Nu we hebben laten zien hoe belangrijk de taak van Jezus' "wegbereider" was, gaan we zijn "Grotere Opvolger" eens van dichtbij bekijken.
Wanneer Jezus over "koninkrijk" sprak, gebruikte Hij er een bijvoeglijke bepaling bij. Bijvoeglijke bepalingen gebruik je wanneer er twee van een soort zijn: ze dienen om die twee uit elkaar te houden, om te voorkomen dat ze met elkaar verward raken. Door bij "koninkrijk" zo'n bepaling te gebruiken — "van de hemel" of "van de aarde" — hield Jezus erhaltende Gnade en erlösende Gnade bij elkaar vandaan; Hij liet ze niet samensmelten. De Meester vermeed de confusio regnorum.
Jezus preekte ook twee soorten preken (terwijl Hij Zich toch bewoog onder het "verbondsvolk", het "uitverkoren geslacht"): de ene soort voor wie "erbij hoorden" en de andere voor wie er nog níét bij hoorden; de ene soort voor "gelovigen" en de andere voor "nog-niet-gelovigen". Toen Jezus een groep mensen aansprak die er al bij hoorden, zei Hij: "Aan u is het gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk van God te kennen, maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij niet zien, ook al zien zij, en niet begrijpen, ook al horen zij" (Lukas 8:10). Dat doet sterk denken aan de "voorloper", die zijn doop beperkte tot mensen die er blijk van gaven "erbij te horen". Hij weigerde "buitenstaanders" te dopen — zelfs al vroegen ze er zelf om (zie Mattheüs 3:7).
De Joodse leiders van die tijd (gevangen als ze waren in de confusio regnorum) hadden er gewetensbezwaren tegen om belasting te betalen aan de schatkist van een rex met een andere godsdienst. In dat verband probeerden ze Jezus in hetzelfde spoor vast te laten lopen. Dus vroegen ze Hem "of het geoorloofd was de keizer belasting te betalen". Ze rekenden erop dat Jezus met deze vraag geen kant op zou kunnen. Zou Hij er "ja" op zeggen, dan zou Hij mensen voor het hoofd stoten die het heel nauw namen met "goed" en "fout". Zou Hij "nee" zeggen, dan kon Hem dat in moeilijkheden brengen met de rex en zijn dienaren. Jezus sneed dwars door de valstrik heen met de eenvoudige woorden: "Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is" (Mattheüs 22:21). De mannen die de val hadden gezet, zaten tot over hun oren in de confusio regnorum. En Jezus, Die aan de val ontkwam, bleef er volledig buiten — door genadevermenging te vermijden.
Dat Jezus Zelf buiten de confusio regnorum bleef, de vermenging van de genades, betekent niet dat de voortdurende vermenging Hem geen pijn deed. Integendeel! Van het eerste ogenblik van de loopbaan van de Meester tot Zijn laatste ademtocht aan het kruis heeft Hij eronder geleden. De navelstreng was nauwelijks doorgeknipt of Hij werd haastig naar Egypte gebracht om eraan te ontkomen. Daar bleef Hij totdat de "schrik" over de geboorte van een mogelijke vervanger van de Romeinse rex door een nieuwe "David" was weggeëbd. En helemaal aan het einde werd Jezus gekruisigd in een klimaat van razende confusio regnorum. De Romeinse rex-functionaris was de gevolgen van die verwarring zó zat, dat hij een opschrift liet maken waarop spottend, in drie talen, stond: "Koning-van-de-Joden". Daarop kwam het "volk-van-de-belofte" bij Pilatus met het verzoek het opschrift tussen aanhalingstekens te zetten, zodat het niet van hen zou zijn maar van iemand anders. Waarop Pilatus ongeduldig zei: "Quod scripsi scripsi", "wat ik geschreven heb, heb ik geschreven" — wat vermoedelijk zoveel betekende als: "Ik heb er genoeg van; maak dat je wegkomt!"
Satan heeft hard geprobeerd Jezus in de confusio regnorum te verstrikken. Hij hing Jezus het lokaas voor van "alle koninkrijken van de aarde, in één pakket" — in ruil voor één kniebuiging voor de boze. Natuurlijk wierp Jezus Satan een antwoord toe in de trant van: "Niets daarvan — maak dat je wegkomt!" En natuurlijk kwamen de engelen "en dienden Hem", dat wil zeggen: ze kwamen Hem een schouderklopje geven voor de manier waarop Hij had afgerekend met confusio regnorum in actie (zie Mattheüs 4:11).
Bij dit tafereel van de verzoeking (dat we net beschreven) komt de vraag op ons af waarom Jezus niet in plaats daarvan iets tegen Satan zei als: "Vorst van de duisternis, laat Me je eraan herinneren dat al deze koninkrijken al van Mij zíjn." (Zoals de mensen van het "christendom" dat in het begin van de vierde eeuw geboren werd, van Hem verwacht zouden hebben — zij zaten immers tot over hun oren in de confusio regnorum.)
In verband met heel deze kwestie stellen we de vraag of de Mensenzoon, toen Hij op weg ging voor de opdracht die Hem deze naam gaf, Zijn volledige portefeuille als Zoon van God meenam — of alleen de bladzijden die over erlösende Gnade gingen. Elke theoloog die zich met deze vraag bezighoudt, moet in gedachten houden dat Jezus van Nazareth geen reis naar Rome heeft gemaakt, en ook niet naar de dienaren van Rome die vlakbij woonden. Nee, de "Mensenzoon" werd aan het einde juist naar de politieke hoofdstad van de streek gesleept.
