De overheid en het overblijfsel

De "ecclesia" wordt "katholiek"

Hoofdstuk 6 van 18·35 min leestijd
37%

We hebben de gemeente van Christus nu goed genoeg van dichtbij bekeken zoals ze was (en zoals ze te werk ging) in de eerste drie eeuwen. Nu gaan we net zo aandachtig kijken naar de kerk ná de gebeurtenis waardoor ze "katholiek" werd — allesomvattend — en gegoten werd in de vorm van de etnische godsdiensten.

Wij denken dat de schrijver Pierard op het goede spoor zat toen hij in zijn Liberty and Law schreef: "Een van de grootste rampen in de geschiedenis van de christelijke kerk... was de erkenning van het christendom als het officiële geloof van het rijk."

De verandering kwam plotseling, maar we moeten niet denken dat ze geen "wegbereider" had. Nee, al in het jaar 175 liet Meliton van Sardes, een woordvoerder van de kerk van die tijd, veelbetekenend vallen: "Alleen als het christendom beschermd en bevorderd wordt... blijft het rijk bestaan, in omvang én in luister." Kennelijk was de man in de confusio regnorum terechtgekomen en raakte hij het nieuwe zicht van het christendom op de mode d'intégration van kerk en staat kwijt.

In het verlengde van Melitons suggestie gaf Origenes, een latere vooraanstaande woordvoerder van de kerk, de keizer het volgende te overdenken: "Wat zou er gebeuren als de Romeinen overgehaald werden om de beginselen van de christenen aan te nemen, de plichten tegenover de erkende goden te verachten... en de Allerhoogste te aanbidden...? Als zij zouden bidden tot het Woord, dat vroeger tegen de Hebreeën, toen ze door de Egyptenaren werden achtervolgd, zei: 'De HEERE zal voor u strijden, en ú moet stil zijn' — als zij zich zouden verenigen in gezamenlijke gebeden? Dan zouden ze meer vijanden op de vlucht kunnen jagen dan er ooit verslagen werden door de gebeden van Mozes!" Dat was de confusio regnorum in de kiem. Origenes zag de verheidensing van het geloof aan de horizon — en in plaats van er stelling tegen te nemen, moedigde hij haar aan.

Hoe de keizer dit advies opvatte, is niet meteen duidelijk. Het lijkt erop dat hij er eerst alleen aan dacht de God van de christenen een plaats te geven tussen de andere goden, een plaats in het pantheon. In die stemming deed de keizer deze uitspraak: "De Romeinen dienen alle goden... Dáárom hebben hun macht en hun gezag de hele wereld omvat... Zelfs in de roes van de overwinning, na het bestormen van de wallen, eerbiedigden zij de godheden van de overwonnenen en richtten overal een eredienst in, ook voor onbekende goden... Door zo de riten van alle volken over te nemen heeft Rome de titel verworven van heerser over hen allen." Het lijkt erop dat de keizer op dat moment alleen nog maar van plan was te stoppen met het vervolgen van de christenen, en hun God bij te zetten in de rij van de goden.

Omdat de God van de christenen op een ongebruikelijke manier tussen de goden werd bijgezet (door een vreedzaam besluit, en niet in het spoor van een militaire verovering), moest er ook een ongebruikelijke toelatingsweg worden bedacht. Daarvoor werd het edict opgesteld en uitgevaardigd dat bekendstaat als het Edict van Tolerantie, in het jaar 313. Door dit edict werd het wettig om de God van de christenen te aanbidden.

Waar was het de keizer werkelijk om te doen? Werd het edict misschien uitgevaardigd als middel om erachter te komen hoe talrijk de christenen eigenlijk waren? Bedenk dat het tot dan toe de gewoonte van de christenen was geweest om zoveel mogelijk uit de openbaarheid te blijven: ze kwamen samen in conventikels, op afgelegen plaatsen. Dacht de keizer er misschien al aan om de godsdienst van de christenen het enige toegestane geloof te maken? Dan moest hij eerst weten of er genoeg christenen waren om hun godsdienst tot de officiële godsdienst van het rijk te maken.

Hoe dan ook: het gevolg van het edict was dat de christenen in de openbaarheid traden, want dat was niet langer gevaarlijk. Ze bleken met velen te zijn — veel meer dan iemand had vermoed. Er waren overal christenen, van het ene einde van het rijk tot het andere, en ze waren betrokken bij alle zaken van de samenleving van die tijd. Blijkbaar hadden ze met veel succes gewerkt en, binnen de mode d'intégration van hun geloof, veel volgelingen gemaakt.

Bij het zien van deze massa werd er een tweede edict uitgevaardigd, dat de godsdienst van de christenen tot de officiële godsdienst van het rijk maakte. Heel raak is er in onze tijd over keizer Constantijn gezegd: "Als de soldaat en staatsman die hij was, zag hij in de God van de christenen een garantie voor de overwinning, een nieuwe, hemelse bekrachtiging van de vernieuwde monarchie — en in de christelijke godsdienst zelf de maatschappelijke metselspecie en de theologische steigers waarmee hij het keizerlijke bouwwerk zou kunnen opknappen" (en dat had het nodig).

