als hun voorouders al tachtig jaar het Heilige Sacrament hadden genegeerd" — tachtig jaar was de spanne van het geheugen in het leven van ongeletterde mensen. De geschiedenis van het negeren van het "Heilige Sacrament" ging ongetwijfeld verder terug — hoevéél verder zullen we nooit weten, zo schaars als geschreven bronnen zijn.
De mensen van het Overblijfsel zochten voortdurend naar manieren om hun geloof uit te dragen zonder ervoor terechtgesteld te worden. Het zachtjes zingen van de Lollarden zijn we al tegengekomen. Er is reden om aan te nemen dat er ook een familieband bestond tussen het Overblijfsel en wat bekend werd als de rederijkerskamers. De kamers waren een protestbeweging die floreerde lang vóór Luther, en er was een "kamer" in vrijwel elke stad van de Lage Landen. Een trouwe zoon van het "christendom" (Renom de France geheten) schetste de kamers zó: "Een aantal komedianten, retorici genaamd, bederft de zeden van het volk met toneelstukken waarin het gewone volk plezier heeft, waarin telkens een arme monnik of non belachelijk wordt gemaakt. Het lijkt wel of de mensen zich niet kunnen vermaken zonder God en Zijn kerk te bespotten." Verre van uit deze voorstelling van Renom de France te besluiten dat de mensen van de kamers erop uit waren het christelijk geloof belachelijk te maken, durven we te zeggen dat ze juist het echte christelijk geloof wilden bevorderen — en het volgende bewijst dat. Een van de populairste "spelen" die de kamers ooit opvoerden, was gebouwd rond de vraag: "Wat is de grootste troost voor een stervende mens?" Het bekroonde "spel" kwam met het antwoord: "Het geloof in de verzoenende dood van Jezus Christus." Dat was er overduidelijk op gericht de toehoorders te vertellen dat mensen niet "gered" worden langs de weg van de doop, bediend door een gewijde priester van het "christendom", maar door "het geloof in de verzoenende dood van Christus". De kamers waren er al vóór de komst van Luther, maar gingen daarna ook door. Zo werd in het jaar 1559 in Brussel een plakkaat aangeslagen dat verbood "liederen te verspreiden, de spelen, de kamervertoningen, de toneelspelen, liederen, figuren, voorstellingen of vertoningen met sprekende of zwijgende figuren — zonder verleende toestemming. Nadat toestemming is verleend, mogen er geen wijzigingen in de tekst worden aangebracht — dit alles op straffe van zekere strenge straffen." Die bepaling over "geen wijzigingen in de tekst" was opgenomen omdat het dikwijls gebeurde dat zulke veranderingen, geïmproviseerd, wérden aangebracht nadat de toestemming al gegeven was. Zó gelijkvormig waren de opvoeringen en de gedrukte spelen van de kamers aan wat de Reformatoren publiceerden, dat we in de vroege lijsten van "verboden boeken" de "spelen" telkens vermeld vinden naast de vroege geschriften van de Reformatoren.
Er is alle reden om aan te nemen dat er een familieband bestond tussen de kamers en de kerken die later "gereformeerd" zouden heten. Want toen deze kerken de notulen van hun vergaderingen in druk begonnen te geven (dat was in 1563), gingen de afzonderlijke gemeenten nog altijd onder de bloemrijke namen waaronder de plaatselijke kamer bekend had gestaan. En het is niet zonder betekenis dat verscheidene mannen in de vroege gereformeerde kerken actief waren geweest in de kamers. Een vooraanstaande onder hen was de schoonvader van Arminius — de man om wie de grote synode bijeengeroepen werd.
Hoewel theologen en historici de kamers meestal links laten liggen, deden tijdgenoten dat niet. Kijk maar: een Engelsman die voor zaken in Antwerpen woonde, schreef aan zijn werkgever in Londen, na de kamers genoemd te hebben: "Door hen werd het Woord van God in dit land het eerst geopend", en hij voegde eraan toe dat exemplaren van wat de kamers voortbrachten "veel strenger verboden zijn dan welke van de boeken van Maarten Luther ook." Tijdgenoten zagen dus wél een verbindingslijn tussen het Overblijfsel en de Reformatie in haar eerste ogenblikken.
Nu we enige tijd hebben stilgestaan bij de mogelijke band tussen het Overblijfsel en de rederijkerskamers, geven we in overweging om ook te onderzoeken of er zo'n band bestaat met de Broeders van het Gemene Leven, onder wie Geert Grote een voorname plaats innam, en eveneens met de Souterliedekens, vroege berijmingen van de Psalmen, waarvan de oorsprong nog altijd volstrekt onzeker en onopgehelderd is.
Het wordt duidelijk, zo denken we, dat de verschillende uitbarstingen van verzet tegen het "christendom", zowel in denkbeelden als in gedrag, één ding gemeenschappelijk hadden: de afkeer van de veralgemening die met de geboorte van het "christendom" was meegekomen — de afkeer die in het hart van het Overblijfsel lag. De volgende passage, door een tijdgenoot geschreven, werpt daar het nodige licht op: "Er zijn veel sekten, waarvan er vele goed thuis zijn in de Schrift, die ze in Duitse vertaling bezitten; anderen herhalen de doop; anderen geloven niet in het lichaam van de Heere; anderen zeggen dat het lichaam van de Heere door iedere man of vrouw, gewijd of niet, in iedere schotel of beker en op iedere plaats kan worden toebereid; anderen houden vol dat het laatste oliesel niet nodig is; anderen kleineren het pausschap of het priesterschap; anderen zeggen dat het gebed voor de doden geen nut heeft; anderen verwaarlozen de feestdagen, werken op de heilige dagen van de Kerk en eten vlees in de vastentijd." Het is duidelijk dat al deze "ketters" van één soort waren, want alle genoemde punten komen in het Overblijfsel voor. Probeerde de man van het "christendom" die al deze punten opsomde, te verhullen dat al deze "ketters" in de grond gelijk waren?
Daaraan werd de beschuldiging toegevoegd dat deze "ketters" de gewoonte hadden "bleke mannen en zelfs katten te kussen". (Op de bewering dat "ketters" bleek waren, komen we nog terug.) De uitdrukking over het "katten kussen" vindt haar oorsprong waarschijnlijk hierin, dat de ongeletterde mensen van die tijd, toen ze de "ketters" "kathaar" hoorden noemen (dat "gereinigde" betekent), dat opvatten als "kater", het Nederduitse woord voor een mannetjeskat. Uit deze verwarring kwam vervolgens voort dat vrouwelijke "ketters" geregeld "Tibbe" werden genoemd, het Nederduitse woord voor een vrouwtjeskat (verwant aan het Engelse "tabby cat"). Uit deze taalkundige vergissing werd de beschuldiging van het "katten kussen" geboren. De mensen van het Overblijfsel namen Romeinen 16:16, met zijn "Groet elkaar met een heilige kus", ernstig en letterlijk — en het was dit kussen dat vervolgens de legende deed ontstaan dat de "ketters" de gewoonte hadden "katten te kussen".
Hoewel de mensen van het Overblijfsel niets moesten hebben van de transsubstantiatiegedachte, vertoonden ze zich af en toe wél bij de katholieke mis — nét vaak genoeg om de "ketterjagers" van het "christendom" van hun spoor te houden (een praktijk waarop we verderop in dit boek terugkomen). Deze praktijk is "nicodemisme" gaan heten (Nicodemus was de man die in het donker naar Jezus ging om niet door de stadsgenoten herkend te worden). Ook in de tijd van de Reformatie waren er erfgenamen van het Overblijfsel die het nicodemisme in praktijk brachten. Zo horen we een man vertellen dat hij aan de katholieke mis had deelgenomen en het misbrood had aangenomen — maar dan probeerde te voorkomen dat hij het doorslikte. Het was de gewoonte om het uit te spugen, óf in een zakdoek (nog binnen het gebouw), óf in een struikgewas (na het verlaten van het gebouw). Toen deze man daarover sprak met iemand die hij vertrouwde (ongetwijfeld een medelid van het Overblijfsel), zei hij dat het "element" "zu rasch hinabgerutzt" was — "te snel naar binnen gegleden". En toen het "lichaam van de Heere" door de straat werd rondgedragen, zodat iedereen zich er aanbiddend voor kon buigen, was er een man — vrijwel zeker een lid van het Overblijfsel — die, om niet betrapt te worden op het "aanbidden van een stukje brood", de gewoonte had achter het dichtstbijzijnde gebouw te stappen, alsof hij aan een natuurlijke behoefte gehoor gaf. Hij deed dat te vaak: hij werd gearresteerd en kreeg de gebruikelijke straf.