De verzoeking waaraan Jezus in de woestijn door de duivel werd blootgesteld, is niet het enige moment waarop Hij zoiets moest zeggen als "Niets daarvan". Nee, de verwarde mensen van die tijd waren een beweging begonnen om Hem "met geweld mee te nemen om Hem koning te maken" (Johannes 6:15), en dat omdat ze waren grootgebracht met de "koning-David-mythe". Ook deze keer wist Jezus te ontkomen: Hij "trok Zich opnieuw terug op de berg, Hij Zelf alleen" (Johannes 6:15). Het was omdat Jezus de menigten broodjes had bezorgd dat ze Hem tot koning wilden maken. (Dat werpt een interessant licht op wat mensen geneigd zijn te zien als de voornaamste dienst die een heerser of president hoort te leveren.) We vermoeden dat de engelen, toen Jezus "nee" zei, opnieuw kwamen om Hem een schouderklopje te geven.
Voor Jezus was het geen enkel probleem om te leven onder het bewind van een heidense rex die functioneerde in het programma van erhaltende Gnade. Omdat de implicaties daarvan doorgaans over het hoofd worden gezien, staan we even stil bij de episode. Een "nieuwsgierige" belastingontvanger had Petrus gevraagd of zijn meester, Jezus, gewoon was een bepaalde belasting te betalen — een belasting waarover we al lezen in Exodus 30, oorspronkelijk bedoeld voor het onderhoud van de tempel. Tijdens de ballingschap was deze belasting uiteraard in vergetelheid geraakt, maar bij de terugkeer uit de ballingschap werd ze hersteld (zie Nehemia 10:12). Kennelijk had de Romeinse overheid het innen van deze Joodse belasting inmiddels overgenomen — ongetwijfeld omdat, als Joden haar zouden innen, de deur zou openstaan voor het ongemeld inzamelen van geld voor een nieuwe "Makkabese oorlog", ditmaal "gerund" door Zeloten. Op de "nieuwsgierige" vraag antwoordde Petrus met een zwak "ja" — en daarmee zou de zaak afgedaan zijn geweest, ware het niet dat Jezus, toen Hij en Petrus even later onder elkaar waren, Petrus vroeg te benoemen bij wie deze belasting werd geheven: bij "bijwoners" (die term sloeg op Joden die onder het bewind van de Romeinse rex leefden) of bij "zonen" (waarmee heidense Romeinse burgers werden bedoeld). Op die vraag antwoordde Petrus dat ze niet bij de laatsten maar bij de eersten werd geheven. Daarop antwoordde Jezus dat de "zonen" dan ook geen aanslag horen te krijgen voor die belasting. Daarmee zei Hij dat Hij en Petrus als zulke "zonen" gezien moesten worden.
Met wat Hij zei, zei Jezus dat Hij en Petrus (net als de andere Joden) op het niveau van de belastingbetaling Romeinse burgers waren. Natuurlijk besefte Jezus dat dit kwaad bloed zou zetten en aanstoot zou geven. Om die aanstoot te voorkomen droeg Jezus Petrus op te gaan vissen (met een hengel), de munt te nemen die hij in de bek van de vis zou vinden, en daarmee de belasting voor hen beiden te betalen. Duidelijker kan het nauwelijks gezegd worden: de Heiland had er geen bezwaar tegen om te leven onder een heerser die niet het "juiste" geloof had, terwijl Hij, de Heiland, het programma van erlösende Gnade uitvoerde. Uit deze episode in het leven van Christus, dit kleine gesprek tussen Jezus en Petrus, leren we twee heel belangrijke dingen. Ten eerste: Jezus zag een wereldlijke heerser niet als per definitie demonisch. Ten tweede: Jezus stond vast en zeker achter de gedachte van genade-in-twee-betekenissen, op twee niveaus. Het lijkt ons dat hierin besloten ligt: wie zegt dat hij niet in vrede kan leven onder het Eerste Amendement, weegt de dingen anders dan Jezus deed. Jezus zou het Eerste Amendement hebben onderschreven — het ligt in de lijn van Zijn denksysteem.
We merken dat we het eens zijn met Henry Hart Milham, die schreef: "Sinds Christus zijn er op aarde twee niveaus van soevereiniteit: de ene zelfstandig, met haar wetten, haar politie, haar macht tot fysieke dwang over wie de samenleving kwaad doen ... en een geestelijke, zelfstandige soevereiniteit, gericht op de verlossing van de mensheid, met haar wetten en haar tucht, maar uitsluitend toegerust met geestelijke middelen. Beide soevereiniteiten komen van God, maar elk heeft haar eigen zending ..." (Er zou geen Eerste Amendement nodig zijn geweest als de mensen zich zo ver van de confusio regnorum hadden gehouden als Milham deed.)
Tijdens heel Zijn aardse bediening werd Jezus geconfronteerd met een nieuw soort "Makkabese oorlogen": nieuwe pogingen om de rex die in Rome zetelde kwijt te raken, en dan op de leeggekomen plek een "rechtgelovige" te zetten. De nieuwe versie van de Makkabese oorlogen werd aangejaagd door lieden die bekendstonden als "Zeloten". Omdat er onder de discipelen van Jezus verschillende van zulke "Zeloten" waren, moeten we enige tijd aan hen besteden, en aan Jezus' omgang met hen. (Daarbij erkennen we veel verschuldigd te zijn aan twee werken van Joodse geleerden: "De Joodse Oorlog" en "De Joodse Oudheden".)