Constantijn had het christendom veranderd in een rijksgodsdienst — en het "rijk" was het Romeinse Rijk. Nu horen we hem een kerkleider, Athanasius, waarschuwen: "Nu u mijn wil kent: verleen aan allen die erom vragen ongehinderd toegang tot de kerk" — blijkbaar stelden de kerkleiders nog altijd toelatingseisen — "...Als ik hoor dat u iemand in de weg hebt gestaan, zal ik u afzetten en uit het land verwijderen." We horen de keizer nu ook dit zeggen: "Omdat mij ter ore is gekomen dat bepaalde personen van onruststokend karakter" — hij doelt op het soort mensen dat wij het "Overblijfsel" zullen noemen — "met laaghartige voorwendsels mensen van de allerheiligste Kerk proberen weg te trekken, moet u weten dat ik Annulinus, de proconsul, en Patricius, de plaatsvervanger van de prefecten, opdracht heb gegeven om naast hun andere werk in het bijzonder op deze zaak te letten. U moet dus aantekening houden van zulke personen, wanneer zij volharden in hun laaghartige plannen."

Daarna kwamen de volgende bevelen van de keizer: "Wij bevelen allen over wie ons milde bewind zich uitstrekt, de godsdienst aan te nemen die volgens de overlevering door de gezegende Petrus naar Rome is gebracht... Wij bevelen iedereen de naam 'katholieke christenen' aan te nemen, en de rest" — er waren dus blijkbaar mensen die deden wat de keizer hier verbiedt — "zullen wij aanmerken als dwazen; zij zullen de smaad moeten dragen 'ketters' genoemd te worden... Zij zullen eerst onder de toorn van God vallen, en daarna onder de onze. Hun samenkomsten" — blijkbaar werden er nog altijd conventikels gehouden — "mogen geen kerken heten. Zij zullen niet alleen door goddelijke vergelding gestraft worden, maar ook door de onze — maatregelen, vastgesteld door goddelijke ingeving."

Uit de aangehaalde passages blijkt dat wat de "Constantijnse synthese" is gaan heten, werd aangevochten door christenen van wie het geweten het niet toeliet mee te gaan in de "katholieke" vorm waarin het christendom werd gegoten. Deze vroege groep in de samenleving werd bekend als de Donatisten, naar hun leider Donatus. In het kamp van deze Donatisten werd de weemoedige vraag gesteld: "Quid est imperatori cum ecclesia?" — te vertalen als: "Wat heeft de keizer toch met de kerk te maken?" (Zoals we zullen zien, klonk de naam "Donatisten" door heel de Middeleeuwen heen, en ook in de tijd van de Reformatie — en dat bij herhaling.)

Zoals te voorspellen was, waren de mensen van het "nieuwe tijdperk" er niet blij mee dat de Apostolische Geloofsbelijdenis, waar ze over de kerk spreekt, het woord "katholiek" niet bevatte. Dus werden er stappen gezet om dat toegevoegd te krijgen. Het was de man die bekend zou worden als "Sint-Augustinus" (vanwege zijn diensten bij het aanvaard krijgen van de Constantijnse synthese) die het woord "katholiek" wist binnen te brengen. Dat deed hij door aan het woord "kerk" de bijzin toe te voegen: "voor zover zij katholiek is". De duidelijke ondertoon was dat de Donatisten niet gezien mochten worden als deel van de kerk van Christus. Nadat die bijzin een tijdlang achter het woord "kerk" had gestaan, werd hij weggehaald en werd het bijvoeglijk naamwoord "katholiek" vóór het woord kerk gezet.

[Het is niet zonder betekenis dat er in de tijd van de Reformatie mensen waren, wederdopers genoemd, die bij het opzeggen van de Apostolische Geloofsbelijdenis het woord "katholiek" weglieten. En evenmin is het zonder betekenis dat er in die tijd over een exemplaar van de belijdenis waarin dat woord ontbrak, gezegd werd: "Zoals de gewoonte is bij de ketters."]

Niet lang na het uitvaardigen van het edict waardoor het christendom de officiële godsdienst van het rijk werd, schreef een woordvoerder van het "christendom" (de naam die wij zullen geven aan de iedereen-omvattende kerk die uit de Constantijnse synthese voortkwam), een aanhanger van de synthese, een man met de naam Firmicus Maternus, in een geschrift met de titel De Errorum Prophanorum (Over de dwalingen van de goddelozen): "Dankzij uw wetten zal het nu niet lang meer duren of de demon is volledig verslagen, nu de afgoderij wordt uitgedoofd en de walgelijke besmetting wordt weggevaagd... Aarzel niet de tempels van hun sieraden te ontdoen. Laat de goden in het vuur worden omgesmolten voor het munten van uw geld, in de vlammen van uw smelterijen. Verbeurdverklaar al hun bezittingen tot uw eigen voordeel. Maak het allemaal uw eigendom. Sinds de afbraak van de heidense tempels begonnen is, heeft de goddelijke macht uw kracht steeds groter gemaakt."

Een van de meest verstrekkende dingen in de geschiedenis van de kerk was een stelling die in deze tijd opdook: "Ketterij moet worden opgevat als een misdrijf tegen de staat. Alles wat kwaad is en op het gebied van de godsdienst wordt bedreven, moet als misdaad gelden." In deze stelling zien we de confusio regnorum openlijk aan het woord komen. (Zij maakte het Eerste Amendement nodig.)

Wij laten het eindoordeel over keizer Constantijn, de man die zo'n grote rol speelde in de verandering van het christendom in "christendom", over aan een veel hogere Rechter. Maar dit zeggen we wél: gemeten aan Bijbelse maatstaven was de bekering van deze man niet meer dan Ersatz (Duits voor "namaak"). Zijn ommezwaai kwam niet voort uit de boodschap van het evangelie, maar uit het zien van een ongewone wolkenformatie — een voorteken, en dan nog wel een militair voorteken. Hij zag aan de hemel een unieke combinatie van wolken en lichtstrepen, waarvan de boodschap zogenaamd luidde: "In hoc signo vinces" — "In dit teken zult u overwinnen!" Het "teken" in kwestie was een kruisachtig samenspel van wolken en lichtstralen. Zijn we onaardig als we zeggen dat zo'n "bekering" moeilijk te rijmen valt met de blauwdruk die in de Bijbel is neergelegd?