Het was de gewoonte dat mannen eerbiedig hun hoed afnamen wanneer het "element" voorbijkwam. Het was met het oog op dit voorschrift en deze gewoonte, dat de "ketters" hun verwanten opdroegen ervoor te zorgen dat er bij de begrafenis van een "ketter" een hoed op het hoofd van de dode lag — om zo vrijuit te gaan van de beschuldiging een stukje brood aanbeden te hebben. Deze praktijk leidde er vervolgens toe dat het "christendom" dreigde elke priester te degraderen die schuldig bevonden werd aan het voorgaan bij de begrafenis van een dode met een hoed op (Corpus II:142). We lezen ook over een "ketter" die bij de mis aanwezig was — maar met in elk oog de lege dop van een walnoot, en één in zijn mond.
Een van de smaadnamen die het "christendom" uitvond en op de leden van het Overblijfsel plakte, was "papelard". De oorsprong van het woord wordt (zoals gewoonlijk) niet vermeld, maar de betekenis laat zich vrij zeker zó verklaren. Het achtervoegsel "-ard" is natuurlijk kleinerend; het komt voor in woorden als "dronkaard", "bastaard", "lafaard" en "luiaard". "Papel" is vrij zeker een dialectvorm van het woord "papier", waarbij in sommige Franse dialecten de r en de l stuivertje wisselen. Als dat klopt, moet "papelard" zoiets betekend hebben als "papierschurk" — een spotnaam, gemunt op de hoge achting voor wat op papier stond (bedoeld zijn vertalingen van de Schrift), zoals die in het Overblijfsel leefde.
We weten dat de mensen van het Overblijfsel de Schrift hoog hadden staan — zó hoog dat ze hele boeken van het Nieuwe Testament uit het hoofd leerden. Feit is dat ze de samenhang en de betekenis van het Woord van God zó goed beheersten, dat de woordvoerders van het "christendom" niet tegen hen opgewassen waren. Daarom vinden we een geestelijke van het "christendom" die zijn ambtgenoten aanraadt om niet met een "ketter" in discussie te gaan, maar in plaats daarvan "uw zwaard zo diep mogelijk in de buik van die man te steken". Zó afkerig waren de woordvoerders van het "christendom" van bekendheid met de inhoud van de Schrift, dat we een van hen horen zeggen: "Ik ga met anderen een kruistocht organiseren om de koning door zijn onderdanen te laten verdrijven, als hij toelaat dat het 'evangelie' gepredikt wordt" — waarmee de predikers van het Overblijfsel bedoeld waren (de "ooms", zoals we zagen).
Nu we het vernederende woord "papelard" besproken hebben, is het misschien de goede plek om te wijzen op een gedicht dat zijn ontstaan ongetwijfeld aan het Overblijfsel te danken heeft. (We geven de Middelnederlandse regels weer met daarnaast een weergave in hedendaags Nederlands, waarbij we ritme en rijm enigszins bewaren.)
"Nu comt hier voert gi papelarde
"Kom uit je schuilhoek, papelard,
Ghi metten grisen langen barde
Jij met je lange grijze baard,
Die al volmaket schinen willet
Die zich de volmaaktste toont van al,
Ende al benijdt en al beghillet
En luid de rest bekritiseert;
Hort harewart, ghi loese boeven
Luister eens hier, jij waardeloos stel,
Die ommegaet met begardien."
Dat omgang houdt met begardenvolk.")
In dit vers zien we dat mensen die een heilig leven proberen te leiden, aan het begin van het vers "papelards" worden genoemd en aan het einde "begarden" (wéér een woord dat eindigt op het kleinerende achtervoegsel -ard). Dat laat opnieuw zien dat al die schimpnamen naar één en dezelfde soort mensen werden geslingerd: de leden van het Overblijfsel.
Nu we toch met middeleeuwse poëzie bezig zijn, halen we nog een stukje aan — over een gewetensvolle vrouw (vermoedelijk een bekeerlinge tot het Overblijfsel) die er bezwaar tegen had naar de bruiloft van haar zus te gaan, vanwege wat er op bruiloften gewoonlijk zoal gebeurde. Ook hier geven we de oude tekst weer, met een vertaling. Er staat:
"Nu was di brut ein edelwif Hersch ende stolz dat al ir lif Zur wereldvroide herze druch Der suster wort sy widersluch Und sprach, villyve suster min Wilt du bi mir begine sin Ar begardie driven So gank zu sulchen wiven Dy das gelusten, dat raden ich, Erlaiz der truandien mich Du solt mir spielen, lachen Und alle vroide machen."
("De bruid, dat was een deftig wijf, Hooghartig, trots met heel haar lijf, Belust op werelds feestgedruis. Haar zusters woord sloeg zij weer thuis En sprak: mijn lieve zuster mijn, Wil jij bij mij begijntje zijn, Of doen alsof je begard bent — Ga dan naar vrouwen van het slag Dat daarvan houdt, dát raad ik aan. Verlos míj van dat kwezelen. Jij zult hier spelen, lachen, én Met ons in alle vreugde zijn.")
Duidelijk hebben we hier te maken met een zus van de "wereldse" bruid — een zus die bekeerd was tot het geloof en de levenswandel van het Overblijfsel. De lezer zal opgevallen zijn dat de bekeerde vrouw, zoals gebruikelijk, verschillende kleinerende etiketten krijgt opgeplakt. Ze wordt "begijn" genoemd, "begard", en een "truande". Dat laatste woord heeft waarschijnlijk dezelfde strekking als ons "spijbelaar": iemand die er telkens niet blijkt te zijn — en we weten dat de mensen van het Overblijfsel voortdurend van woonplaats wisselden.
Hoewel er tegenwoordig een geschiedschrijving bestaat waarin het Overblijfsel onvermeld blijft, wisten tijdgenoten wel beter dan het te negeren. De deken van Atrecht, in Vlaanderen, wist wel beter; hij schreef: "Een derde, zo niet méér, bezoekt de conventikels van de Waldenzen" (een van de namen waarmee het "christendom" de leden van het Overblijfsel probeerde zwart te maken). Dan is het toch zeker terecht om te vragen wat er van dat "derde deel, zo niet meer" geworden is, vlak vóór het aanslaan van Luthers stellingen? Zijn ze soms verdampt?
In de winter van 1160 op 1161 bleken zo'n dertig "ketters" uit Vlaanderen naar Engeland te zijn getrokken (zoals ook de Lollarden deden), zo berichtte William van Newburgh, woordvoerder van het "christendom", in zijn dagen. Ze werden vervolgens óf aan het vuur prijsgegeven, óf verdreven, óf aan de hongerdood overgelaten. Toen ze verhoord werden over hun geloof, zeiden ze dat ze "christenen waren die de apostelen in ere houden".