Zo'n Zeloot was Petrus, wiens bijnaam "Barjona" was. Deze bijnaam "Barjona" is altijd opgevat als een eigennaam, maar wij wijzen erop dat het in die tijd juist een soortnaam was — een soortnaam voor mensen met Zeloten-overtuigingen en Zeloten-praktijken. Zo lezen we van een Joodse leider die een afspraak met een regeringsfunctionaris niet kon nakomen "omdat de barjona onder ons het niet toelieten". Ja, "barjona" was een soortnaam, geen eigennaam. Het vertelt ons dat Petrus een Zeloot was.
En er was onder de discipelen van Jezus een man die "Simon Zelotes" heette. Hij staat ook bekend als "Simon Kananites"(zie Mattheüs 10:4), en de aanname is dat dit woord "Kananites" verwijst naar het land Kanaän. Maar dat is niet alleen nietszeggend (in een land waar iedereen "Kanaäniet" was) — het is ook vrijwel zeker onjuist, aangezien het Aramese woord voor "ijver" "kana" is. Simon Zelotes blijkt dus een Zeloot geweest te zijn voordat hij een van de discipelen van Christus werd.
En er waren onder de discipelen van Christus de twee "zonen van Zebedeüs", die Jezus vroegen of zij aan Zijn rechter- en linkerzijde mochten zitten wanneer Zijn "koninkrijk" gekomen was. Met het vragen van deze gunsten gaven de twee mannen er blijk van nog steeds te denken in termen van een aards koninkrijk — een dat het "koninkrijk" met als centrum Rome zou vervangen. Kennelijk waren de twee broers nog niet losgekomen van de "koning-David-mythe"; ze zaten nog gevangen in de confusio regnorum en vergisten zich nog altijd in de mode d'intégration. Het was dit falen van de twee broers dat Jezus, voor hun bestwil, deed zeggen: "U beseft niet wat voor Geest u hebt" (Lukas 9:55) — die "geest" was het denksysteem van het Zelotisme.
En er was Judas Iskariot, een Joodse man die gevangen zat in het Zeloten-visioen — en van wie het erop lijkt dat hij er niet eens een begin van bevrijding uit heeft gekend. De naam van deze man is altijd uitgelegd als "man uit Kerioth", maar het is vrijwel zeker dat hij in werkelijkheid is afgeleid van het Griekse woord "sikarioon", een woord dat verwant is aan het Griekse woord voor "zwaard". In dit verband is het leerzaam dat Josephus spreekt van "vierduizend sikarioon", doelend op dezelfde bende die op een andere plaats "vierduizend Zeloten" wordt genoemd. Het is ook niet zonder betekenis dat we geen plaats kennen die "Kerioth" heet. En het is beslist veelzeggend dat in een van de oudste afschriften van het Nieuwe Testament het woord "Skarioth" staat op de plaats van "Ishkarioth" — waarmee het woord "man" wegvalt. Ook is het goed om te weten dat we "Skarioth" in plaats van "Ishkarioth" vinden in de Tepler Codex: een oud afschrift van het Nieuwe Testament, een vertaling van het Griekse Nieuwe Testament, vrijwel zeker gemaakt in en door de kring van gelovigen die we (als we zover zijn) het etiket "Overblijfsel" zullen geven.
Nu we deze Judas kennen zoals hij was — een onbekeerde Zeloot, een Jood die niet was losgekomen van de Zelotendroom — valt er nieuw licht op zijn optreden bij de arrestatie van Jezus. Toen Jezus Zijn discipelen aankondigde dat Zijn einde nabij was, concludeerde deze onbekeerde Zeloot dat het geen zin had nog langer te wachten tot Jezus "in beweging zou komen" in de "koning-David-mythe". Dus besloot hij de nodige stappen te zetten, "aan de nodige touwtjes te trekken", om Christus de beet te laten voelen van het zwaard van een rex die Hij blijkbaar niet ging vervangen. Daarom besloot Judas Jezus te "verraden": Hem in handen te spelen van de plaatselijke ondergeschikten van de rex in Rome (het woord "verraden" betekende oorspronkelijk "overleveren"). Hij besloot dat dit het beste kon door Jezus in handen te geven van het Joodse lichaam dat bekendstond als het Sanhedrin; dat zou Hem dan aan de rex overdragen. Dus sloop hij naar de dienaren van het Sanhedrin met het aanbod Jezus te "verraden", in de verwachting dat zij Hem aan de rex zouden overhandigen. Natuurlijk waren ze bereid tot een overeenkomst — een waarbij een passend geldbedrag werd overhandigd. Judas was er vast van overtuigd dat de mannen van het Sanhedrin Jezus zouden berechten, schuldig zouden bevinden en ter dood zouden veroordelen, en dat ze Hem daarna in handen van de Romeinse rex zouden geven om de straf te voltrekken — hopelijk de doodstraf. Bedenk daarbij dat juist in die tijd het recht om de doodstraf te voltrekken aan het Sanhedrin ontnomen dreigde te worden, door agitatie onder leiding van een Jodenhater. Judas concludeerde dus dat Jezus wel degelijk de beet zou voelen van het zwaard van de Romeinse rex — het zwaard dat Hij kennelijk niet ging overnemen.
Maar het begon ernaar uit te zien dat het Sanhedrin de terechtstelling zélf ging uitvoeren (bedenk dat de kwestie nog niet geregeld en beslist was). Judas, overweldigd door de gedachte dat het Sanhedrin het vonnis zelf zou voltrekken — en dat Jezus dus niet eens de beet van het zwaard van de Romeinse rex zou voelen — wierp het geld terug, ging heen en verhing zich, in wanhoop, ervan overtuigd dat zijn plan was mislukt. Maar het Sanhedrin besloot de terechtstelling niet zelf uit te voeren en haar over te laten aan de plaatselijke vertegenwoordiger van de rex — om niet aangerekend te krijgen dat het de lopende discussie negeerde over de vraag of het recht om de doodstraf te voltrekken aan het Sanhedrin ontnomen moest worden.
