De overheid en het overblijfsel

De vroege gemeente

Hoofdstuk 5 van 17·23 min leestijd
33%

Uit het programma dat Johannes de Doper begon en dat Christus voortzette, kwam de gemeente van Christus voort. We hebben er al op gezinspeeld dat deze gemeente van Christus na drie eeuwen werd omgevormd tot het "christendom". In dit hoofdstuk bekijken we de gemeente van dichtbij zoals ze eerst was. In een volgend hoofdstuk doen we hetzelfde met de kerk zoals ze geworden is.

De vroege gemeente zag zichzelf als een "ecclesia" (dat Latijnse woord betekent "eruit geroepen"). Haar leden zagen zichzelf als "ketters", dat wil zeggen (zoals we eerder hebben laten zien): als mensen die zelf een keuze hadden gemaakt tussen de mogelijkheden die voor hen openlagen. Zij hielden de waarschuwing levend die hun Heere gaf toen Hij Zijn eerste discipelen op hun eerste zendingsreis uitzond: "Denk niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde"(Mattheüs 10:34) — waarbij "vrede" hier zoveel betekent als: enkel het bij elkaar horen, meer niet. En zij hielden het onderwijs van Jezus levend dat er als gevolg daarvan een scheidslijn zou verschijnen, een lijn die in het uiterste geval dwars door een gezin loopt. Ze onthielden dat Jezus deze "eerste opdracht" begon met "Denk niet..." — omdat mensen, als ze aan zichzelf worden overgelaten, steevast het verkeerde doen: dan bouwen ze een rijksgodsdienst, een godsdienst die vervolgens een hele bevolking samenbindt.

De gedachte van een samengestelde samenleving was zó nieuw, en haar kijk op de mode d'intégration zó ongehoord, dat het enige tijd duurde voordat de eerste christenen de draagwijdte van de nieuwe formule helemaal doorhadden. Dat het zo lag, blijkt duidelijk genoeg — bijvoorbeeld uit de eerste brief van Paulus aan de christenen in Korinthe: "En ik wil niet, broeders, dat u er geen weet van hebt dat onze vaderen" — hij doelt hier op Israël vóór de komst van Johannes de Doper — "allen onder de wolk waren en allen door de zee zijn gegaan, en dat allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee, en allen hetzelfde geestelijke voedsel gegeten hebben" — dat wijst op het manna — "en allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben" — dat wijst op het slaan op de rots, waardoor Israël het nodige drinkwater kreeg. "Maar in de meesten van hen heeft God geen welgevallen gehad, want zij zijn neergeveld in de woestijn" (1 Korinthe 10:1-5).

Hier probeert de apostel Paulus de bekeerlingen in Korinthe te laten beseffen dat het tijdperk van "allen" voorbij was — voorbij sinds de komst en het optreden van Johannes de Doper. De pasbekeerde christenen in Korinthe waren nog niet voldoende losgekomen van de vermenging van de twee genades. Ze hadden nog niet helemaal "geslikt" dat het christelijk geloof niet gewoon de zoveelste rijksgodsdienst is, niet zomaar wéér een etnische godsdienst. Vandaar die reeks van "allen" in dit gedeelte. Paulus wilde de bekeerlingen in Korinthe laten inzien dat in het christelijke denken "allen" vervangen is door "niet-allen".

In verband met Paulus' poging om de Korinthiërs helemaal op één lijn te krijgen, zijn er twee dingen die onze aandacht verdienen. Het eerste is de uitdrukking "het lichaam niet onderscheiden" uit 1 Korinthe 11:29. Die uitdrukking werd al vrij snel zó opgevat, dat het zou gaan om het niet "doorzien" van de zogenaamd veranderde "elementen" van het avondmaal — om het niet genoeg rekenen met wat bekendstaat als de transsubstantiatie van het brood. Maar wij zijn ervan overtuigd dat "het lichaam niet onderscheiden" slaat op het lichaam van de gelovigen, het Corpus Christi. Let maar op: terwijl Paulus spreekt over "het lichaam niet onderscheiden", voegt hij er niet aan toe "noch het bloed" — wat hij had moeten doen als hij de transsubstantiatie op het oog had. Dat ondersteunt onze uitleg. Wij zijn ervan overtuigd dat Paulus met dit gedeelte de bekeerlingen in Korinthe de gedachte van een nieuwe mode d'intégration wilde bijbrengen.