Ook het labarum (zoals het genoemd werd) bevalt ons niet — het veldteken dat Constantijn door zijn dienaren liet maken en boven de ingang van zijn oorlogstent liet aanbrengen. Het zag eruit als een letter p met een ongewoon lange stok, en op die stok was de Griekse "ch" bevestigd (die eruitziet als onze X). Het labarum moest een weergave zijn van de eerste twee letters van het Griekse woord "Christus". Wij houden niet van het labarum op zichzelf, en het bevalt ons niet dat het bedoeld was voor een oorlogstent. Evenmin zijn we er dankbaar voor dat zo'n labarum de binnenkant van hedendaagse kerkgebouwen siert (nee, het woord "sieren" had hier niet gebruikt mogen worden). Het bevalt ons ook niet dat de stukjes ijzer die Constantijns moeder hem stuurde — zogenaamd de verroeste spijkers van het kruis waaraan Christus had gehangen — aan een smid werden gegeven met de opdracht er een bit van te maken, waarmee de keizer zijn strijdros in bedwang kon houden. En het doet ons geen genoegen dat Constantijn zijn smid een tweewielige kar liet bouwen, de "carroccio", waarop een altaar en een kruisbeeld stonden, door paarden getrokken, voorop in de stoet die weer een ander Volk ging onderwerpen. Al is het goed om niet af te geven op andermans gebeden, dit zeggen we wél: het volgende gebed, dat Constantijn zijn soldaten liet nazeggen, sticht niet: "U alleen erkennen wij als God. U belijden wij als Koning. U roepen wij aan om hulp. Van U verwachten wij onze overwinningen. Door U hebben wij onze vijanden overwonnen. U danken wij voor de weldaden van vroeger, en van U hopen wij ze ook voortaan te ontvangen. U smeken wij: bewaar onze keizer tot in lengte van dagen, hem en zijn godlievende zonen, veilig en zegevierend." In dit gebed vraagt de rex of God zijn optreden ad extra wil zegenen — zijn optreden naar de wereld buiten zijn rechtsgebied, met de bedoeling die in te lijven. Dat is nu precies waar de HEERE (volgens 1 Samuël 8:20) Zijn afkeuring over uitsprak — precies de bezigheid waaraan de mensen van het Overblijfsel zich niet vrij voelden om deel te nemen.

De meeste mensen van die tijd gingen mee in de vermenging van de rijken, maar er waren er ook (we zeiden het al) die besloten níét mee te gaan. Heel raak werd er later gezegd: "Toen Sylvester, de eerste paus, zijn macht aannam van de draak die Constantijn heette, hechtte hij diens gif aan de hele kerk. Geleid door Satan bedroog Sylvester de keizer... Toen Sylvester Constantijn had ontvangen, gaf de keizer aan allen die zich christenen noemden" — let op: de spreker zegt niet dat het christenen wáren, alleen dat ze zich zo noemden — "in heel zijn rijk grote vrede. In die tijd drongen de pest die in het donker rondgaat en het verderf dat midden op de dag verwoest" — een verwijzing naar wat we lezen in Psalm 91:6 — "machtig naar binnen, toen het kruis werd opgeheven en aan een zwaard werd vastgesmeed, allemaal door de sluwheid van de duivel." In dezelfde geest horen we de Engelsman Beda Venerabilis zeggen: "In het bondgenootschap van Constantijn en Sylvester begon de antichrist zich te openbaren."

Lijnrecht tegenover deze beoordeling van de zaak vinden we Augustinus, die als volgt redeneert: "Onder Nebukadnezar werd een beeld gegeven van zowel de tijd die de Kerk onder de apostelen doormaakte, als van de tijd die zij nu beleeft. In het tijdperk van de apostelen en martelaren werd vervuld wat werd afgebeeld toen genoemde koning godvruchtige en rechtvaardige mannen dwong voor zijn beeld te buigen, en allen die weigerden in de vlammen wierp. Nu echter wordt vervuld wat kort daarna werd afgebeeld, toen dezelfde koning, bekeerd tot de ware God, in heel zijn rijk het besluit uitvaardigde dat ieder die kwaadsprak van de God van Sadrach, Mesach en Abed-Nego, de straf zou ondergaan die zijn misdaad verdiende. De eerdere periode van die koning staat voor het vroegere tijdperk van de keizers, die niet in Christus geloofden, onder wie de christenen leden door toedoen van de goddelozen; maar de latere periode van deze koning staat voor het tijdperk van de opvolgers op de keizertroon, die nu in Christus geloven, en onder wie de goddelozen lijden door toedoen van de christenen." Dat, zo durven wij te zeggen, is wonderlijk vreemde Schriftuitleg — geboren uit de confusio regnorum die de ecclesia "katholiek" aan het maken was.

Ook het volgende laat zien hoe diep Augustinus in de confusio regnorum gevangen zat. Mensen van "Donatistische" overtuiging stelden: "In de geschriften van de evangelisten en de apostelen is geen enkel voorbeeld te vinden van een verzoekschrift, gericht aan de koningen van de aarde..." Daarop schreef Augustinus: "Wie ontkent dat? Zo'n voorbeeld is er inderdaad niet! Maar in die tijd was de profetie nog niet vervuld: 'Nu dan, koningen, handel verstandig. Laat u onderwijzen, rechters van de aarde. Dien de HEERE met vreze.'" (Augustinus besefte kennelijk niet dat het hoogst twijfelachtige Schriftuitleg is om het geven van een vermaning te veranderen in het voorspellen van geschiedenis.)