Met voor ogen dat de mensen van het Overblijfsel rondtrokken, verbaast het niet dat de volgende bevelen werden gegeven: "Niemand mag, op straffe van eeuwige vervloeking, onderdak geven aan de ketters die uit Gascogne en Toulouse zijn gekomen. Niemand mag van hen kopen of aan hen verkopen, opdat ze tot inkeer komen." We lezen over een groep van zulke rondtrekkende "ketters" die naar Engeland was gekomen, waar ze een tijdlang met rust gelaten lijken te zijn — totdat een Engelse vrouw, ongetwijfeld tot hen aangetrokken door hun voorbeeldige gedrag en hun evangelie, zich bekeerde en zich bij hen aansloot. Daarop werden ze allemaal verbannen naar de heide, waar ze, de een na de ander, stierven door de kou en het weer, of van de honger — want de bewoners van de streek was "eeuwige verdoemenis" aangezegd als ze iets van hen kochten of aan hen verkochten. Het was in verband met zulke verbanningen naar de heide dat het woord "heiden" ontstond. Rond elke stad lag in de Middeleeuwen een stuk gemeenschappelijke grond, de "meent". Daar mocht iedereen schapen of geiten laten grazen. Omdat niemand die grond ooit bemestte, raakte de bodem zó uitgeput dat er alleen nog heide op groeide. En omdat er mensen en groepen waren die om godsdienstige redenen daarheen verdreven waren, gingen allen die niet bij het "christendom" hoorden "heidenen" heten — het is dus een woord dat met het Overblijfsel samenhangt.
Natuurlijk hielden de mensen van het Overblijfsel hun godsdienstoefeningen in conventikels, en wel om twee redenen. De ene was dat ze zichzelf, als het om de eredienst ging, niet als één geheel met het "christendom" zagen. De andere was dat het vrijwel zelfmoord was om op een "openbare" plaats samen te komen. En natuurlijk vinden we woordvoerders van het "christendom" die bevelen dat "hun heimelijke conventikels krachtig bestreden moeten worden". Dus zochten de mensen van het Overblijfsel manieren om bij hun conventikels te komen zonder sporen na te laten. Daar waren ze zó bedreven in, dat de deken van Atrecht met de volgende verklaring kwam: "Wanneer ze naar hun samenkomsten willen, wrijven ze eerst een soort zalf, hun door de duivel geleverd, op hun handpalmen en op een stok. Dan vliegen ze, rijdend op die stok, naar welke plaats ze maar willen, dwars over steden en bossen en meren heen, en daar komen ze dan samen." Over deze verklaring van de deken zeggen we alleen dat hij een zeer vruchtbare verbeelding had, een zeer vindingrijke. Maar wat kon hij anders? Dat er geheime samenkomsten werden gehouden, viel niet te ontkennen; en toch kon noch hij, noch iemand in zijn dienst, verklaren hoe de mensen van het Overblijfsel bij hun conventikels kwamen zonder sporen achter te laten. Dus werd hij vindingrijk, zeer fantasierijk. De werkelijkheid was natuurlijk dat de mensen van het Overblijfsel tussen heggen door slopen, over open plekken kropen, en 's nachts meren en beken overzwommen. We mogen er gerust zeker van zijn dat ze niet bij hun godsdienstoefeningen kwamen schrijlings op een stok, ingesmeerd met een krachtig smeersel "geleverd door de duivel".
Er stond nog iets in de rapporten van het "christendom" over het Overblijfsel: dat de leden op hun conventikels "hun achterste naar de hemel keren om God te honen". Als ons gevraagd wordt hoe dát verhaal in de wereld kwam, denken we het antwoord te hebben. Wanneer de godsdienstoefening van het Overblijfsel begon, en ook wanneer ze eindigde, gingen alle leden in een rij staan en bogen ze zich allemaal met het gezicht ter aarde. Dat deden ze nadat de lichten gedimd of gedoofd waren, om twee redenen:
De ene was de wens om niet gezien te worden door een "gluurder" in dienst van het "christendom". De andere, zo lijkt het, was dezelfde overweging die mensen hun ogen doet sluiten bij het bidden: het verlangen om los te komen van alle "wereldse dingen" en zich te richten op de "hemelse dingen". Zó bekend en zó wijdverbreid was de beschuldiging van het "achterste naar de hemel keren om God te honen", dat we in een middeleeuws stuk (afgedrukt in het Nederlandsch Kluchtspel) lezen: "Twee begijnen, twee bogaerden, drie sustern, twee lollaerden, deze dienen God al met den aerse"("twee begijnen, twee begarden, drie zusters, twee lollarden — die allen dienen God met hun achterste").
Er zijn in dit "middeleeuwse stuk" een paar dingen die om een korte toelichting vragen. Ten eerste: we zien de leden van het Overblijfsel wéér met allerlei namen aangeduid, terwijl het om één soort mensen ging. Ten tweede wordt er verondersteld dat de mensen van het Overblijfsel, wanneer ze bijeen waren, gezamenlijk knielden in gebed. En ten derde: hoewel bij de anderen steeds van "twee" wordt gesproken, heten de "zusters" met z'n "drieën" te zijn. Wat moeten we dáárvan denken? Werd bij de "zusters" het getal drie ingevuld omdat de vrouwelijke leden van het Overblijfsel talrijk waren — talrijker nog dan de mannelijke?
Het wordt duidelijk, daarvan zijn we overtuigd, dat het eenvoudig niet aangaat om het bestaan van het Overblijfsel over te slaan en zijn bijdrage aan de geschiedenis te negeren. Het gaat zéker niet aan als we de oorsprong en de bedoeling van het Eerste Amendement willen begrijpen.
De tijd is gekomen — en is er eigenlijk al een hele poos — dat historici gaan luisteren naar Von Harnack (misschien nog altijd dé autoriteit op het gebied van de dogmageschiedenis), waar hij over de twaalf eeuwen vóór Luther zegt:
"In deze twaalf eeuwen heeft het nooit ontbroken aan pogingen om de banden van de staatskerk en priesterkerk te verbreken en de apostolische gemeentevorm te herstellen." (In het origineel luidt het:
"In diese zwölf Jahrhunderten haben Versuche niemals gefehlt die Bände der Priesterkirche/Staatskirche zu sprengen und die apostolische Gemeindeverfassung wieder her zu stellen.")
Het is tijd om Ludwig Keller niet langer te negeren, waar hij stelt (in onze vertaling): "Het is in geschiedenisboeken de gewoonte om de stof in twee stukken te verdelen: de middeleeuwen, die tot 1517 zouden duren" — de datum van het aanslaan van Luthers stellingen — "en het tijdperk dat daarop volgde... Deze voorstelling is onjuist en leidt tot allerlei dwaling, omdat ze uiteenscheurt wat bij elkaar hoort." (Wij zouden daaraan toevoegen: "zoals het werk van het Overblijfsel dat uitliep op de geboorte van het Eerste Amendement".)
We zijn de Vlaamse schrijver Pontus Payen dank verschuldigd, omdat hij lang geleden al zei: "De leer van Luther en Calvijn, de leer die zij 'het Woord van God' noemen, werd hier eerder verkondigd door leerlooiers en ververs, door marskramers en gezellen — eenvoudige lieden die geen woord Latijn kenden. Dezen moesten daarna wijken voor predikers uit Frankrijk, mannen goed onderlegd in het Latijn en ook in de letteren en de theologie." Wie waren die eerdere verkondigers van het Woord van God? Wie kunnen het anders geweest zijn dan de leden van het Overblijfsel? (We merken hier op dat het verschil tussen de twee opeenvolgende "golven" van Woordverkondigers niet zomaar een kwestie van geleerdheid was. Nee, het verschil was dat van de prediking van de éne mode d'intégration door de leden van het Overblijfsel, uitgedaagd door leden van nieuwe gedaanten van het "christendom" met een ándere mode d'intégration. Zoals we zullen ontdekken, kwamen de latere verkondigers inderdaad "uit Frankrijk", voortgestuwd door de mensen van Genève.)