We betrappen onszelf op de vraag of Judas zich in zijn haastig gedolven graf zou hebben omgedraaid toen het besluit werd uitgevoerd om de vertegenwoordiger van de Romeinse rex de terechtstelling tóch te laten voltrekken.
Uit de gang van zaken wordt duidelijk: als de arrestatie, het proces en het vonnis iets eerder of iets later hadden plaatsgevonden, dan was de zelfmoord van Judas er niet geweest. Moeten we in deze opmerkelijke timing de hand van God zien? Is het zo gepland om ons te laten zien hoe rampzalig verkeerd het is om verstrikt te raken in de confusio regnorum? Laten we bij het zoeken naar een antwoord in herinnering roepen wat er gebeurde toen alles voorbij was en de discipelen bijeen waren, met "ongeveer honderdtwintig" anderen. Toen stond Petrus op te midden van de broeders en zei: "Mannenbroeders, dit Schriftwoord moest vervuld worden dat de Heilige Geest bij monde van David van tevoren gesproken heeft over Judas, die gids geweest is voor hen die Jezus gevangennamen."
Ons wordt niet verteld waarom Jezus zoveel Zeloten koos als Zijn eerste discipelen. Was het omdat het in die tijd vrijwel onmogelijk was mensen te vinden met enig talent én zonder de Zeloten-ambitie? Of was het omdat Jezus rekende met het feit (want een feit is het) dat bekeerlingen — mensen die van de ene kijk op de dingen zijn overgegaan naar de andere — doorgaans de beste pleitbezorgers worden van de zaak waartoe ze bekeerd zijn? Een feit dat maar al te vaak zichtbaar wordt: eerste-generatie-christenen, mensen die tot de christelijke zaak bekeerd zijn, zetten zich vuriger voor die zaak in dan latere generaties. Hoe dan ook: er waren onder de discipelen verscheidene voormalige Zeloten. Het is ook een feit dat de discipelen van Jezus, net als hun volgelingen, er traag in waren de mode d'intégration die bij de geërfde confusio regnorum hoorde volledig af te leggen. Feit is dat de droom van de Zeloten pas ten einde kwam met Pinksteren, met zijn "Parthen en Meden en Elamieten, enzovoort, enzovoort". En gedurende enkele eeuwen na Pinksteren was er geen spoor van vermenging van het programma van erlösende Gnade met dat van erhaltende — of omgekeerd.
Zoals later duidelijk zal worden, kwam er daarna een massale terugkeer naar de domeinvermenging, een terugkeer die wild om zich heen greep — behalve in de geloofsgemeenschap die wij het Overblijfsel hebben genoemd.
We zijn ervan overtuigd dat er in het verslag van de loopbaan van Jezus één onderdeel is dat om een nauwkeurig onderzoek vraagt, en wel om twee redenen. De ene reden is dat het een heel belangrijk onderdeel is in het verslag van de loopbaan van Jezus. De andere is dat het maar al te vaak verkeerd wordt uitgelegd. We doelen op wat de "Intocht in Jeruzalem" is gaan heten.
Toen de Mensenzoon op het toneel verscheen, was daar de "koning-David-mythe" waarover we al spraken. Er was voorzegd dat er een ongewone koning zou verschijnen — ongewoon omdat hij niet gezeten zou zijn op een steigerend strijdros (zoals koningen gewoonlijk), maar op een ezeltje, en dan nog een jong ook: op "een ezelsveulen, het jong van een ezelin" (Zacharia 9:9). Jezus, uiteraard goed bekend met deze oude profetie, zegt Zijn discipelen dat de tijd voor de vervulling ervan gekomen is. Hij vertelt hun hoe ze te werk moeten gaan om het veulen te vinden. Ze doen wat hun gezegd is. Daarop neemt Jezus plaats op het kleine dier — Zijn voeten sleepten misschien wel over de grond. Bij het zien daarvan juicht het volk, grootgebracht met de "koning-David-mythe": het was tenminste een begin. Om Jezus in beweging te krijgen roepen ze: "Gezegend is de Koning, Die daar komt in de Naam van de Heere. Vrede in de hemel en heerlijkheid in de hoogste hemelen" (Lukas 19:38). We pauzeren even bij het lezen van deze beschrijving om op te merken dat de roep "vrede in de hemel" een afwijking lijkt van de tekst van de mythe, aangebracht door een deel van de massale menigte — want de mythe had "vrede op aarde". Was deze afwijking-van-de-tekst van de oude mythe de bijdrage van dat deel van de menigte dat begon in te zien dat de beloofde Messias geen aardse koning, geen rex, bedoeld was te zijn? Maar het grootste deel van de menigte dacht nog in termen van een aardse koning, en dit deel probeerde het andere te overstemmen; het zei zelfs dat het moest "zwijgen". Waarop Jezus de opmerking maakte dat als dit (inzichtsvolle) deel zou ophouden te roepen (over "vrede-in-de-hemel" in plaats van "vrede-op-aarde"), de stenen zelf dit inzicht zouden gaan uitroepen.