Augustinus had de gewoonte er telkens weer op te wijzen dat er in de gelijkenis van de bruiloft twee werkwoorden staan: "nodigen" en "dwingen". Het eerste werkwoord zou ons brengen bij de eerste tien generaties christenen, het tweede bij het begin van het "christendom" in de tijd van Constantijn. Dat was een veel te zwak haakje om er zo'n ingrijpende verandering in de kerk aan op te hangen. Bovendien hoeft de overgang van "nodigen" naar "dwing hen binnen te komen" niet meer te betekenen dan: "Ga, en doe nóg meer je best om ze binnen te brengen, want er zijn nog lege plaatsen."

Augustinus probeerde het beleid van het "christendom" te rechtvaardigen om met het zwaard te verhinderen dat mensen het iedereen-omvattende geloof zouden verlaten en hun eigen weg zouden gaan (zoals de Donatisten deden). Dat deed hij met de woorden: "Zocht Israël niet de twee en een halve stam uit te roeien... die zich losmaakten van de eenheid van het volk?" Zó "katholiek" was de kerk geworden, dat ze bereid was niet-aangeslotenen én uittreders uit te roeien.

Een van de treurigste gevolgen van de Constantijnse synthese van kerk en staat was dat de formule van het behouden-zijn werd versmald tot het juridische vlak. Verlossing heette nu alleen nog een zaak van vergeving, van verandering van status — en niet langer een zaak van vernieuwing, van verandering van toestand. Die twee elementen waren echter bedoeld als wéér een ellips. En nu werd ook deze ellips tot een cirkel gemaakt. Dat rondmaken laat zich heel eenvoudig verklaren. De mensen van het "christendom" hadden zich verbonden aan de gedachte van het totalisme: iedereen moest erbij, wie dan ook. En ze beseften: je kunt mensen wel zover krijgen dat ze zich onderwerpen aan een ritueel dat vergeving aanreikt, maar niet dat ze meewerken aan een ritueel dat vernieuwing aanreikt — want dat vraagt om het nalaten van een lange lijst gedragingen die allerminst verafschuwd worden. Dus werd de verlossing teruggebracht tot vergeving, tot verandering van status. Het gevolg was een openlijk "alles mag" (bekend als latitudinarisme). Dat was natuurlijk een terugval in de heidense manier van denken. De apostel Paulus was haar tegengekomen bij de mensen van Korinthe, waar dit "alles mag" zó gewoon en zó uitgesproken was, dat er zelfs een werkwoord voor was uitgevonden: korinthiadzein, "tekeergaan op z'n Korinthisch". In 1 Korinthe 10 haalt Paulus de spreektaal van Korinthe aan, en dat tot twee keer toe, wanneer hij schrijft: "Alle dingen zijn mij geoorloofd" — waarbij hij er beide keren een "maar" aan toevoegt dat over het gedrag gaat.

Het was te voorspellen dat het oprukkende latitudinarisme bij sommigen op weerstand zou stuiten. Een van hen was een deugdzame vrouw die bekendstond als "vrouwe Felicia". Zij uitte haar schrik over het voortwoekerende "alles is geoorloofd", vooral zoals dat zichtbaar werd in het leven van de geestelijken. Toen Augustinus hoorde van de zorgen van deze vrouw over de gang van zaken, schreef hij haar een brief, waarin we lezen: "Wees niet al te zeer verontrust door deze aanstoot... er zijn er die het eervolle ambt van herder bekleden om voor de kudde van Christus te zorgen; anderen bekleden die positie om te genieten van de tijdelijke eer en de wereldse voordelen die eraan verbonden zijn... Over de slechte herders heeft Christus de schapen vermaand met deze woorden: 'De schriftgeleerden en de Farizeeën zijn gaan zitten op de stoel van Mozes; daarom, al wat zij u zeggen dat u in acht moet nemen, neem dat in acht en doe het; maar doe niet overeenkomstig hun werken'... In de katholieke kerk zijn goeden én kwaden...; maar zij die zich van de Kerk afscheiden, kunnen niet goed zijn, ook al lijkt een ogenschijnlijk prijzenswaardige levenswandel te bewijzen dat sommigen van hen goed zijn" — let op het onbedoelde getuigenis over het voorbeeldige gedrag van de "Donatisten" — "...De afscheiding van de Kerk maakt hen slecht, helemaal op zichzelf al." Of "vrouwe Felicia" Augustinus van repliek heeft gediend (zoals ze had moeten doen), weten we niet. Maar wij vermoeden dat zijn brief haar er alleen maar zekerder van maakte dat het de verkeerde kant op ging met de vernieuwingskant van de verlossing. Evenmin weten we of ze naar de conventikels van het afwijkende "Overblijfsel" is gegaan (zoals ze naar onze mening had moeten doen).

Er werden allerlei edicten uitgevaardigd om het leven zuur te maken voor de critici van het "christendom" dat zich aan het ontwikkelen was — edicten met voorgeschreven straffen, verbeurdverklaringen, verbanning, onbevoegdheid om na te laten of te erven, enzovoort. Allemaal burgerlijke maatregelen. Toen andersdenkenden die door deze edicten, deze onrechtvaardigheden, getroffen werden hun beklag deden, nam Augustinus het op zich te antwoorden — temeer omdat hij en de zijnen niets deden om dat onrecht aan de kaak te stellen. Hij schreef:

"Was het mijn plicht dit tegen te houden, zodat u niet zou verliezen wat van ú is, terwijl u ondertussen Christus berooft van wat van Hém is? Zodat u uw testamenten kunt opstellen naar Romeins recht, terwijl u ondertussen met uw laster het testament breekt dat door de beschikkingen van de goddelijke wet aan de vaderen is gegeven — de wet waarin geschreven staat: 'In uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden'? Zodat u vrij kunt handelen in kopen en verkopen, terwijl u voorbijgaat aan wat Christus verworven heeft door Zichzelf als koopprijs te geven? Zodat de gift die ú aan een ander overdraagt geldig blijft, terwijl de gave die God aan Zijn kinderen schenkt ongeldig wordt gemaakt? Zodat u niet uit uw geboorteland verbannen wordt, terwijl u eraan werkt Christus te verbannen uit het koninkrijk dat met Zijn bloed gekocht is — een koninkrijk dat reikt van zee tot zee, van de rivier tot de einden der aarde? Nee, waarlijk: laat de koningen van de aarde Christus dan maar dienen door wetten uit te vaardigen voor Hem en voor Zijn zaak!" Kan iemand nog dieper verstrikt raken in de confusio regnorum, nog verlammender gevangen zitten in de haat tegen het compositisme die bij de etnische godsdiensten hoort?

Heel scherpzinnig is er (door de geschiedschrijver Neander) gezegd: "Het was Augustinus die een theorie voorstelde en grondvestte die de kiem bevatte van heel dat stelsel van geestelijk despotisme, van onverdraagzaamheid en vervolging, dat uitliep op de rechtbanken van de Inquisitie." Neanders doordachte uitspraak maakt ons dankbaar dat er een tijd kwam waarin het Eerste Amendement werd aangenomen — een amendement dat bedoeld was om een einde te maken aan dat "geestelijke despotisme van onverdraagzaamheid en vervolging".

Terwijl Augustinus de veralgemening, het katholiek-maken van het geloof, probeerde te rechtvaardigen, moest hij natuurlijk heel wat bijstellen en veranderen. Eén zo'n verandering was dat hij het zwaard, met zijn dwang, binnenbracht in het programma van de erlösende Gnade. Daardoor moest hij de persoon en de zending van Johannes de Doper, de wegbereider, volledig negeren. Toen het Augustinus ter ore kwam dat er een groep was die zich uitsprak tegen het gebruik van geweld om mensen ervan te weerhouden uit het "christendom" te stappen, schreef hij: "Ik hoor dat u gewoon bent aan te halen wat er geschreven staat: dat toen de zeventig volgelingen van Jezus terug wilden gaan, Hij hen liet gaan" — om er meteen op te wijzen dat toen een deel van Israël zich wilde afscheiden, dat streng werd tegengegaan. Om de gedachte ingang te doen vinden dat geweld ook op het gebied van de godsdienst goed en geoorloofd was, betoogde Augustinus dat Paulus op het geestelijke vlak aan geweld onderworpen was geweest, toen hij met blindheid werd geslagen. Augustinus ging eraan voorbij dat Paulus door een wónder verblind was, zodat het beslist niet bedoeld was als een patroon voor algemeen gebruik, voor alle tijden en in alle zaken.

Het valt nauwelijks te ontkennen dat het denksysteem van Augustinus in ere werd gehouden en nagevolgd, al de ruim duizend jaren door die op de geboorte van het "christendom" volgden. De gedachte van dwang werd omarmd. In die tijd werd wel tachtig procent van de Joden die in Spanje en Portugal woonden, onderworpen aan wat Zwangtaufe heette: gedwongen doop. Op het Lateraans Concilie van het jaar 1215 werd voor alle Joden het dragen van een schandteken voorgeschreven (een rode cirkel, gebrand op de linkerschouder). In het jaar 1266 schreef Clemens, de paus van het "christendom", aan de koning van Aragon met de aansporing om alle Mudéjares (Moren) van zijn grondgebied te verdrijven. Op het concilie van Wenen, gehouden in 1311, beval Clemens V alle vorsten om de muezzin de gebedsoproep vanaf de minaret te verbieden. De vorsten gehoorzaamden niet. Daarop werd het bevel herhaald, op het concilie van Tarragona in 1327, en nog eens op het concilie van Tortosa in 1429 — toen met de toevoeging: "bij de ingewanden van de goddelijke barmhartigheid".

Het spreekt vanzelf dat de veralgemening die met de Constantijnse synthese meekwam, zou doorwerken in de theologie. Het begrip ex opere operato werd uitgevonden (te vertalen als: "gedaan door het doen zelf"). Deze formule garandeert volledige dekking; ze betekent pure veralgemening. Ze was bedoeld om te voorkomen dat er door het maken van keuzes een scheidslijn zou ontstaan. Ze maakte de dingen automatisch. Ze leidde tot de gedachte dat overal waar het doopwater terechtkomt, het de verlossing meebrengt. Daarom ging de doop "kerstenen" heten: een handeling waardoor iemand zogenaamd "christen wordt". Wanneer een stam door de legers van Rome verslagen was, kregen de leiders van die stam de opdracht om te paard een rivier over te steken. En terwijl het water het hoogst opspatte, sprak een priester van het "christendom" de doopwoorden uit, zoals die in Mattheüs 28:19 staan. Daarna ging er bericht naar Rome dat er wéér een stam "gekerstend" was en door die plechtigheid deel was geworden van het "christelijke" rijk. Als dit geen ex opere operato was, wat dan wel? Het was maar goed dat de Schrift was opgeborgen — want daarin staat dat Johannes de Doper, de "grondlegger" van de doop, niet alleen naliet om verlossing over mensen uit te sprenkelen tegen hun wil, maar zelfs weigerde mensen te dopen die er wél om vroegen maar geen blijk gaven van bekering — van gebondenheid aan een etnische godsdienst naar de omhelzing van het christelijk geloof.