De eerste tien generaties christenen hadden doorboorde oren — niet letterlijk natuurlijk, maar in de betekenis die dat beeld in de Schrift heeft. Het beeld van de doorboorde oren gaat helemaal terug op Exodus 21:5-6. Daar lezen we over slaven die ervoor kozen bij hun meester te blijven, ook al stond het hun vrij om te gaan. Wanneer een slaaf daarvoor koos, doorboorde de meester met een priem zijn oorlel. Zo kreeg hij een "teken" dat niet uit te wissen was: het teken van een gewillige dienaar — gewillig, in plaats van verplicht of gedwongen. In Psalm 40 vinden we vervolgens een messiaanse uitspraak over zulke doorboorde oren en over wat ze inhouden: een gewillige dienst, niet afgedwongen, maar met blijdschap aanvaard. En in Hebreeën 10 vinden we een verwijzing naar de Christus, naar een Messias Die komt met het "offer" van een lichaam dat bestaat in gewillige dienst — gewillig, niet gedwongen. Christus had inderdaad doorboorde oren. Hoor maar wat Hij zegt: "Mijn voedsel is dat Ik de wil doe van Hem Die Mij gezonden heeft" (Johannes 4:34). Ja, de dienst die Christus verrichtte, was een gewillige dienst. We zien Hem wel bidden of het kruis Hem bespaard mag blijven — maar dat gebed eindigt met:

"Laat niet Mijn wil, maar de Uwe geschieden!" Niet één keer zien we Jezus gehoorzamen en ondertussen de voeten laten slepen.

Zó probeerden de eerste christenen te leven. En dat lukte hun opmerkelijk goed. Het zou goed geweest zijn, ongelooflijk goed, als het zo gebleven was. Maar het bleef niet zo, zoals we in het volgende hoofdstuk zullen laten zien. Het "iedereen erbij" werd met dwang opgelegd — en dat met een kwistig gebruik van het zwaard, dat werktuig en symbool van het product van de erhaltende Gnade: de staat.

Volgens de Duitse hoogleraar Ebrard (jarenlang professor aan de universiteit van Heidelberg, een man die lang en diep gegraven heeft in de geschiedenis van het vroege christendom in Noordwest-Europa) leefden de eerste generaties christenen in dat gebied naar het motto: "Laten wij de Heere dienen met blijdschap, met een dienst die niet uit angst geboren is, maar uit de geest van de aanneming tot kinderen. Wij zijn een gewillig volk, omdat de Heere ons leven op vrijwillige basis wil — net zoals Hij Zichzelf gewillig heeft gegeven."

De geschiedenis van het vroege christendom in Noordwest-Europa vraagt om een grondige studie, temeer omdat die veel (broodnodig) licht zou werpen op het conflict tussen de twee modes d'intégration. Volgens een oude legende was het christendom door een "stikker" — iemand die naaide en stikte — naar de Britse eilanden gebracht. (Zou dat woord "stikker" erop wijzen dat de boodschap van het evangelie door Paulus in Groot-Brittannië is gebracht? Bedenk dat Paulus van beroep tentenmaker was. Bedenk ook dat Paulus een onstilbare drang had, een beetje zoals de drang die in de koloniale tijd in Amerika gewoon was: "Go west, young man" — trek naar het westen, jongeman. Met dit verschil dat het bij Paulus was: trek naar het noordwesten. Bedenk dat Paulus de wens uitsprak om naar Spanje te gaan, ook een gebied in het noordwesten. En toen Paulus een keer de drang voelde om rechtsaf te slaan, werd hem gezegd niet die kant op te gaan.) Het valt niet te ontkennen dat je in de geschiedenis van het christendom in Noordwest-Europa afwijkingen tegenkomt van het christendom dat op Rome was gericht — dingen als getrouwde priesters, de oosterse datum van Pasen, tweedimensionale kunst, enzovoort. Toen het Rome-gerichte christendom in dit gebied aankwam, stuitte het niet alleen op weerstand van het heidendom, maar ook van een christendom dat er al wás: eerbiedwaardig oud, maar anders dan de versie die Rome verbreidde. (We merken hier in het voorbijgaan op dat Guido de Brès, die bekendstaat als de "inheemse Hervormer van Vlaanderen" en over wie we verderop in dit boek hopen te spreken, in één van zijn geschriften tussen haakjes opmerkt: "Het was in de Griekse traditie dat het christendom Noordwest-Europa voor het eerst bereikte.") Toen er rond het jaar 626 zendelingen, gestuurd door het "christendom", in Vlaanderen aankwamen, probeerden ze de plaatselijke koning, Dagobert de Eerste, mee te krijgen in hun plan om het gebied officieel bij het "christendom" te voegen. Hun man Amandus probeerde met gedwongen doop alle onderdanen van de koning gedoopt te krijgen. Maar de bevolking stond zó vast aan de kant van de oudere traditie, dat ze het Amandus knap lastig maakte. Ze gooide hem zelfs verschillende keren in de Schelde, en betaalde hem zo "met gelijke munt". Zoals gezegd: de geschiedenis van het vroege christendom in Noordwest-Europa verdient een grondige studie. Een goed oud werk om mee te beginnen zou Ebrards Die iroschottische Missionskirche zijn. Zijn boek Bonifacius, der Zerstörer des columbanischen Kirchenthums zou een tweede zijn.