Intussen gaat de vertoning door: er worden takken gehakt en neergelegd, de stoet trekt eroverheen, raapt ze weer op en draagt ze naar voren om ze opnieuw neer te gooien en er opnieuw overheen te trekken. Zo gaat het tot de menigte de top van de heuvel bereikt en de stad Jeruzalem in zicht komt. Bij het zien ervan begint Jezus te huilen. Zo bedroefd is Hij over de klaarblijkelijke blindheid van de menigte als geheel voor de betekenis van Zijn komst, over het onbegrip, dat Jezus snikt: "Och, dat u ook nog op deze uw dag zou onderkennen wat tot uw vrede dient! Nu echter is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen, u zullen omsingelen en u van alle kanten in het nauw zullen brengen. En zij zullen u met de grond gelijkmaken en uw kinderen in u verpletteren. Ook zullen zij in u geen steen op de andere steen laten, omdat u het tijdstip waarop er naar u omgezien werd, niet hebt onderkend" (Lukas 19:41-44). Dat aangrijpende tafereel staat zo ongeveer zo ver van een "triomfantelijke intocht" af als maar denkbaar is. De hele tocht zou een betere naam hebben als ze Via Dolorosa heette, de "Weg-van-smart".
Zo groot was de somberheid die de optocht in de ziel van Jezus had gebracht, dat ze daar bleef hangen en doorwerkte. Vanuit die somberheid verrichtte Jezus het enige negatieve wonder dat is opgetekend: het vervloeken van de vijgenboom (dat symbool van het "volk-van-de-belofte"), zodat hij verdorde. Er is reden om aan te nemen dat het ook de herinnering aan de Via Dolorosa was die Jezus de enige opgetekende gewelddaad van de Heiland deed verrichten, toen Hij de ontheiligers van de heilige plaats eruit joeg en hun zei dat ze hun waar maar ergens anders moesten gaan aanbieden.
Jezus had het zien aankomen. Hij had Zich al lang geleden zorgen gemaakt over de "koning-David-mythe" (die later tot de Via Dolorosa leidde) en had actie ondernomen om de zaak recht te zetten voordat het zover kwam. Dat blijkt uit het korte gesprek dat begon met: "Wat denkt u over de Christus? Wiens Zoon is Hij?" — een vraag die natuurlijk beantwoord werd met: "Davids Zoon, uiteraard!" Daarop zei Jezus: "Hoe kan David Hem dan, in de Geest, zijn Heere noemen? ... Als David Hem dan zijn Heere noemt, hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn?" Maar de confusio regnorum zat te diep gegrift in de hoofden van de aangesproken mensen om het punt te vatten dat Jezus maakte. Hadden ze het gevat, dan was de "koning-David-mythe" daar en op dat moment geëindigd. Dan zou de "grote blunder" enkele eeuwen later niet hebben plaatsgevonden. En dan zou het Eerste Amendement niet nodig zijn geweest.
Voordat we verdergaan moeten we enige tijd besteden aan het onderzoeken van het proces tegen Jezus, want het heeft ons veel te vertellen over domeinvermenging — het verschijnsel dat het Eerste Amendement nodig maakte.
Nadat Jezus gearresteerd was en Zijn discipelen een goed heenkomen hadden gezocht, werd Hij voor het Joodse gerechtshof gebracht dat bekendstond als het Sanhedrin, om berecht te worden, zoals vereist. Hier werd Annas gevraagd om voor te zitten — enigszins tegen de regels, want Kajafas was op dat moment wettig de voorzitter van het Sanhedrin. De taak van het voorzitten werd, zo lijkt het, aan Annas gegeven omdat Kajafas een tijdje daarvoor iets gemompeld had over dat het "nuttig" was "dat één Mens sterft voor het volk" (zie Johannes 11:50) — een opmerking waaruit je zou kunnen opmaken dat Kajafas enigszins in de ban was geraakt van het denksysteem van erlösende Gnade. En dat zou hem er waarschijnlijk van weerhouden om tijdens het proces "hard" genoeg tegen Jezus te zijn. (Feit is dat de geïnspireerde schrijver zegt dat de eerdere opmerking van Kajafas de afmetingen had van een "mysterie" — en een "mysterie" is een door God gegeven stukje licht op de werking van erlösende Gnade.) Het is veelzeggend dat zodra het proces tegen Jezus was afgerond, Jezus schuldig was verklaard en het vonnis was uitgesproken — en met een soort verzegeling was bekrachtigd — de voorzittershamer weer in handen van Kajafas werd gelegd. De zaak was immers, met en door die verzegeling, "beklonken", zodat het vonnis niet door Kajafas kon worden teruggedraaid, zelfs al zou hij dat willen.
Natuurlijk lagen de aanklachten die bij het Sanhedrin werden ingebracht op het niveau van de godsdienst: Jezus' aanspraak "de Christus, de Zoon van de Gezegende" te zijn (Markus 14:61), Zijn aanspraak "de Christus" te zijn, "de Zoon van God" (Mattheüs 26:63), Zijn aanspraak de Zoon des mensen te zijn, Die weldra "gezeten zal zijn aan de rechterhand van de kracht van God" (Lukas 22:69). Dit waren aanklachten op het niveau van erlösende Gnade, en de mannen van het Sanhedrin beseften: als de zaak zou worden voortgezet voor de burgerlijke rechtbank van de rex, dan moesten er andere, andersoortige aanklachten komen — aanklachten op het niveau van erhaltende Gnade. Dus stelde het Sanhedrin deze aanklacht op: "Wij hebben ontdekt dat Deze het volk afvallig maakt, en dat Hij verbiedt belasting te betalen aan de keizer en dat Hij van Zichzelf zegt dat Hij Christus, de Koning, is."