Het is niet verrassend dat in Noordwest-Europa, een gebied waar velen het christelijk geloof al omhelsd hadden vóór de geboorte van het "christendom", de verheidenste versie van het christendom een tijdlang helemaal niet "verkocht". Terwijl die verheidenste versie door velen werd aangenomen, horen we een christen bedroefd zeggen: "De ongelukkige Saksen zijn het sacrament van de doop kwijtgeraakt, omdat ze in hun hart het fundament van het geloof nooit gekend hebben. Bedenk dat geloven een zaak is van een vrije wil, niet van dwang... Je kunt een mens wel dwingen tot de doop, maar niet tot geloven."

We wezen er al op dat met de Constantijnse synthese ook het antisemitisme en de Zwangtaufe meekwamen. Het begon meteen: al heel snel werd een synagoge, in een plaats die Callinicum heette, in brand gestoken op bevel van functionarissen van de "gevallen" kerk. Het pleit voor keizer Theodosius dat hij beval de synagoge op staatskosten te herbouwen. Op dat bevel antwoordde een belangrijke figuur in het "christendom", bisschop Ambrosius, woedend: "In deze zaak sta ik één met de bisschoppen. Ik zeg dat ík die synagoge heb platgebrand, dat ík bevel heb gegeven haar in brand te steken — opdat er geen plaats overblijft waar Christus geloochend wordt... Moet er nu een huis gebouwd worden voor Christus-loochenaars, gebouwd met het geld van de Kerk? Geeft u een overwinningsteken weg over het volk van Christus? Vreugde, o keizer, voor de ongelovigen? Een feest voor een synagoge? Vernedering voor de Kerk van Christus?

God zegt tegen u: 'Ik gaf u de overwinning over uw vijanden — en geeft u nu de overwinning over Mijn volk?' Wiens taak is het trouwens om die synagoge te wreken? Van Christus, nietwaar — de Christus Die zij gedood hebben en Die zij loochenen?"

De mensen van het "christendom" hadden de gedachte van een situatie met twee elementen in het hier-en-nu verworpen. Dan verbaast het niet dat ze ook verlegen zaten met de gedachte van twee elementen in het hiernamaals — zó verlegen, dat ze het idee van een soort tussenstation uitvonden, waar alle mensen bij hun sterven naartoe zouden gaan. Dat tussenstation werd het "vagevuur" genoemd: een plaats waar een reiniging zou plaatsvinden die in dit leven niet had plaatsgevonden — verlossing was immers zogenaamd alleen maar een zaak van vergeving.

Omdat er in de Middeleeuwen een Overblijfsel wás, verbaast het niet dat er onder de geschriften die uit dit Overblijfsel voortkwamen — geschriften die de gewoonte van het "christendom" om zulke geschriften op te sporen en te vernietigen, overleefd hebben — een traktaat is met de naam Het verzonnen vagevuur.

Het verbaast niet dat het "christendom" verlegen zat met de functie van een gepredikte boodschap: een boodschap in woorden, waarop geantwoord kán worden (en geantwoord zál worden) op één van twee manieren — met een "ja" of met een "nee" — en die daarmee een samengestelde samenleving voortbrengt, precies wat een rijksgodsdienst niet verdragen kan. Dus bracht het "christendom" het Woord naar zolder en zette het "sacrament" op zijn plaats — een "sacrament" is immers een ritueel waarin het maken van een keuze met opzet ontbreekt. (Het Woord hoort bij vissen met de hengel; het "sacrament" hoort bij vissen met het net.)

En het verbaast evenmin dat er met de komst van het "christendom" parochies werden geschapen — een parochie is tegelijk een politieke én een kerkelijke eenheid. Wie in een bepaalde parochie woonde, was nu verplicht de kerk van die parochie te bezoeken en te onderhouden. Elke parochie had haar eigen priester. (Het woord "parish" heeft het overleefd; het is nog te horen in sommige streken van het zuiden van de Verenigde Staten, maar heeft daar zijn "godsdienstige" kleur verloren en betekent er hetzelfde als het woord "county" in de rest van het land: een bestuursdistrict.)

Zoals we al zagen, werd met de geboorte van het "christendom" het zwaard dat bij de erhaltende Gnade hoort, overgebracht naar het terrein van de godsdienst. Zo vinden we al in het jaar 553 paus Pelagius, die ex cathedra (het woord cathedra kan vertaald worden als "zetel van waaruit bevelen worden gegeven") verklaart: "Voor de bedwinging van ketters en scheurmakers" — in de taal van de paus betekenen die twee woorden hetzelfde — "heeft de Kerk ook de wereldlijke arm tot haar beschikking, als mensen niet door redenering tot bezinning gebracht kunnen worden." De uitspraak van Petrus bij de arrestatie van Jezus — "Heere, zie, hier zijn twee zwaarden" — werd zó uitgelegd (in de woorden van Raymond Lull, een woordvoerder van het "christendom"): "De katholieke Kerk heeft, zoals het evangelie ons leert, twee zwaarden: het tijdelijke zwaard (het zwaard van de strijd) en het geestelijke zwaard (kennis en vroomheid). Met deze twee zwaarden heeft de Kerk alles in huis om alle ongelovigen op de weg van de waarheid te brengen... Wordt het verzet daartegen gewelddadig, dan mag de paus het wereldlijke zwaard tegen hen gebruiken." (Dat is confusio regnorum in hoofdletters.)