De leden van het Overblijfsel waren zó talrijk dat het "christendom" een priesterorde in het leven riep (bekend als de dominicanen) om hen te beconcurreren. Die namen alle kenmerken van de "ooms" van het Overblijfsel over: ze gingen twee aan twee, droegen zelfgesponnen kleding en preekten in stegen en achterstraten. Vanwege dat laatste gingen ze in de Lage Landen "predikheren" heten. Het is veelzeggend dat het keer op keer gebeurde dat dominicanen, als ze in een stad aankwamen, door de bevolking werden gestenigd, zodat ze vluchtten. Vrijwel zeker kwam dat doordat het gewone volk de vertegenwoordigers van het Overblijfsel mocht — zó graag mocht, dat de mensen het de predikheren kwalijk namen dat het lot van de rondtrekkende predikers van het Overblijfsel nóg moeilijker werd gemaakt dan het al was, juist doordat de predikheren qua werkwijze zo dicht bij hen stonden. Het is waar: de mensen van het "christendom" hebben er een andere verklaring voor bedacht, namelijk dat het nieuws van de oprichting van de nieuwe orde zo'n stad nog niet had bereikt, zodat de bevolking hen aanzag voor leden van het Overblijfsel, die ze hadden leren stenigen. Die bedachte verklaring wordt hoogst onwaarschijnlijk door het feit dat zo'n steniging van dominicanen óók in Parijs plaatsvond — en het is ondenkbaar dat het nieuws van de oprichting van de orde die belangrijke stad nog niet bereikt zou hebben, aangezien er vrijwel zeker afgevaardigden uit Parijs bij waren toen de plannen werden gemaakt voor een orde van Overblijfsel-rivalen.
We kwamen de uitspraak tegen dat de predikers van het Overblijfsel "eenvoudige lieden" waren, en velen van hen waren dat ongetwijfeld. Maar we lezen ook, in een van de aanvallen van de kant van het "christendom": "Hoe geleerd ze ook zijn" — let op wat hier wordt toegegeven — "of hoe heilig ook" — nóg een toegeving — "als ze niet op de juiste wijze door de Kerk verkozen zijn, zijn het geen gezondenen." Feit is dat de mensen van het "christendom" de predikers van het Overblijfsel vooral haatten omdat die aan een andere kijk op de mode d'intégration verbonden waren dan de mode d'intégration waarop het "christendom" stond. Dat het dáárom ging, is duidelijk genoeg. We horen een doper — lid van de beweging die haar wortels in het Overblijfsel had — een man met de naam Hans Kuchenbacker, tijdens zijn proces zeggen: "Wij belijden één heilige christelijke Kerk" — let op het ontbreken van het woord "katholiek" — "een gemeenschap van heiligen, bestaande uit gelovigen en wedergeboren christenen, kinderen van God, van boven geboren door het Woord van God en door de Geest." Maar hem werd gezegd dat dit "Irrtumb" was, dwaling: "Wanneer wij over de Kerk spreken, moeten we die massa mensen bedoelen onder wie het Woord van God gepredikt wordt en de sacramenten bediend worden naar de instelling van Christus." Het geschil was overduidelijk dat van de Corpus Christi-visie tegenover de Corpus Christianum-visie.
Als er nog enige twijfel bestaat over wat er in het hart van het conflict tussen het "christendom" en het Overblijfsel lag, hoeven we alleen maar te luisteren naar een woordvoerder van het "christendom", waar hij met het oog op de mensen van het Overblijfsel zegt:
"Hoewel ze onder allerlei namen bekendstaan, zijn ze als de vossen van Simson" — een verwijzing naar wat we lezen in Richteren 15:4 — "in die zin dat hun gezichten alle kanten op staan, maar hun staarten aan elkaar gebonden zijn: de verachting voor de Kerk" — waarmee hij natuurlijk de kerk van het "christendom" bedoelde.
Ook hier horen we dat in het hart van het conflict twee verschillende opvattingen lagen over de mode d'intégration van kerk en staat: de vraag of het christelijk geloof de menselijke samenleving samengesteld máákt, of haar er juist van weerhoudt dat te worden. De opvatting dat het christelijk geloof de samenleving samengesteld maakt, begon bij Johannes de Doper en hield stand tot aan de Constantijnse synthese — waarmee deze opvatting werd vervangen door de opvatting dat het christelijk geloof de samenleving er juist voor behoedt samengesteld te zijn, opgebouwd uit twee verschillende elementen. Dat het zó gegaan is, blijkt telkens opnieuw.
Dat de visie van het Overblijfsel eerbiedwaardig oud was, blijkt herhaaldelijk — bijvoorbeeld wanneer de bisschop van Luik er in het jaar 1050 over klaagt dat "ketters" een "oude dwaling" onderwijzen over de transsubstantiatie, namelijk dat "het lichaam van de Heere niet zozeer Zijn werkelijke lichaam is als wel een afbeelding daarvan". Als een "dwaling" in het jaar 1050 al "oud" was, moet ze heel vroeg begonnen zijn — en dat is ook zo: in en met het Donatisme.
Wanneer we ons afvragen of het Overblijfsel werkelijk zó ver teruggaat, hoeven we alleen maar te luisteren naar Bernard van Clairvaux (die in 1153 stierf), die zei dat hij "zich niet kon herinneren iets nieuws gehoord te hebben, hoe talrijk ze ook zijn — niets dan zaken die lang geleden al door de ketters van weleer werden aangeroerd, zaken die door onze theologen zijn gedorst en gewand."
De toestand in de Middeleeuwen was zó, dat de bisschop van Doornik opdracht gaf het volgende geregeld in de kerkdiensten voor te lezen: "Ieder die een van de door de Kerk veroordeelde dwalingen, die ingaan tegen de artikelen van het geloof, steunt, verdedigt, aanvaardt, of anderen aanraadt dat te doen, wordt geëxcommuniceerd."
In het jaar 1145 werd over wat wij het Overblijfsel noemen gezegd: "Ze hebben toehoorders op hun conventikels die in hun dwaling worden ingewijd, gelovigen die al misleid zijn, bisschoppen en prelaten, precies zoals wij die hebben." Nee, het verzet tegen het "christendom" begon niet in 1517 — een feit dat we voor ogen moeten houden als we het "vanwaar" van het Eerste Amendement willen begrijpen. Historici moeten niet vervallen in de fout van de Duitse historicus Josef Beck, die, toen hij in de moderne tijd een oude geschiedenis van de doperse beweging uitgaf — door de dopers zelf opgesteld — het hele eerste deel wegliet. Waarom? Omdat, zoals hij het zei, "het in geen enkele verhouding tot de zaak staat, of hooguit in een uiterst losse". Beck had moeten luisteren naar een collega-historicus, R. T. Rohrich, die zei: "De sekten die in de tijd van de Reformatie zo krachtig op de voorgrond traden, hadden hun historische wortels in eerdere groepen, bekend als Godsvrienden, Broeders van het Vrije Leven, Winkelers, enzovoort."
Het was door onbekendheid met het bestaan van het Overblijfsel dat historici een heel koor van geluiden het ene oor in en het andere uit lieten gaan. Geluiden als de opsomming: "Katharen, Paternen, Speronisten, Leonisten..., die prediken op openbare plaatsen of besloten, zonder toestemming van de Heilige Stoel of van de bisschop." Geluiden als het verslag van een inquisiteur die er in het jaar 1234 over pocht dat hij had meegewerkt aan de verbranding van zo'n vijftig ketters in evenzoveel dagen. Geluiden als het gegeven dat er vóór Luther honderdzestig beroepsmatige "ketterjagers" waren, zodat de geur van brandend vlees voortdurend in de lucht hing. Geluiden als dat van tien mensen, verbrand in Dowaai, waarna de beul zich op zondag 2 maart 1236 naar Rijsel haastte voor méér van hetzelfde. Geluiden als paus Gregorius die zegt dat "de pest van de ketterij zich door heel Vlaanderen heeft verspreid".
Historici zouden ook moeten leren luisteren naar geluiden als de volgende. Lang voordat Luther geboren werd, stelde de deken van Atrecht een vrouwelijke "ketter", Deniselle genaamd, bloot aan "gehenna en foltering" om haar de naam te laten prijsgeven van de leider van de plaatselijke Overblijfsel-gemeenschap (zijn naam was Jean Lavite). Deniselle lijkt onder de foltering gebroken te zijn en gaf de naam prijs. Daarop sneed Lavite, beseffend dat ook hij op de foltertafel zou belanden, het puntje van zijn tong af, om het zichzelf onmogelijk te maken namen te noemen. Maar de folteraars hielden een klein vuur bij zijn voeten, gaven hem een lei en bevalen hem de namen op te schrijven. Zó groot en zó langdurig was de pijn, dat de man bezweek en een lange lijst namen opschreef — een lijst waarop zelfs enkele priesters van het "christendom" stonden. Op de lijst stonden ook namen van belangrijke en hooggeplaatste burgers van de stad. Dat deed de magistraat van de stad terugschrikken voor het verbranden van de beschuldigden; hij besloot niemand te verbranden en liet hen allen vrij op paaszondag — een besluit dat de plaatselijke woordvoerder van het "christendom" ertoe bracht de verantwoordelijken voor de vrijlating met excommunicatie te bedreigen.