De aanklacht over het betalen van belasting was natuurlijk aantoonbaar vals: Jezus had immers juist geadviseerd "Geef dan aan de keizer wat van de keizer is ...". De verzonnen aanklacht was zó doorzichtig vals, zó "verdacht", dat Pilatus bij het horen ervan wel aan zijn oorlel getrokken zal hebben. Dus stelde Pilatus voor de zaak terug te verwijzen naar het Sanhedrin, waar ze thuishoorde. Hij opperde zelfs dat de mannen van het Sanhedrin dan zelf de bestraffing konden uitvoeren die de Joodse wet vereiste.
Om de een of andere (tot dusver onverklaarde) reden werd dit voorstel van Pilatus afgewezen. Je zou een antwoord verwachten in de trant van: "Dank u, edelachtbare! Dat is attent en royaal en billijk van u! We nemen de schuldige mee terug en zorgen ervoor dat hij krijgt wat hij verdient!" Maar in plaats daarvan antwoordden de mannen van het Sanhedrin: "Het is ons niet geoorloofd de doodstraf te voltrekken" — en dat terwijl de functionaris die hun dat recht kon geven, het hun zojuist gegeven hád. Zij aan wie het recht om de doodstraf te voltrekken was gegeven, weigerden de zaak over te nemen. Dat was inderdaad een vreemde reactie van hun kant, een volstrekt onverwachte.
Zo vreemd was het "nee, dank u" van het Sanhedrin, dat het ons brengt tot de gedachte dat we hier opnieuw oog in oog staan met "mysterie" — het "mysterie" van Gods leiding in het programma van erlösende Gnade. Het is beslist veelzeggend dat Jezus Zijn dood door de hand van de rex had voorzegd. Hij had gesproken over "verhoogd worden", een verwijzing naar de kruisiging: de heidense vorm van de doodstraf. Hij had gezegd dat men Hem "ter dood [zal] veroordelen en Hem aan de heidenen [zal] overleveren" (Markus 10:33), dat "de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaars" (Markus 14:41), dat Hij "aan de heidenen [zal] worden overgeleverd" (Lukas 18:32) — allemaal treffende manieren om te zeggen: door de handen van het orgaan van erhaltende Gnade. We hebben hier te maken met een zaak die in de profetie was opgenomen. Zo horen we Petrus zeggen (in het volle licht dat met Pinksteren kwam): "deze Jezus, Die overeenkomstig het vastgestelde raadsbesluit en de voorkennis van God overgegeven is, hebt u gevangen genomen en door de handen van onrechtvaardigen aan het kruis gespijkerd en gedood" — met "onrechtvaardigen" worden hier wettelozen bedoeld: mensen-zonder-Thora, ook wel "heidenen" genoemd.
Alles bij elkaar lijkt het te zeggen dat het proces en de dood van de Heiland een schoolvoorbeeld van confusio regnorum waren — en dat door goddelijke beschikking. Als het ons vergund is de vraag te stellen, en ook haar te beantwoorden, dan zouden we zeggen: het proces en de dood van de Christus waren bedoeld als laboratoriumbewijs dat confusio regnorum door en door slecht is. Dat blindheid voor het bestaan van de twee genades en hun taken — blindheid die leidt tot het dooreenmengen van die twee — huiveringwekkend verkeerd is. Als dat zo is, dan blijkt het Eerste Amendement een inenting te zijn tegen een vreselijke ziekte.
Tijdens het proces had Pilatus de vraag gesteld of Jezus een koning was. Op die vraag kon Jezus geen ja en geen nee antwoorden, want het antwoord hing ervan af of het woord "koning" op een rex doelde of niet. Voordat Jezus de vraag kon beantwoorden, moest er dus een bepaling bij het woord "koning" geleverd worden. Daarom vroeg Jezus aan Pilatus om zo'n bepaling te leveren. Hij deed dat door te vragen: "Zegt u dit uit uzelf of hebben anderen het u over Mij gezegd?" — een vraag die je ook zó zou kunnen weergeven: "Bedoelt u met 'koning' een rex, een heerser en bestuurder op het niveau van erhaltende Gnade — of bedoelt u met 'koning' een heerser op het niveau van erlösende Gnade?" Had Pilatus gezegd dat hij met "koning" een heerser in de eerste betekenis bedoelde, dan was het antwoord een beslist "Nee, zo'n koning ben Ik niet" geweest. Had hij gezegd dat hij een heerser in de tweede betekenis bedoelde, dan was het een even nadrukkelijk "Ja, Ik ben een Koning!" geweest.
Onnodig te zeggen dat die vraag veel te "theologisch" was voor Pilatus (zoals ze dat voor heel veel mensen blijft, zelfs voor sommige theologen). Dus beet hij Jezus toe:
"Ziet u mij soms aan voor nóg een Jood — voor een lid van dat volkje dat zich met dat soort vragen bezighoudt, alsof het wat uitmaakt uit welk klimaat een vraag komt?" En Pilatus voegde eraan toe: "Bedenk dat Uw eigen volk U aan mij heeft overgeleverd om berecht te worden" — waarmee hij bedoelde dat de vraag die Jezus zojuist gesteld had, eigenlijk al beantwoord was. Vervolgens stapte Pilatus weg uit de wereld van de fijne onderscheidingen en terug in de wereld van de "praktische mensen", door Jezus te vragen: "Wat hebt U gedaan?"