We vervolgen onze studie van de eerste christenen. Zij verwachtten niet alleen tegenstand, ja zelfs vervolging, maar namen ook het "kruisdragen" op zich — en dat met blijdschap. Lezen we niet dat de eerste christenen "verblijd waren dat zij waardig geacht waren, omwille van Zijn Naam schandelijk behandeld te worden"? (Handelingen 5:41)

De eerste christenen voelden de behoefte om belijdenissen op te stellen. Dat deden ze als middel om de gelovigen aan elkaar te binden, maar ook als middel om hun anders-zijn uit te drukken. De vroege belijdenissen ondersteunden juist de punten die door de "buitenstaanders" werden aangevallen. Houd in gedachten dat alleen zaken die ontkend kúnnen worden (en ook werkelijk ontkend wórden) een plaats verdienen in de belijdenis van de kerk. Belijdenissen zijn per definitie omstreden. Een voorbeeld: als het lege graf niet was "verklaard" met de bewering "Zijn discipelen zijn 's nachts gekomen en hebben het lichaam gestolen", dan was dit punt nooit opgenomen in de Apostolische Geloofsbelijdenis. Zolang de gemeente van Christus zichzelf ziet als een ecclesia, een eruit geroepen groep, zal ze behoefte hebben aan een belijdenis. Pas wanneer ze zichzelf gaat zien als één geheel met de wereld en zich gaat aanpassen aan de wereld om haar heen, heeft ze geen belijdenissen meer nodig. Als de kerk de verkeerde mode d'intégration aanneemt, bergt ze haar belijdenissen op in de vergetelheid.

De vroege gemeente zag zichzelf als "in de wereld", maar niet "van de wereld". Dat komt tot uitdrukking in een geschrift uit die tijd, bekend als de Brief aan Diognetus. Daarin lezen we: "Christenen onderscheiden zich niet van de overige mensen door het land waar ze wonen, de taal die ze spreken of de gewoonten die ze volgen. Ze wonen op aarde, maar hun burgerschap is in de hemel... Elk vreemd land is hun een vaderland, en elk vaderland een vreemd land." Dit was een mode d'intégration die de wereld tot dan toe niet had gekend of gezien.

De vroege gemeente hield zich ver van de confusio regnorum, de vermenging van de rijken. Een schrijver van onze tijd, George Huston Williams, zegt daarom over de eerste christenen dat zij "de Romeinse staat, zelfs toen die hen vervolgde, over het algemeen erkenden als een orde van de schepping, maar nadrukkelijk niet als een orde van de verlossing". (De enige taalkundige verbetering die we kunnen bedenken, zou zijn om "orde van de schepping" te vervangen door "orde van de erhaltende Gnade", en "orde van de verlossing" door "orde van de erlösende Gnade".)

De jonge gemeente had niets aan te merken op het onderwijs:

"Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem gesteld zijn, want er is geen gezag dan van God"(Romeinen 13:1-7). En ze hielden gelijke tred met het onderwijs: "Ik roep er dan vóór alles toe op dat smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen gedaan worden voor alle mensen, voor koningen en allen die hooggeplaatst zijn"(1 Timotheüs 2:1-2). Daar handelden ze ook naar. Als de samenleving van die tijd niet vastgebonden had gezeten aan de heidense mode d'intégration, dan zouden de christenen gezien zijn als voorbeelden om na te volgen.