Dat er hooggeplaatste personen op de ketterlijst stonden, vraagt even onze aandacht. Het was helemaal niet ongewoon dat mensen van aanzien (zo nu en dan zelfs een priester) lid werden van het Overblijfsel — maar dat dan verborgen probeerden te houden. Er waren werkelijk geestelijken van de gevestigde kerk die preken hielden waarin het gedachtegoed van het Overblijfsel werd uiteengezet. In de archieven van de stad Doornik (een broeinest van Overblijfsel-"ketterij") ligt een verslag over "zekere geestelijken van de orde van de augustijnen, die in het afgelopen kwartaal zeer veel preken hebben gehouden en daarna in het openbaar, op beruchte wijze, gesproken hebben tegen de eer van de Kerk in het algemeen en ook tegen die van Bergen, en haar priesters en de overige geestelijkheid... waarmee ze het gewone volk verontrusten en in verwarring brengen... en, wat nog erger is, ernstige dwaling teweegbrengen tegen de heilige leer van de apostelen" (Corpus II:199). Een priester genaamd Serrurier, eveneens augustijn, die op missie was gestuurd om de "ketters" in de omgeving van Atrecht en Doornik te bekeren, werd tot hún geloof bekeerd. Hij werd "betrapt" terwijl hij precies de "ketterij" predikte die hij had moeten uitroeien. Hij moest in het openbaar herroepen en de boeken verbranden die hij van de "ketters" had gekregen. Het is een welbekend feit dat, toen Luther in het nieuws kwam, de augustijnen van Antwerpen hem steunden. Luther rekende twee van hen, Voes en Esch, tot de eerste martelaren voor zíjn zaak. Nog zo'n priester binnen het "christendom", Lambert le Bègue, werd opgesloten in een donker hol in een gevangenis omdat hij het gewone volk had voorzien van afschriften van de Schrift, vertaald in de volkstaal (Corpus II:20).
Zo'n probleem vormden de augustijnen in Antwerpen voor het "christendom" als zodanig, dat zelfs de bouw van hun klooster daar door de functionarissen van het "christendom" was tegengewerkt; maar de gebouwen kwamen er toch, dankzij druk van de magistraat. Toen het bericht van Luthers moedige daad naar buiten kwam, werden de Antwerpse augustijnen meteen aangepakt. Luther mocht de twee terechtgestelde priesters dan opeisen als zijn geestelijke kinderen — het waren veeleer zijn broeders in het geloof, misschien zelfs zijn "vaders". In elk geval waren zij en Luther van één soort, en het is duidelijk dat zowel Luther als de geestelijken in Antwerpen diep beïnvloed waren door de geschriften van het Overblijfsel. Luther dichtte een lied ter ere van de twee augustijnen, met de titel Ein neues Lied wir heben an ("Een nieuw lied heffen wij aan") — maar dat "lied" was helemaal niet nieuw, want de mensen van het Overblijfsel zongen het al sinds mensenheugenis.
Om te weten hoe de zaken er werkelijk voorstonden (we zeggen "werkelijk" omdat er een geschiedschrijving bestaat die alles in een heel ander licht plaatst), hoeven we alleen maar te luisteren naar Innocentius III, die in 1199 het volgende schrijven richt aan de bisschop van de stad Metz: "Er zijn zeer veel leken, mannen zowel als vrouwen, die, begerig om de Schrift te kennen, vertalingen van de evangeliën in het Frans bezitten... waaruit ze prediken in geheime conventikels, terwijl ze neerzien op wie hun samenkomsten niet bezoeken; en ze weerstaan de priesters die aanbieden hen te onderwijzen in hun gezicht, met als voorwendsel dat er in hun boeken beter onderricht te vinden is. Het verlangen om de heilige geschriften te kennen is stellig niet verwerpelijk; maar verwerpelijk is dat ze geheime bijeenkomsten houden, neerzien op wie die niet bezoeken, en zich het recht aanmatigen te prediken. Maar zó diep is de Schrift, dat niet alleen eenvoudige en ongeletterde mensen, maar zelfs de geleerden haar niet kunnen verstaan; daarom is in de wet van God geboden dat elk dier dat de berg aanraakt, gestenigd moet worden" — een verwijzing naar Exodus 19:13.
"Aangezien de predikorde met de prediking belast is, mag niemand zich dit ambt aanmatigen."
We hebben betoogd dat de mensen van het Overblijfsel rechtzinnig waren, en daar gaan we nog iets dieper op in. Of iemand rechtzinnig is, hangt natuurlijk af van wat de beoordelaar onder rechtzinnigheid verstaat. De mensen van het Overblijfsel leerden (zoals we zagen) dat "wanneer het lichaam van Jezus Christus omhooggeheven wordt, je je er niet voor behoort neer te buigen en er geen eerbied aan behoort te bewijzen" — terwijl het "christendom" volhield dat dit beslist onrechtzinnig is. In het licht van de Schrift is het rechtzinnig, zo denken wij.
We laten het oordeel over de rechtzinnigheid van hun theologie aan de lezer over — maar dat de mensen van het Overblijfsel rechtzinnig waren in hun levenswandel, staat zelfs niet ter discussie. Het getuigenis van hun tegenstanders, de woordvoerders van het "christendom", legt voortdurend getuigenis af van hun voorbeeldige manier van leven. Hier volgt weer zo'n voorbeeld: "Omdat de mensen dagelijks zien dat deze lieden uitmunten in uiterlijke heiligheid, terwijl de meeste priesters van de Kerk ondeugden najagen (vooral van het vlees), denken ze dat ze bij hen beter de biecht kunnen doen dan bij de priesters" — het woord "biecht" mag hier niet zó worden opgevat dat de mensen van het Overblijfsel zich door hun "ooms" de biecht lieten afnemen, want dat deden ze niet; het woord komt uit de mond van een woordvoerder van het "christendom" en moet dus vervangen worden door zoiets als "vergeving vinden". "...Ze zijn te herkennen aan hun manieren en aan hun spreken. In hun manieren zijn ze rustig en gematigd; ze kleden zich niet opzichtig, dragen geen weelderige kleren en ook geen vodden. Ze drijven geen koophandel, om vervalsing en bedrog te vermijden. Ze leven als arbeiders en ambachtslieden, en als leraars hebben ze schoenlappers. Ze stapelen geen rijkdom op, maar zijn tevreden met het nodige. Bovendien zijn ze kuis en matig in eten en drinken. Ze gaan niet naar herbergen of danspartijen en andere ijdelheden... Ze zijn altijd aan het werk en aan het leren, waaruit volgt dat ze weinig bidden" — is er ooit een dwazer gevolgtrekking gemaakt? "...Ze wonen de kerkdiensten geveinsd bij... om de priester op zijn woorden te vangen. Ze zijn te herkennen aan hun zorgvuldige en gematigde spreken; ze vermijden alle grofheid en achterklap, evenals losse praat en liegen en zweren... Ze vergelijken de Roomse kerk met de hunne. De leraars van de Kerk, zo houden ze vol, zijn hoogmoedig in kleding en manieren en leven onkuis, terwijl bij hen, zo zeggen ze, ieder man met zijn eigen vrouw leeft, en met haar in kuisheid." Voor ons betekent dit getuigenis dat de mensen van het Overblijfsel bewonderenswaardig rechtzinnig waren in hun levenswandel.