Hetzelfde geldt voor het volgende, in de late Middeleeuwen opgesteld door een rechtsgeleerde, Philippe de Beaumanoir, een woordvoerder van het "christendom": "Als een man ongelovig is in zaken van het geloof, moet hij door onderricht tot het ware geloof worden teruggebracht. Weigert hij te geloven en wil hij liever vasthouden aan zijn goddeloze dwaling, dan moet hij als ketter worden berecht en verbrand. In dat geval moet echter het wereldlijke recht de Heilige Kerk te hulp komen: want wanneer iemand door het onderzoek van de Heilige Kerk als ketter is veroordeeld, moet de Heilige Kerk hem overdragen aan het wereldlijke recht, en dat wereldlijke recht moet hem dan verbranden — aangezien het geestelijke recht niemand ter dood behoort te brengen." Dat overdragen aan het "wereldlijke recht" gebeurde geregeld. Zo kon het "christendom" alle concurrentie verpletteren zonder bloed aan zijn keurige vingers te krijgen. (Op deze monsterlijke rechtsleer komen we terug in het aanhangsel bij dit boek.)

We geven een paar voorbeelden van dit monster in actie. Eén voorbeeld zijn de "kruistochten" die ondernomen werden om de westelijke vleugel van het "christendom" de militaire overhand te geven over de oostelijke vleugel. Over die "kruistocht" zei een paus van het "christendom" dit: "De zwaarden, doordrenkt met christenbloed — zwaarden die tegen de heidenen gebruikt hadden moeten worden — hebben leeftijd noch geslacht gespaard, terwijl bloedschande, overspel en ontucht in het volle zicht werden bedreven en getrouwde vrouwen en maagden aan vuige omhelzingen werden onderworpen. Al zijn de mannen niet geheel zonder schuld, toch geloven wij dat de Grieken, die het naadloze kleed van Christus wilden scheuren, het verdiend hebben. Zij weigerden de gezegende Petrus, vorst van de apostelen, als hun herder te aanvaarden, en zij hebben hongersnood en honger ontvangen. Slechte mensen zijn op slechte wijze vernietigd, opdat het land toevertrouwd zou worden aan landlieden die de vrucht op hun tijd zullen opbrengen." (Het was om herhaling van zulke slachtpartijen te voorkomen dat het Eerste Amendement werd ontworpen en twee eeuwen geleden bekrachtigd in de "Nieuwe Wereld" — een gebied waar het inslaan van een nieuwe, nooit eerder vertoonde richting in allerlei zaken bepaald niet ongewoon was.)

Om een helder beeld te krijgen van de gevolgen van de "grote blunder" halen we ook het volgende aan, afkomstig van Innocentius III na de bloedige uitroeiing van de Albigenzen: "God heeft in Zijn barmhartigheid het land van Zijn volk gereinigd, en de pest van de goddeloosheid, die als een kanker was gegroeid en heel de Provence had aangetast, is gedoofd en verdreven. Zijn machtige hand heeft vele steden en plaatsen ingenomen waar de duivel woonde in de personen van hen die hij in bezit had, en er wordt een heilige woning voor de Heilige Geest bereid in de personen die Hij in de plaats van de verdreven ketters heeft gesteld. Daarom prijzen wij de almachtige God dat Hij Zich verwaardigd heeft, in één en hetzelfde werk van barmhartigheid, een tweevoudige gerechtigheid uit te werken: door het trouweloze volk zijn verdiende ondergang te brengen, en wel zó dat zoveel mogelijk getrouwen hun welverdiende loon zouden ontvangen. Door de uitroeiing van dat volk heeft Hij Zich verwaardigd om, in en met hun vernietiging, rijkdom (ja meer: verlossing) te schenken aan het leger van kruisvaarders dat door de hand van onze legaten over hen gezegevierd heeft." (Het zal de lezer opgevallen zijn dat "verlossing" voor Innocentius III iets tussen haakjes is.)

Liever dan nog meer van het afschuwelijke gedrag op te sommen dat uit de Constantijnse synthese voortkwam, gaan we verder met de veranderingen op het gebied van de leer. Wat er werkelijk gebeurde toen het christendom werd omgevormd tot "christendom", was dit: beide partijen die tot dan toe betrokken waren in het programma van de erlösende Gnade, kregen te horen dat ze konden ophouden — met vakantie konden gaan. Paulus had beschreven wat er gebeurt bij de verlossing van mensen (in Filippenzen 2:12-13): "Werk aan uw eigen zaligheid met vrees en beven, want het is God, Die in u werkt..." Met de komst van het "christendom" werden beide partijen met vakantie gestuurd. Het "werk aan uw eigen zaligheid" werd afgeschaft, want de verlossing werd nu geschonken door het "kerstenen" van mensen die nog te jong waren om ook maar érgens aan te werken — laat staan aan hun verlossing. En in plaats van God "Die in u werkt" kwam er een gilde van priesters: mannen aan wie (zogenaamd) de macht gegeven was om verlossing te bezorgen aan iedereen die zíj wilden "redden". Mens noch God had nog een "agenda" — dingen die gedáán moeten worden.

Nu we gezegd hebben dat het Nieuwe Testament het begrip "sacrament" niet kent, zijn we het (aan de lezer) verplicht dat te onderbouwen. Om het wóórd "sacrament" gaat het niet: het is een eenvoudig feit dat dit woord in het Nieuwe Testament niet voorkomt. Maar het begrip dan? Sommigen hebben geprobeerd het begrip "sacrament" af te leiden uit het woord "geheimenis". Maar dat houdt geen stand. Paulus zegt in 1 Korinthe 15:51: "Zie, ik vertel u een geheimenis" — en dat "zie" zou je nog kunnen opvatten als een verwijzing naar iets wat vertoond wordt, een sacramentele handeling. Maar in plaats van iets te laten zien, gaat hij zijn hoorders iets vertellen — iets in woorden, in zinnen.