Wanneer de eerste christenen het Oude Testament naast hun eigen tijd legden, hadden ze niets aan te merken op de uitspraak: "En zij zullen beslist niet ieder zijn naaste en ieder zijn broeder onderwijzen en zeggen: Ken de Heere. Want zij allen zullen Mij kennen, van klein tot groot onder hen" (Hebreeën 8:11).

Voor hen was er immers een nieuw en ander "Israël" op het toneel verschenen: een gemeenschap die niet werd samengebonden door bloed, taal of welke andere voorafgaande band ook, maar door het geloof in Christus — dat zij samen deelden, en dat daarbuiten onbekend was.

Volgens Tertullianus, die rond het jaar 200 schreef, zeiden de christenen graag: "Wij zijn er pas sinds gisteren, en nu al vullen wij al uw instellingen: uw steden, uw ommuurde vestingen, uw forten, uw senaten en uw pleinen." Dat laat zien dat de eerste christenen de mode d'intégration zuiver voor ogen hadden. Ze vereenzelvigden zich niet met de samenleving; ze wonnen er bekeerlingen uit.

Zolang de kerk nog een ecclesia was, een eruit geroepen gezelschap, wist ze nog heel goed dat God twee ijzers in het vuur heeft — dat er twee genades aan het werk zijn. Kijk maar: de christenen probeerden niet het "merkteken" op het vlees vervangen te krijgen, van een heidens merkteken in een christelijk. Omdat Korinthe een etnische godsdienst had, moest daar wel de hele vleesvoorraad gemerkt worden met een teken van dat geloof. En omdat het geloof van de bekeerlingen tot het christendom géén etnische godsdienst was, was er ook geen enkele reden om het vlees van een merkteken te voorzien. De vroege gemeente had geen sacramenten, en had daarom ook geen "sacraments-syndroom". Daarom kon Paulus schrijven: "Eet alles wat in de vleeshal verkocht wordt, zonder naar iets navraag te doen" (1 Korinthe 10:25).

Nu we gezegd hebben dat het christelijk geloof geen sacramenten heeft, en nu we de uitdrukking "sacraments-syndroom" gebruikt hebben, wijzen we erop dat Paulus het nodig vond de christenen in Korinthe op dit punt leiding te geven. In het typische sacraments-syndroom gebeuren de volgende dingen: (a.) er wordt een god gekozen; (b.) er wordt voedsel gedeeld; (c.) er wordt ook wijn gedeeld; (d.) alles mondt uit in een sociale roes, die vaak eindigt in seksuele losbandigheid. Denk aan Mozes, toen hij de berg afdaalde. Hij hoorde veel lawaai uit het kamp komen, en hij hield het voor strijdrumoer. Maar het bleek het rumoer te zijn dat hoort bij het laatste onderdeel van een sacraments-syndroom. Is het een wonder dat Mozes, en ook de HEERE, mishaagd waren over wat er was gebeurd terwijl Mozes weg was — de Israëlieten deden na wat ze in Egypte hadden gezien!

De mensen van de uittocht waren misschien de eerste kinderen van Abraham die het sacraments-syndroom overnamen, maar ze waren niet de laatsten. Ook in latere tijden lezen we over zo'n syndroom onder de Hebreeën, bijvoorbeeld in Jeremia 7:18 en 44:19. In de Statenvertaling (de Nederlandse vertaling die begin zeventiende eeuw onder leiding van de Staten-Generaal tot stand kwam) worden de "koeken" die bij het syndroom hoorden "gebeelde koeken" genoemd. Dat waren namelijk koeken die gebakken waren in de vorm van menselijke geslachtsdelen, en wel van beide geslachten. De kinderen die negen maanden na zo'n syndroom geboren werden, golden als heilig, en werden om die reden geofferd in de bolle buik van een god die Dagon heette. Is het dan nog een verrassing dat Paulus, terwijl hij de bekeerlingen in Korinthe leiding geeft, het nodig vindt om lijnen te trekken rond de sacramenten en rond de seksualiteit?