Hier is nog zo'n schets van de levenswandel van de leden van het Overblijfsel — nu door een líd gegeven: "Wij zijn Christus' armen, zonder vaste woonplaats, vluchtend van stad naar stad, als schapen te midden van wolven, en wij verduren vervolging zoals de apostelen en de martelaren. Juist omdat we oprecht zijn, sober leven en hard werken, worden we vervolgd... Ú hebt de wereld lief en hebt vrede met haar, omdat u één met haar bent. Uw valse leraars verdraaien het Woord van God terwijl ze hun eigen belang zoeken en anderen op een dwaalspoor brengen. Maar wij en onze vaderen, opgevoed in de leer van de apostelen, blijven in de leer van Christus, en daarin zullen we blijven tot het einde."
We zien dat de "ketters" van het Overblijfsel eerbiedwaardig oud waren — en evangelisch, lang voordat Luther op het toneel verscheen. Het moet ons niet langer vreemd in de oren klinken als over een "ketter" die in 1522 stierf, maar vijf jaar na Luthers moedige daad, een "ketter" met de naam Borsum, gezegd wordt: "Hij richtte zijn leven in naar het Oude Testament en het Nieuwe, lang voordat Luther begon te schrijven, en hij hield daaraan vast tot het einde. Van de pauselijke orde van zaken wilde hij niets weten."
Het hoeft ons ook niet meer te verbazen dat er in 1472 een lijst bestond van dwalingen, achttien stuks, die zogenaamd voortkwamen uit "het lezen van de Schrift in de volkstaal".
En evenmin zullen we het verrassend vinden dat Moneta van Cremona over de "ketters" zegt: "Ze zeggen dat de Kerk van Christus onderwees vóórdat ze iemand doopte..., dat de Roomse kerk doopt vóórdat ze onderwijst, zoals blijkt uit de kinderdoop... Van Christus en Zijn apostelen is niet bekend dat ze ooit iemand gedoopt hebben zonder geloof en zonder het vermogen om te verstaan..." Of dat we Petrus Venerabilis horen zeggen:
"De eerste stelling van de ketters ontkent dat kleine kinderen... door de doop behouden kunnen worden, en dat het geloof van een ander dan van henzelf verlossing brengt, omdat de Heere gezegd heeft: 'Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.'" En het hoeft ons niet meer te verbazen dat over leden van het Overblijfsel gezegd wordt: "Met de mond belijden ze het katholieke geloof, maar niet met het hart. In hun geheime samenkomsten zeggen ze dat alleen discipelen van Christus het recht hebben te dopen... Uit deze praktijk is de sekte van de herdopers voortgekomen." Er is ook geen reden meer om verbaasd naar het plafond te staren als een van de leermeesters van Luther, Von Usingen, zegt: "In deze onze tijd komen wederdopers en catabaptisten voort uit het kamp van de Picarden, omdat zij een tweede keer dopen" — "Picarden" was wat de mensen van het Overblijfsel al eeuwen vóór het aanslaan van Luthers stellingen genoemd werden. En je hoeft ook niet peinzend je kin vast te houden als je in een middeleeuws verslag over de "ketters" leest:
"Wij komen nu bij de herdopers, wier bijzondere dwaling is dat ze een tweede keer dopen." Zo gaat het maar door. Maar waarom zouden we nog meer bewijs aandragen dat er een geschiedschrijving is die afgedankt moet worden, en dat de opengevallen plaats moet worden ingenomen door een geschiedschrijving die rekent met de feiten — het feit dat het Overblijfsel er wás? Omdat het nodig is, willen we het Eerste Amendement begrijpen.
Zoals we al zeiden, was het gewone volk dikwijls, zo niet doorgaans, het Overblijfsel goedgezind. Dat was zó sterk, dat het "christendom" er de gewoonte van maakte om de stormklok níét te luiden wanneer de terechtstelling van een "ketter", een keuzemaker, ophanden was (ze liet het na, hoewel de wet het voorschreef). Het verbranden van "ketters" gebeurde meestal vroeg in de morgen, als er nog geen mensenmassa's op straat waren — om te voorkomen dat een volksoploop de "ketter" zou bevrijden. Ook ontstond de praktijk om "ketters" van het Overblijfsel in zakken te stoppen, die werden dichtgebonden en stilletjes in een rivier of vijver gegooid om hen te verdrinken: zo gekneveld konden ze onmogelijk zwemmen — en ook geen ongewenste redevoeringen houden ter verdediging van hun geloof, redevoeringen die bekeerlingen konden maken onder de omstanders, van wie velen de "ketters" toch al goedgezind waren, zoals het volgende bewijst.
Een eeuw vóór Luther, toen een "ketter" met de naam Jehan de Bleharies aan de vlammen zou worden prijsgegeven, werd de volgende waarschuwing aangeplakt: "Laat iedereen bereid zijn de Heilige Kerk bij te staan. Niemand mag zich op straat wagen gedurende de morgen die voor de terechtstelling is vastgesteld" — let op: er wordt geen datum genoemd, om te voorkomen dat het volk zou samenscholen om de man te redden. "De Kerk, onze moeder, wil niet dat iemand, terwijl zij haar werk doet, iets zegt of doet waaruit opschudding of tumult of oproer zou kunnen voortkomen, of enige andere ongepastheid. Niemand mag de inquisiteur iets in de weg leggen, maar in gehoorzaamheid aan God en de Heilige Kerk moet iedereen de inquisiteur bijstaan. Zo is het bevolen, op straffe van bestraffing als misdadiger." Het begint erop te lijken dat het Overblijfsel de kerk van het "christendom" overvleugeld zou hebben — als die laatste niet de wapens tot haar beschikking had gehad, en geen enkele scrupule om ze te gebruiken.
Terug naar het feit dat het Overblijfsel een zware (want nodige) nadruk legde op de vernieuwingskant van de verlossing. Het verbaast dan ook niet dat de mensen van het Overblijfsel bijzonder gehecht waren aan de brief van Jakobus (het boek waar Luther in zijn laatste periode niet van hield). Zó gehecht waren ze aan Jakobus, dat ze er een gedicht over maakten, waarvan een afschrift bewaard is gebleven. We geven de drie strofen weer, met een vertaling erbij:
1 "San Jaco monstre e aferma clarement Que l'ome non es salva par fe solement Si el non es cum obras mescla fidelement La fe sola es vana e morte verament."
1 ("Jakobus toont en zegt heel klaar: door geloof alleen wordt niemand behouden. Als het geloof zich niet trouw met werken verbindt, dan is het ijdel — ja, werkelijk dood."
2 "En Paulus bevestigt ditzelfde woord: wie de wet alleen maar hóórt, wordt niet gered. Als bij het geloof de werken het niet voltooien, dan is hij niet waardig de kroon der heerlijkheid te dragen."
3 "Want zoals er in de mens twee delen zijn — de geest en het lichaam, in dit tegenwoordige leven — zo zijn geloof en werken met elkaar verbonden: dáárdoor wordt de mens behouden, en echt niet anders.")
(De oorspronkelijke regels van de tweede en derde strofe luiden: "E sant Paul conferme aquest parlar / Que l'audiver de ley non es poire salvar / Si el non cum la fe las obras acabar / La corona d'gloria non es degne portar" en "Car enayma en l'ome son dui complement / L'espirite lo cors en la vita present / Enayma le fe e las obras son un ligament / Par lo cal l'ome es salva e non ja autrement".)
Dat was niet het enige gedicht dat uit het Overblijfsel voortkwam en stilstond bij het voorbeeldige leven van zijn leden. Nee, het volgende, uit het Overblijfsel-geschrift dat bekendstaat als La Nobla Leczon, komt met hetzelfde getuigenis:
"S'il en est un bon, Qui aime et craigne Jesus Christ, Qui ne veuille maudire, Ni jurer, ni mentir, Ni commettre adultere, ni occire, Ni prendre a autrui, Ni se venger de ses ennemis, Ils disent qu'il es Vaudes Et digne d'etre puni."
("Als er ergens een goed mens is, die Jezus Christus liefheeft en vreest, die niet wil vloeken, niet zweren en niet liegen, geen overspel plegen, niet doden, niet nemen wat van een ander is, zich niet wreken op zijn vijanden — dan zeggen ze: het is een 'Vaudes', en hij verdient straf.")