Maar Jezus was te zeer geïnteresseerd in de onderscheidingen rond het koningschap om mee te gaan in de verandering van onderwerp die Pilatus voorstelde. Hij bleef bij het "koning"-probleem, en zei: "U zegt dat Ik een Koning ben. Hiervoor ben Ik geboren en hiervoor ben Ik in de wereld gekomen: om voor de waarheid te getuigen. Iedereen die uit de waarheid is, geeft aan Mijn stem gehoor." Pilatus moet bij zulk gefilosofeer zijn hoofd geschud hebben, en hij moet besloten hebben er geen tijd meer aan te geven. Dus zei hij, terwijl hij zich al half omdraaide: "Wat is waarheid?" — en hij begon weg te lopen.
Ja, hierop keert Pilatus Jezus de rug toe en gaat naar de Joodse aanklagers van Jezus, die buiten de rechtszaal staan (om niet verontreinigd te worden). Hoofdschuddend zegt Pilatus: "Ik vind geen schuld in Hem!" Hij overweegt Jezus vrij te laten. Maar Hem zomaar laten gaan zou waarschijnlijk alleen maar een nieuw probleem oproepen. Hij lijkt zich voor te stellen dat de Joden buiten misschien genoeg hadden opgevangen van wat er in de rechtszaal gaande was om hun de vraag te kunnen voorleggen of Jezus als vrij man naar huis mocht. Het schiet Pilatus te binnen dat het zo ongeveer tijd is voor weer zo'n vrijlating. Dus zegt hij tegen de vertegenwoordigers van het Sanhedrin: "U hebt de gewoonte dat ik op het Pascha iemand voor u loslaat. Wilt u dan dat ik de Koning van de Joden voor u loslaat?" Zó overduidelijk onschuldig was Jezus in Pilatus' ogen, dat hij zich verbeeldde dat de Joden inmiddels zelfs spijt hadden dat ze Hem voor het gerecht hadden gebracht. Maar hier stond Pilatus een grote verrassing te wachten, want de roep was: "Niet Deze, maar Barabbas!" Wat kon Pilatus, bij zo'n antwoord, anders doen dan teruggaan naar de rechtszaal en daar de vertegenwoordigers van het Sanhedrin ter wille zijn? Vanaf dat moment laat hij de aanklagers hun gang gaan. Hij doet wat ze van hem wilden: Jezus ter dood veroordelen. De rest van het treurige verhaal bespreken we niet. We voegen er wél aan toe dat Pilatus, terwijl de rest van de zaak zijn loop nam, besloot het Sanhedrin — en het volk dat het vertegenwoordigde — een klap in het gezicht te geven. Hij liet zijn vaklieden een bord maken met een opschrift in drie talen (zodat alle voorbijgangers het konden lezen en erom konden lachen), dat iedereen liet weten dat de man die aan het kruis was genageld de "koning" van de Joden was — de vervulling van de "koning-David-mythe". De mannen van het Sanhedrin voelden de "steek" heel goed, en ze ondernamen stappen om de aanstootgevende aankondiging tussen aanhalingstekens te laten zetten, zodat duidelijk zou zijn dat het volk dat het Sanhedrin diende deze uitdrukking niet had gemunt. Maar Pilatus had er schoon genoeg van — zó genoeg, dat zijn korte antwoord luidde (niet voor niets in het Latijn): "Quod scripsi scripsi", "wat ik geschreven heb, heb ik geschreven". Dat wilde zoveel zeggen als: "Vraag me niet om ook maar iets aan deze zaak te veranderen — het is tijd om weer eens de spot te drijven met jullie dwaze Joden."
Toen het proces tegen Jezus was afgerond en Jezus gekruisigd was, gingen de dienstdoende soldaten zich op eigen houtje "vermaken" — een vermaak dat eveneens draaide om de gedachte dat Jezus een "koning" van een "rijk" was. Ze schreeuwden Hem toe:
"Gegroet, Koning van de Joden!" En ze parodieerden wat ze in Rome hadden gezien wanneer een rex de status van heerser kreeg. We zullen geen kostbare tijd besteden aan de dingen die de soldaten zeiden en deden — al is het een voorbeeld van de harteloosheid die zo gemakkelijk en zo geregeld meekomt met het hanteren van het zwaard, dat symbool van het programma van erhaltende Gnade.
We willen wél even de tijd nemen om te luisteren en te kijken naar de trekken van erlösende Gnade die in dit verband zijn opgetekend. Zoals het verzoek van de lippen van een man die samen met Jezus gekruisigd was, de bede: "Heere, denk aan mij, als U in Uw Koninkrijk gekomen bent!" Had de man misschien het gedrag van Jezus gezien toen ze allebei nog op vrije voeten waren? Of hadden de dingen die Jezus zei en deed terwijl Hij aan het kruis hing, diepe indruk op hem gemaakt? Jezus antwoordde hem (tussen het kreunen door): "Voorwaar, zeg Ik u, heden zult u met Mij in het paradijs zijn." Zelfs terwijl Hij aan het kruis hing, krimpend van de pijn, bleef Jezus werken aan Zijn opdracht in het programma van erlösende Gnade — we zien Hem immers ook nog een regeling treffen voor het welzijn van Zijn moeder.
We zeiden dat we geen tijd zouden besteden aan de bespottingen waaraan de soldaten Jezus blootstelden. Maar we geven wél wat tijd aan de spot die gedreven werd met de termen van erlösende Gnade — het soort spot dat besloten ligt in een opmerking als: "Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen." Alsof de enige verlossing die iemand nodig heeft, of genieten kan, het vermogen is om zich vrij te bewegen. We krijgen ook de spot te horen: "U Die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf" — door van het kruis af te komen.