De vroege gemeente zag zichzelf als een ecclesia en wist dat ze een "sekte" was. Vooral de mensen van het "christendom" beweerden dat het woord "sekte" was afgeleid van het Latijnse werkwoord secare, dat "snijden" of "afsnijden" betekent — het zou dan gaan om het snijden in het "lichaam" van Christus. Maar in werkelijkheid komt het van het Latijnse werkwoord sequor, dat "volgen" betekent.

Het is interessant, en veelzeggend, dat er in de tijd van de Reformatie mensen waren, staande in de traditie van het Overblijfsel, die zeiden: "Ja, zeker, ik hoor bij een sekte — want ik volg Jezus." Door heel de Middeleeuwen heen waren er mensen die inderdaad "sektarisch" waren, juist omdat ze volgelingen van Christus waren.

De vroege gemeente was een zendingsgemeente. Haar leiders trokken van plaats naar plaats, twee aan twee, om het evangelie te brengen aan mensen die nog gevangenzaten in etnische godsdiensten. Deze zendelingen kregen de naam "sabotiers", omdat ze sabots droegen: zelfgemaakte schoenen, meestal van hout. En omdat ze daardoor wat lawaai maakten bij het lopen, werden ze in Duitse streken "kloefers" genoemd — een woord dat verwant is aan ons woord "klompen". In Nederland gingen ze "klompendragers" heten. (Het lijkt erop dat de Nederlanders het dragen van houten schoenen van de vroege christenen hebben overgenomen. Of was het van het "Overblijfsel", waarover we later spreken?)

De zendelingen van de vroege "ecclesia", het vroege "eruit geroepen" lichaam, hadden zoveel succes dat Tertullianus (die in het jaar 231 gestorven zou zijn) kon zeggen:

"Alle stammen van Spanje en de verschillende volken van Gallië, en ook die van Brittannië, tot nu toe onbereikbaar voor Rome, zijn aan Christus onderworpen — samen met de Sarmaten, de Daciërs, de Germanen, de Scythen en veel andere volken en gewesten en eilanden die ik niet ken... De Naam van Christus heeft deze gebieden bereikt... gebieden die tot nu toe de legers van Rome hebben getrotseerd." Het zal de lezer vast zijn opgevallen dat Tertullianus, terwijl hij dit zei, tot twee keer toe probeerde te voorkomen dat zijn lezers zouden denken dat de uitbreiding van het christendom gewoon een onderdeel was van de uitbreiding van het rijk. Tertullianus lijkt aangevoeld te hebben dat er spoedig een tijd zou komen waarin de confusio regnorum zou binnensluipen — een tijd waarin het christendom in de mal van een rijksgodsdienst gegoten zou worden. Als dat zo is, dan moeten we deze Tertullianus een profetische blik toeschrijven, want (zoals we zullen zien) de samensmelting van kerk en staat vond een eeuw later inderdaad plaats.

De vroege gemeente doopte alleen gelovigen, en dan nog pas na een tijd van beproeving, om er zeker van te zijn dat de dopeling werkelijk een bekering had doorgemaakt: van een etnische godsdienst naar het christelijk geloof. (In de loop van de tijd werd dit "een betreurenswaardig na-apen van de Katharen" genoemd. Zo noemden woordvoerders van het "christendom" het, doelend op de leden van het "Overblijfsel" — zoals wíj hen zullen noemen.)

De mensen van de vroege ecclesia kwamen samen in conventikels (het woord betekent "kleine samenkomsten"). Toch was er in die samenkomsten ruimte voor belangstellenden: mensen die hadden laten merken dat ze gehoor wilden geven aan de oproep: "Ga daarom uit hun midden weg en zonder u af." Wanneer aan het einde van zo'n conventikel de gedachtenismaaltijd gehouden zou worden (bekend als de "Agape", de "liefdemaaltijd" — een naam die doet denken aan het laatste onderdeel van het sacraments-syndroom, al was deze maaltijd volstrekt anders), dan werden de belangstellenden geacht te vertrekken bij de woorden "congregatio missa est": "de vergadering is weggezonden". Die uitdrukking laat doorschemeren dat er tot dat moment in de samenkomst twee "kudden" bijeen waren geweest (het Latijnse woord voor kudde is grex). Van dit "missa est" is ons woord "mis" afgeleid, de naam van het sacrament in de "katholieke" traditie. (In het Engels werd de klinker breder: "mass". In verschillende Europese talen heet het nog altijd "de mis".)