(Het woord "Vaudes" betekent "dalbewoner" en verwijst naar de gewoonte van leden van het Overblijfsel om zich te vestigen in afgelegen dalen van de Alpen, om uit het zicht te blijven.)
Zorgvuldige levenswandel was zózeer een kenmerk van de leden van het Overblijfsel, dat we hen horen klagen: "Waner iument begind tho sprekende uth d'schrift godes edder uth den bade godes, to hand seggen de bitende hunde, 'dat is ok ein ketter.'" — "Zodra iemand begint te spreken uit de Schrift van God of over de geboden van God, zeggen de bijtende honden meteen: 'Dat is ook een ketter!'" (Met "de bijtende honden" zijn de woordvoerders van het "christendom" bedoeld.)
We moeten ook wat licht werpen op het bericht dat "ketters" te herkennen zouden zijn aan hun bleekheid (en zo doen we wat we beloofden: terugkomen op de bewering dat "ketters" bleek waren). Hoe is dat te verklaren? We vinden Sint-Bernard, die over een "ketter" zegt: "Bovendien zijn zijn wangen bleek van het vasten" — maar dat het "van het vasten" kwam, is twijfelachtig, want we weten dat de mensen van het Overblijfsel de vastendagen van de kerk niet hielden. (Wél onthielden ze zich van smullen aan "verfijnde" spijzen.) Wij opperen dat de toeschrijving van bleekheid eruit voortgekomen kan zijn dat de "ketters" zich vooral 's nachts verplaatsten, om ontdekking te voorkomen — zo liepen ze de gebruikelijke bruine kleur mis. Het kan ook zijn dat het verwijt van bleekheid hieruit voortkwam: als een "ketter" indringend werd aangekeken, trok hij de conclusie dat een "ketterjager" hem in de gaten hield — en dat was reden genoeg om "bleek" weg te trekken, want het kon het begin van het einde zijn.
We melden ook dat een van de smaadnamen die het "christendom" uitvond in zijn poging zich van zijn mededinger te ontdoen, "turlupins" was. De oorsprong van dit kleinerende etiket wordt (zoals gewoonlijk) niet vermeld, maar het kan gemunt zijn op het feit dat de "ketters" zich vooral 's nachts verplaatsten, zoals wolven doen (het Latijnse woord voor wolf is lupus). Om te laten zien dat "turlupin" gewoon wéér een smaadwoord was, wijzen we erop dat Gregorius XI spreekt over "de ketterij van Begarden, Begijnen, Turlupijnen, Lollarden". In het jaar 1459 werd een Portugees, Alphonse Gonsalva genaamd (was de man uit zijn geboortestreek weggetrokken?), als ketter verbrand omdat hij zei dat "Christus werkelijker in de hemel aanwezig is dan op het altaar; dat wijwater geen kracht heeft, aangezien water niet gezegend kan worden; dat er niet zoiets bestaat als priesters; niet zoiets als sacramenten; dat de paus van de Roomse kerk niets is; dat de maagd Maria geen voorspraak voor zondaars is en dat we niets van haar moeten verwachten, en evenmin van de heiligen; dat een kruis slaan geen kracht heeft; dat je niet bij een priester moet biechten; dat het niet verkeerd is om vlees te eten in de vastentijd; dat Christus geen vastendagen heeft ingesteld; dat Hij, omdat Hij in de hemel is, niet tegelijk in het sacrament op het altaar kan zijn." Zó lang waren bleekheid en "ketterij" al met elkaar verbonden, dat je tot op deze dag in sommige delen van Frankrijk de uitdrukking kunt horen: "blanc comme un huguenot" — "zo bleek als een hugenoot". De oorsprong van die smaadnaam "hugenoot" is, zoals gewoonlijk, onbekend, maar wij opperen dat het het Duitse woord "Eidgenosse" is ("eedgenoot"), verfranst — het woord "Eid" is ons "eed": een plechtige belofte van de "ketters" om niets te doen of te zeggen dat tot de arrestatie van een medegelovige zou kunnen leiden. Veelzeggend — omdat het laat zien hoe oud al die smaadnamen waren die de mensen van het Overblijfsel naar het hoofd geslingerd kregen — is dat toen in de tijd van de Reformatie de stad Munster viel (die als toevluchtsoord had gediend voor de dopers, en waarheen veel dopers waren gegaan die leden aan wat je "strijdmoeheid" zou kunnen noemen, zó groot was het lijden om hun overtuiging geweest), allen die "bleek van aangezicht" waren ter plekke werden gedood.
(Het is niet zonder betekenis dat, toen Guido de Brès — de man die bekendstaat als de inheemse Reformator van Vlaanderen, en aan wie een later hoofdstuk gewijd is — beschreven werd, er onder andere gezegd werd dat hij "bleek van aangezicht" was. Die opmerking kan gewoon routine geweest zijn — op andere plaatsen wordt dat namelijk niet van de man gezegd.)
Om een reden die tot nu toe niet verklaard is, kwam de aanhankelijkheid aan de "ketterij" van het Overblijfsel bijzonder veel voor onder wevers, mensen die textiel weefden — zodat ze in het Latijn "textatores" werden genoemd en in het Frans "tisserandes". We vinden een vrouwelijke "ketterjager", een vrouw met de naam Hildegard van Bingen, die zegt: "Wie ketters wil opsporen, kan het best zoeken in de onderaardse ruimten waar wevers hun ambacht uitoefenen." Al in het jaar 1077 werd een man met de naam Rhamird op de brandstapel gezet, en later werd gezegd: "Er zijn er in deze tijd velen van zijn sekte; hun naam is afgeleid van het weversambacht." En al in het jaar 1157 waarschuwt het concilie van Reims tegen "een zeer onreine manichese sekte... van verachtelijke wevers die van plaats naar plaats trekken en hun namen veranderen." Uit de Middeleeuwen stamt een gedicht, ongetwijfeld afkomstig uit het Overblijfsel, dat "Het lied van de wever" heet. Gelukkig is er een afschrift van bewaard.
We halen het aan en geven de vertaling erbij:
"Chante, pauvre homme et pleure Ta cave est une eglise Tu as peche, mais tu as souffert Moi, j'ai paye pour toi Et tout est pardonne."
("Zing, arme man, en ween: je kelder is een kerk. Je hebt gezondigd, maar je hebt geleden; Ik heb betaald in jouw plaats en alles is vergeven.")
De regel "Je hebt gezondigd, maar je hebt geleden" vraagt om een korte toelichting, om te voorkomen dat hij wordt opgevat als de leer dat iemands zonden worden uitgewist in ruil voor menselijk lijden. Nee, de bedoeling is te zeggen dat het geleden-hebben bewíjst dat de gerechtigheid, verworven door het lijden van Christus, de zonden van deze mens bij God in vergetelheid heeft gebracht. Het weverslied, zoals het genoemd werd, is door en door rechtzinnig, want de gedachte van de plaatsvervangende verzoening wordt erin uitgespeld: "Moi, j'ai paye pour toi" — "Ik heb betaald in jouw plaats". Er wordt bericht dat de "ketters" de gewoonte hadden "op het kruis te spugen", om te laten zien dat kruisdragen pijnlijk is, zoals het dat voor Christus was geweest. En al werden de zangers van dit lied "manicheeërs" genoemd, ook die benaming was weer bedoeld om de mensen van het Overblijfsel zwart te maken: er is niets "manichees" aan het lied. Het is vast niet zonder betekenis dat in de tijd van de Reformatie over de stad Leiden, in Nederland, gezegd werd dat ze "wagenwijd openstond" voor de Reformatie "vanwege de vele wevers die in die stad woonden".