We zien dat heel het leven van Christus zich afspeelde in de context van de confusio regnorum. Niets zou hetzelfde zijn geweest als deze confusio er niet was geweest. Dat gaat zó ver dat — als de Schrift ons niet duidelijk leerde dat de boodschap van het Nieuwe Testament wordt samengevat in Johannes 3:16, met zijn "Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft" — we zouden kunnen concluderen dat ze wordt samengevat in een waarschuwing tegen het verwarren van het programma van verlossende genade met het programma van bewarende genade.
Zó gemakkelijk vervallen wij mensen tot domeinvermenging, dat zelfs na de opstanding van Jezus Zijn discipelen bedroefd te horen waren: "En wij hoopten dat Hij het was Die Israël zou verlossen. Maar al met al is het vandaag de derde dag sinds deze dingen gebeurd zijn." De strekking van deze trieste zin was dat het begon te lijken alsof het programma van erlösende Gnade was mislukt (Lukas 24:21). We horen de discipelen van Jezus na de opstanding zelfs vragen:
"Heere, zult U in deze tijd voor Israël het Koninkrijk weer herstellen?" (Handelingen 1:6) — een vraag die laat zien dat de "koning-David-mythe" nog springlevend was. Kennelijk vonden zelfs Jezus' volgelingen het nog moeilijk om van de mythe los te komen, zodat we Jezus als antwoord horen zeggen: "O onverstandigen en tragen van hart! Dat u niet gelooft al wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?" Het was nog altijd nodig dat Jezus onderwees, beginnend "bij Mozes en al de profeten", en uitlegde wat "in al de Schriften" over Zijn persoon en Zijn zending in het programma van erlösende Gnade geschreven was (zie Lukas 24:32).
Ons onderzoek naar de "Grotere Opvolger" van Johannes de Doper zou niet compleet zijn zonder een korte blik op Zijn houding tegenover de tempel. Het sierlijke bouwwerk lijkt in Zijn ogen helemaal niet belangrijk te zijn geweest. Ja, het is waar dat Jezus erin besneden werd. Ja, het is waar dat Hij er als twaalfjarige naartoe werd gebracht, door Jozef en Maria. Ja, het is waar dat Hij er achterbleef (toen deze verzorgers van Hem weer naar huis gingen), zodat Hij de kans kreeg daar met de deskundigen van die tijd in gesprek te gaan, hen op belangrijke punten te corrigeren en hen zelfs te verbazen met de inzichten van de jongen (Lukas 2:41). Maar wanneer Jezus behoefte had aan een "heiligdom", een passende omgeving om te werken aan het programma van erlösende Gnade, ging Hij niet naar de tempel maar naar de woestijn (opnieuw een punt waarin Johannes de Doper de voorloper was geweest). Feit is dat de discipelen van Jezus in hun leider een tamelijk lage waardering van de tempel schijnen te hebben bespeurd, want ze probeerden die te corrigeren door de aandacht te vestigen op het fraaie metselwerk — een zet die Jezus deed zeggen dat de tijd kwam waarin er geen steen op de andere gelaten zou worden. In dit verband vergeleek Jezus de tempel met Zijn lichaam: ook dat zou worden afgebroken, om na drie dagen weer te worden opgebouwd. In het denksysteem van Jezus was Zijn lichaam een vervanging-van-de-tempel — niet alleen in het afgebroken en weer opgebouwd worden, maar ook als het instrument dat bedoeld was om contact te leggen tussen mens en Maker. Natuurlijk was de overeenkomst tussen Jezus' lichaam en de tempel op het punt van dat contact te "diep" om begrepen te worden door mensen die nog onrijp waren. Voor hen klonk het praten over een "tempel" die afgebroken en in drie dagen herbouwd zou worden gewoon als de "grootspraak" die je van zo'n timmermanszoon kon verwachten. Bij hen was de voorzegging van de opstanding van Jezus het ene oor in en het andere weer uit gegaan — ze was gewoon te "diep" voor hen.
Het zal daarom geen verrassing zijn dat er in de traditie van het Overblijfsel (waarover we nog meer zullen horen) eenzelfde geringschatting van tempels bestond — tempels, de dingen waar in de etnische godsdiensten alles om draait. De mensen van het Overblijfsel noemden heiligdommen (ook die van het "christendom") "cumuli lapidum", dat wil zeggen: "steenhopen". Dit omdat die heiligdommen als zodanig het cement waren dat de dingen bijeenhoudt, op het niveau van de samenleving én op het niveau van de godsdienst. Het komt dan ook niet als een verrassing dat er in het klimaat dat het Eerste Amendement heeft voortgebracht geen bouwwerken meer worden neergezet die terecht "kathedralen" heten. (De "Crystal Cathedral" had niet zo genoemd moeten worden.)
Met de tamelijk lage kijk op de tempel die we bij Jezus aantreffen, wandelde Hij opnieuw in de voetsporen van Zijn voorloper. Johannes de Doper zag niet alleen de woestijn als de ontmoetingsplaats tussen mens en Maker — een visie die de tempel en soortgelijke heiligdommen overbodig maakte — maar zijn gebrek aan een verheven kijk op tempels kan nog versterkt zijn door het feit dat proselieten, zijn "ideale" mensen, geen vrije toegang kregen tot het heilige der heiligen. Als Johannes nog geleefd had, zou hij zich verheugd hebben over wat er met het voorhangsel gebeurde, het scheidingsgordijn, toen het scheurde "van boven tot beneden" — een treffende manier om te zeggen dat het door de Almachtige gedaan werd, want "gewoon" scheuren van gordijnen gaat van beneden naar boven, niet van boven naar beneden.