We merken hier op dat het woord "mis" dus werkelijk van "missa" komt, al hebben woordvoerders van het "christendom" geprobeerd het van een ander Latijns werkwoord af te leiden — het woord is namelijk in werkelijkheid een voor-katholiek woord. Die poging is begrijpelijk, maar moet worden afgewezen: de feiten geven geen grond voor die andere afleiding.

We kunnen het niet vaak genoeg zeggen: de vervolgingen waaraan de eerste christenen blootstonden, kwamen niet voort uit aanstootgevend gedrag op maatschappelijk vlak. Nee, ze kwamen voort uit de etnische gedachte dat een samenleving alleen kan samenhangen als ze een "katholiek" geloof heeft — een geloof "met betrekking tot het geheel", een geloof dat alle leden van de samenleving aanhangen. (Het woord "katholiek" komt, zoals gezegd, van het Griekse kata, dat hier "met betrekking tot" betekent, en het Griekse holos, dat "het geheel" betekent.) Om het motief achter de vervolgingen van de eerste christenen te begrijpen, hoeven we ons alleen maar te verdiepen in het denksysteem van de etnische wereld. Dat kost weinig moeite: we hoeven alleen maar te luisteren naar Plato, waar hij in zijn Wetten zegt: "Laat dit dan de bewoording van de wet zijn. Niemand mag in zijn eigen woning heiligdommen voor goden bezitten. Wie er toch blijkt te hebben en er een heilige rite voor voltrekt die niet openbaar is toegestaan... die moet worden aangegeven bij de bewakers van de wet. Laten die dan bevelen dat de mensen hun huisgodsdienst overbrengen naar de openbare tempels. Wie zich daardoor niet laat overreden, moet zo gestraft worden dat hij zich wel voegt. En wordt iemand schuldig bevonden aan het offeren aan een god zonder onderscheid, in het openbaar of thuis, laat hem dan de doodstraf ondergaan." In dát soort denken wortelden de vervolgingen van de eerste christenen. (Zoals nog duidelijk zal worden, kwam er een tijd waarin leiders in het "christendom" deze leer van Plato overnamen — en in praktijk brachten.)

In dezelfde geest horen we een Romeinse denker, Minucius Felix genaamd, in zijn Octavius over de eerste christenen zeggen: "Bij hun nachtelijke samenkomsten, hun plechtige feesten" — hij lijkt te doelen op de christelijke "liefdemaaltijd" — "is het niet een of andere heilige rite die hen samenbindt" — hij bedoelt riten zoals die in de etnische godsdiensten — "maar misdaad. Het is een volk dat wegkruipt in het donker, het licht schuwt, zwijgt in het openbaar, maar praatgraag is in spelonken. Onkruid groeit snel, en deze verdorven gewoonten verbreiden zich met de dag. De afschuwelijke en geheime schuilplaatsen waar deze goddeloze ellendelingen hun samenkomsten houden, nemen over de hele wereld in aantal toe. Deze vervloekenswaardige samenzweerders moeten volledig worden uitgeroeid. Waarom doen ze zoveel moeite om te verbergen en verborgen te houden wat het ook is dat ze aanbidden? Eerbare daden zoeken altijd de openbaarheid; alleen misdaden genieten van geheimhouding. Waarom hebben ze geen altaren, geen tempels, geen algemeen bekende beelden? Waarom spreken ze niet in het openbaar en komen ze nooit openlijk samen — of het moest zijn omdat wat ze verborgen houden misdadig of schandelijk is?"

In dezelfde Octavius lezen we ook over de eerste christenen: "Ze herkennen elkaar aan geheime tekens en merktekens" — een voorbeeld daarvan is de omtrek van een vis, die herinnert aan de woorden "Jezus Christus, Zoon van God, Redder": de eerste letters van die woorden vormen in het Grieks het woord voor vis, Ichthus — "ze houden van elkaar na de kortste kennismaking, en noemen elkaar zonder onderscheid 'broeders' en 'zusters'." Dat die woorden zo gebruikt werden, was natuurlijk waar. Maar de schrijver van de Octavius voegde eraan toe: "en onder die namen maken ze zich schuldig aan de afschuwelijkste misdaden". Die beschuldiging kwam voort uit het feit dat de christenen hun "Agape" hadden, hun "liefdemaaltijden". De schrijver van de Octavius ging ervan uit dat de "Agape" van de christenen te vergelijken was met het laatste onderdeel van het sacraments-syndroom, zoals dat in de heidense samenleving van die dagen werd bedreven.