Omdat de Bijbel het woord "sacrament" niet gebruikt, zijn de theologen het er nooit over eens geworden hoevéél sacramenten er zijn. Zo heeft een rooms-katholiek van onze tijd gezegd dat het er veertig zijn — al zegt zijn kerk officieel dat het er zeven zijn. Luther lijkt (in elk geval aanvankelijk) drie sacramenten gehad te hebben. Calvijn zei dat het er maar twee waren — al sprak hij daarnaast van een half dozijn "sacramentele handelingen", zoals de slang op de paal, het vlies van Gideon, het manna, enzovoort.

Hier is de vraag op zijn plaats waarom de voetwassing nooit een sacrament is gaan heten — en dat terwijl Jezus in verband met dit ritueel zei: "Als Ik u niet was, hebt u geen deel met Mij." Als we vragen waarom de voetwassing geen sacrament werd, zou het antwoord kunnen zijn: omdat er voor de voetwassing geen gewijde persoon nodig was — wijding is immers het ritueel waarmee (zogenaamd) het vermogen wordt overgedragen om iets uit te delen. De voetwassing deden de gewone gelovigen bij elkáár, zoals Jezus het had voorgedaan.

Waar de Nederlandse Geloofsbelijdenis over het "sacrament" spreekt, zegt ze dat sacramenten bevestigend zijn: ze zeggen in een handeling wat al in woorden gezegd was. Dat betekent dat het "sacrament" zich tot het Woord verhoudt zoals het geven van een kus zich verhoudt tot de woorden "ik houd van je".

We hebben laten zien dat er in de heidense godsdiensten van de nieuwtestamentische tijd wel degelijk sacrament bestond (denk aan het tafereel rond keizer Decius, toen hij de eerste christenen probeerde op te sporen). Denk er ook aan dat Paulus in zijn brief aan de Korinthiërs de christenen bestraft omdat ze de gedachtenismaaltijd vermengden met het heidense sacrament. Ook dat laat zien dat het begrip "sacrament" ouder is dan de prediking die Paulus daar bracht; het kwam er niet uit voort. Als Paulus de Korinthiërs niet gewaarschuwd had tegen het vermengen van de Agape met het heidense sacrament, zou er zelfs geen enkel bewijs zijn van een ritueel rond een táfel in de vroege gemeente (laat staan van een ritueel rond een altaar). En het is niet zonder betekenis dat Paulus zei dat hij niet "gezonden" was om mensen te dopen, maar om het evangelie te verkondigen (1 Korinthe 1:17).

Nu we Paulus hebben horen zeggen dat hij niet gezonden was om te dopen maar om het evangelie te verkondigen, verbaast het ons niet meer dat de mensen van het "christendom" niet Paulus in het middelpunt zetten, maar Petrus. In de ogen van Paulus worden mensen verlost door het antwoord op de prediking; in de ogen van het "christendom" worden ze verlost door een ritueel te ondergaan. Geen wonder dat ze Paulus op de tweede plaats zetten. Paulus legde te veel nadruk op de prediking, en te weinig op het "sacrament".

Vóórdat er "sacrament" kan zijn, moet er "wijding" zijn: een ritueel waarin (zogenaamd) het vermogen om uit te delen wordt overgedragen. In dat licht is het opvallend dat het Nieuwe Testament, naar het oordeel van deze schrijver, het begrip wijding in die zin niet kent (al kent het duidelijk wél het begrip dienaar, leider, woordvoerder). In de theologie van het "christendom" houdt de wijding zelfs de overdracht in van het vermogen om brood te veranderen in het lichaam van Christus. Johannes de Doper was, zo blijkt, niet gewijd. De twaalf apostelen evenmin, en Paulus niet, en Apollos niet. We stellen niet voor om het begrip van plechtige en heilige rituelen op te geven; we vragen alleen dat de naam die het "christendom" eraan gegeven heeft, wordt losgelaten.

We zijn het dan ook eens met een behoudende Nederlandse predikant, Los genaamd, waar hij schrijft: "Laat niet vergeten worden dat het langzamerhand de gewoonte werd om doop en avondmaal en andere heilige instellingen 'sacramenten' te noemen, en dat deze woorden gaandeweg gingen staan voor zichtbare middelen tot het meedelen van onzichtbare genade. Zoals bekend hebben de Hervormers het begrip van zulke middelen-tot-meedeling verworpen" — we hadden gewild dat ze dat allemaal in duidelijker taal gedaan hadden — "maar wat ze hadden moeten doen, was het hele sacramentele stelsel van de katholieke Kerk verwerpen, de naam zowel als de zaak, en daarna eigen, zuivere namen bedenken voor doop en avondmaal... Een in het oog springende fout van de Reformatie was dat men niet begon ab ovo" — vanaf het ei, bij het allereerste begin — "...In het Nieuwe Testament staat het Woord in het midden van het toneel en staan de 'sacramenten' in de schaduw... Aan de Korinthiërs schreef Paulus: 'Christus heeft mij niet gezonden om te dopen', en zo had het moeten blijven. Maar er vond een heidense ontwikkeling plaats, die je met recht een omkering van rangorde kunt noemen. Het eerste werd het tweede. De katholieke godsdienst is een mis-godsdienst, en een mis-godsdienst is een mís-godsdienst. De dienst van het Woord heeft er niet de centrale plaats die hij heeft in de ogen van Christus en van Paulus... Het sacrament zet ons midden in de ontwikkeling van het heidendom van de katholieke Kerk." Omdat het woord "sacrament" in de Heilige Schrift niet voorkomt en door het "christendom" is ingevoerd, is het inconsequent als andersdenkenden die zich van dit "christendom" afkeren, het woord blijven gebruiken.

Gerelateerde artikelen

Alle