Hoe het verband tussen wever-zijn en "ketter"-zijn ontstond, is (zoals gewoonlijk) niet opgetekend — dus moeten we zelf naar een reden zoeken. Waarschijnlijk was de reden dat de mensen van het Overblijfsel naar de weverskwartieren trokken dezelfde die de vroege christenen bijeenbracht in de gangen van verlaten kalkmijnen. Die verlaten gangen waren niet alleen plaatsen waar de vroege christenen alleen konden zijn; er waren ook geen ramen, en dus geen "gluurders" — onder wie de beroepsmatige "ketterjagers". Misschien ontstond de gewoonte om in weverswerkplaatsen samen te komen ook doordat daar, om wat voor reden dan ook, geen ramen in zaten. Misschien wilden ze samenkomen op plaatsen waar veilig licht ontstoken kon worden. Ook dat kan de leden van het Overblijfsel ondergrondse weverijen in hebben gebracht. Het zal de lezer vast interesseren dat Shakespeare alles bleek te weten van de "wever-ketters", inclusief hun gedempte zingen. In zijn Twelfth Night lezen we over een stel feestvierders dat tegen elkaar zegt: "Zullen we de nachtuil wekken met een canon die drie zielen uit een wever trekt?" En in zijn Henry the Eighth ontmoeten we een zwaarmoedige ziel die droevig zegt: "Er leven geen drie goede mannen ongehangen in Engeland... een slechte wereld! Ik wou dat ik een wever was, dan kon ik psalmen zingen."
Omdat de middeleeuwse "ketters" door hém een slechte naam hebben gekregen, zijn we het aan de zaak verplicht om te kijken naar een "ketter" met de naam Tanchelm (de naam komt ook voor als Tanchelijn). Van hem werd gezegd dat hij "op het kruis spuugde" — een handeling waarover we al spraken. Ook werd hij ervan beschuldigd "God met zijn achterste te dienen" — dingen die we eerder hoorden. Maar Tanchelm werd er óók van beschuldigd dat hij "het afknipsel van zijn teennagels aan zijn vrouwelijke volgelingen gaf". Wat vertelt ons dat — behalve dat deze "ketter" veel vrouwelijke volgelingen had? Probeerde de man misschien heel het relikwieënstelsel van het "christendom" belachelijk te maken — dat immers niet veel anders was dan het weggeven van afgeknipte teennagels aan je volgelingen? Als dat zo is, was het niet misplaatst, want het relikwieënstelsel van het "christendom" verdíénde de spot: denk aan de aanwezigheid van zóveel monsters van de melk van Maria dat je je afvraagt of ze een melkkoe was, en aan het bestaan van meerdere voorhuiden van één en dezelfde oude "heilige".
Nee, Tanchelm verdient een betere beoordeling. In het jaar 1163 werd in Keulen een grote groep volgelingen van Tanchelm verbrand, en hun overtuigingen worden als volgt opgesomd: "Ze beschouwen alle mensen die niet van hun sekte zijn als ketters en ongelovigen. Ze versmaden de samenkomsten van de ware Kerk en houden vol dat alleen zíj het ware geloof hebben, en dat alle anderen wereldse mensen zijn, onder het oordeel... Ze drijven de spot met de biecht en zeggen dat je je hart moet blootleggen voor God en niet voor een mens. Ze verachten aflaten en boetedoeningen, en halen de profeten aan: dat in het uur waarin de zondaar zucht, hij behouden is, en dat er niet meer aan gedacht zal worden, zo zegt de Heere." Dat klinkt als niets anders dan een opsomming van wat "ketters" al eeuwenlang naar het hoofd geslingerd kregen. En dat betekent dat Tanchelm gewoon wéér een lid van het Overblijfsel was.
De Tanchelmieten waren zó talrijk dat het er een tijdlang naar uitzag dat heel het bisdom Utrecht van het "christendom" aan hen "verloren" zou gaan. Zó groot en zó ernstig was het gevaar dat het hele bisdom zich van het "christendom" zou afscheiden, dat het "christendom" een van zijn bekwaamste probleemoplossers naar Utrecht stuurde om de zaak weer enigszins in het gareel te krijgen.
Hoe succesvol die man was, kunnen we niet zeggen. Wél kunnen we zeggen dat, toen Tanchelm "op een avond in een veerboot het water overstak, een getrouwe geestelijke, gedreven door vrome ijver, hem zó hard op het hoofd sloeg dat hij eraan stierf — en zijn ziel overgaf aan de duivel, wiens dienaar hij was geweest."
Nog in het jaar 1516, het jaar vóór het aanslaan van Luthers stellingen, werd gezegd dat "belijders van de dwaling van Tanchelm tot op deze dag niet opgehouden hebben te bestaan." Dat was ongetwijfeld zo — al is het meer dan waarschijnlijk dat het "christendom" tegen die tijd alweer nieuwe smaadnamen had uitgevonden voor de leden van het Overblijfsel.
Voordat we dit hoofdstuk over het Overblijfsel afsluiten, is het goed om nog even stil te staan bij een andere uitbarsting van verzet tegen het "christendom": die van de "Flagellantes", zoals ze in het Frans heetten, of "Geeselaers", zoals ze in het Nederlands werden genoemd — omdat ze de gewoonte hadden zichzelf met koorden te geselen, als onderdeel van een boetedoening.
Hoewel deze uitbarsting van verzet tegen het "christendom" de sporen droeg van haar tijd (de eeuw van de "Zwarte Dood", zoals die genoemd werd), vertoonde ze niettemin veel trekken van het Overblijfsel. We doen er daarom goed aan er even bij stil te staan als beweging, als een verschijningsvorm van het Overblijfsel — zij het met het stempel van haar tijd.
In de eeuw van de "Zwarte Dood", de veertiende eeuw, stierven de mensen massaal aan wat een builenpest lijkt te zijn geweest. Geen enkele verrichting van het "christendom" leek ook maar iets uit te halen. Daaruit werd afgeleid dat de Almachtige ernstig ontstemd was over de mensen van die tijd, en de gevolgtrekking was dat dit liet zien dat de aanpak van het "christendom" tekortschoot. Alles wat er gebeurde, werd gedaan dóór een verzameling geestelijken, en gedaan áán het volk — dat maar moest afwachten wat er met hen gedaan werd, en alleen stil te houden had. Dus werd er een handeling bedacht waarin de enkeling tenminste zélf een rol speelde: het uiten van berouw door zelfkastijding. Het gaf tenminste een beetje eigen aandeel.
Het is van groot belang dat het volk opnieuw de kant van de "ketters" lijkt te hebben gekozen. Toen een priester van het "christendom" het gebed voor de Geeselaars achterwege liet, begon het kerkgebouw leeg te lopen en was er "een hele dag lang tumult in de stad, gericht tegen de geestelijkheid". Zoals alle andersdenkenden begonnen ook de Geeselaars "samen te komen in conventikels, zonder toestemming van de Heilige Kerk"... De Geeselaars werden er ook van beschuldigd dat ze "weigerden de hoed af te nemen en in aanbidding op te zien wanneer de priester het lichaam van de Heere omhoogheft".
De toestand wordt als volgt getekend in een vrij vertaald tijdgedicht:
"Hoewel de boete zwaar was, waren de priesters er niet mee ingenomen; ze verzetten zich met verbeten drift, omdat het niet aan te zien was dat leken het waagden zo'n boetedoening op touw te zetten, met kruisen en met plechtige vaandels, door henzelf omhooggeheven, zonder onderricht van de Heilige Kerk. Dat vonden ze volstrekt verkeerd, en daardoor (weet dit zeker) ontstond een grote, kwade stemming van leken tegen de priesters. Toen hielden die hun mond stijf dicht en lieten hen begaan, en haat kwam op, die (weet dit zeker) niet snel vergeten zal worden. Het is waar: pausen én kardinalen en bisschoppen evengoed bestreden de zaak zonder ophouden. Toch weigerden ze en gaven niet op; maar de Kerk legde hun de ban op — een zaak die door en door verkeerd was."
(We vinden het moeilijk uit te maken of dit gedicht gemaakt is dóór het Overblijfsel, of door het "christendom" óver het Overblijfsel, nu in de gedaante van de Geeselaars.)
Nu duidelijk is geworden dat er altijd een Overblijfsel is geweest tegenover het "christendom" — elk met zijn eigen kijk op de mode d'intégration — zullen we in het volgende hoofdstuk Luther gadeslaan, terwijl hij zijn rol speelt in dit oude conflict.