We hebben gesuggereerd dat het woord "sacrament" van heidense oorsprong is; nu leggen we nog wat bewijs op tafel. In een poging om de christenen op te sporen en uit te schakelen, greep Decius (een van de laatste heidense keizers) naar het sacrament. Hij liet zijn schrijvers formulieren maken die zijn onderdanen moesten invullen. Op het formulier stond (de bibliotheek van de universiteit van Michigan bezit een ingevuld exemplaar): "Ik, N.N., heb altijd aan de goden geofferd, heb dat ook nu gedaan, volgens het voorschrift, heb een plengoffer laten uitgieten en heb geproefd van het offerdier — en ik verzoek dat dit officieel wordt vastgelegd." Daarna volgde een controle van huis tot huis, en ieder gezinshoofd dat geen ingevuld exemplaar kon laten zien, kon rekenen op een zware straf, misschien wel de doodstraf. Hier hebben we een geval waarin het sacrament werd gebruikt om een "katholiek" geloof tot stand te brengen — om iedereen op te sporen die de gedachte afwees van een samenleving die door het sacrament wordt samengehouden. (Is het dan nog verrassend dat de mensen van het Overblijfsel gewoon waren te zeggen: "sacramenten bestaan niet"?) Het wordt, zo denken we, steeds duidelijker: sacramenten zijn handelingen waarmee wordt voorkomen dat een samenleving samengesteld wordt. Is het verwonderlijk dat de vroege gemeente geen sacramenten had? (Wat niet wil zeggen dat ze geen plechtige rituelen had.)

De apostel Paulus was zich er ten volle van bewust dat de overige godsdiensten van de wereld middelen zijn om te voorkomen dat een samenleving samengesteld wordt — opgebouwd uit "insiders" en "outsiders". En hij besefte dat als hij de christelijke boodschap in Athene zou prediken, de Atheners hem dat kwalijk konden nemen — en dat ook zouden doen. Wat te doen? Terwijl Paulus de stad bekeek, stuitte hij op een altaar voor een "onbekende god". Daarom besloot hij de Christus, over Wie hij ging spreken, aan te duiden als deze "onbekende god". Deze (allesbehalve onhandige) oplossing leek heel behoorlijk te werken — totdat hij het woord "anastasis" gebruikte (Grieks voor "opgestaan"). De toehoorders dachten dat Paulus over een godheid met die naam begon, en zagen in zijn optreden een ernstige overtreding van de wet. Dus voerden ze hem mee naar de Areopagus, ook wel de "heuvel van Mars" genoemd: de plek in de stad waar rechtszaken werden gevoerd. Toen daar duidelijk werd dat het woord "anastasis", zoals Paulus het gebruikte, geen eigennaam was maar een gewoon woord, mocht Paulus de rechtszaal uitlopen. Daarop pakte hij snel zijn spullen en glipte Athene uit.

De vraag mag gesteld worden waarom Paulus' poging om in Athene bekeerlingen te winnen geen klinkend succes werd. Feit is dat de verslaggever alleen vermeldt dat er enkelen geloofden: "Dionysius de Areopagiet, en een vrouw van wie de naam Damaris was, en anderen met hen" (zie Handelingen 17:34). Van een "gemeente" in Athene horen we later dan ook niets. Waarom waren er zo weinig "bekeerlingen", mensen die lieten merken dat ze meer wilden horen? Kwam het doordat Paulus niet sprak in een conventikel, maar in een openbare ruimte — en zo de kern van de nieuwe mode d'intégration zelf in gevaar bracht?

Zó was de jonge kerk, de "ecclesia" van de eerste jaren. Johannes de Doper was gekomen met een nieuwe visie op de mode d'intégration, en Jezus had gewerkt in het nieuwe klimaat dat uit die nieuwe kijk op maatschappelijk compositisme geboren was. Zoals in het volgende hoofdstuk duidelijk zal worden, werd de nieuwe mode d'intégration na een paar eeuwen losgelaten, en kwam de etnische kijk op de mode d'intégration ervoor in de plaats.

Als dat niet gebeurd was, zou het Eerste Amendement niet nodig zijn geweest.

Gerelateerde artikelen

Alle