Het vraagteken aan het eind van de titel van dit hoofdstuk is veelzeggend. We hebben gezien dat de religie — de manier van samenbinden — die in de Schrift wordt voorgehouden, is afgestemd op het maatschappelijk compositisme. En we hebben erop gewezen dat het echte christendom en de etnische godsdiensten hierin in tegengestelde richtingen trekken. Wordt ons nu, in dit hoofdstuk, verteld dat er een tijd kwam waarin de godsdienst die het compositisme voortbrengt, etnisch werd — dat ze de weg van de overige religies begon te gaan?
Om de stelling uit het vorige hoofdstuk 'dicht te spijkeren' met nog meer bewijs van het pure individualisme in het Oude Testament, wijzen we erop dat in het Oude Testament alles begint met afzonderlijke gelovigen. Met een man die Henoch heette en die 'met God wandelde' — die hand in hand met de Schepper ging, zodat hij 'er niet meer was', omdat God 'hem had weggenomen' (Genesis 5:24). We lezen ook over zo'n andere, even sporadische en op zichzelf staande heilige van God, Seth geheten. Nog zo iemand was Melchizedek, een heilige 'zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom' (als heilige, wel te verstaan, niet als mens). Er is goede reden om aan te nemen dat ook de man die Job heette in deze vroege tijd leefde — een tijd waarin er nog niet zoiets bestond als een gezin dat zich aan één bepaalde godsdienst had verbonden. We lezen tenminste dat 'zijn zonen gewoon waren om een maaltijd aan te richten, ieder op zijn beurt in eigen huis, en dat zij hun drie zusters uitnodigden om met hen te eten en te drinken. En als de dagen van de maaltijden voorbij waren [een maaltijd waar, zo lijkt het, vader noch moeder bij aanwezig was], dan riep Job hen bij zich; hij stond 's morgens vroeg op en bracht het brandoffer voor ieder van hen, want Job zei dat het kon zijn dat zij gezondigd hadden, dat zij God in hun hart vaarwel hadden gezegd — zo deed Job alle dagen' (Job 1). We krijgen de indruk dat deze Job een godsdienst had waar zijn kinderen nog niet aan deelnamen: een 'gezin' dat uit twee soorten mensen bestond.
Maar er kwam een tijd waarin een 'roeping van Abram' plaatsvond. Met die 'roeping' verscheen er een samenhorigheid die tot dan toe niet had bestaan. Toch was het, zoals we duidelijk zullen proberen te maken, geen typische samenhorigheid zoals we die in een typische etnische godsdienst aantreffen. Het was een benadering daarvan, want er botsten altijd 'Israëlieten-naar-het-vlees' op 'Israëlieten-naar-de-geest'. Met de roeping van Abram verscheen er wel degelijk een door stamgrenzen omlijnd Volk Gottes — maar het was nooit een samenleving zonder innerlijke scheidslijn. We voegen hier nog aan toe dat deze benadering van een etnische godsdienst niet blijvend was, want (zoals we zullen zien) ze kwam tamelijk plotseling tot een einde.
De 'roeping van Abram' had twee bewegingen. De ene beweging was: 'Ga weg uit hun midden en zonder u af', en de andere was: 'en in u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.' (In deze 'roeping van Abram' hebben we opnieuw een ellips: de ellips van 'in de wereld' maar niet 'van de wereld'.) Toch staat vast dat — zoals maar al te vaak het geval is — de ellips tot een cirkel werd gemaakt. Want hoewel de 'kinderen van Abraham' wél gehoor gaven aan de roep om 'weg te gaan', om zich 'af te zonderen', verzuimden zij gehoor te geven aan de roep om 'tot zegen voor alle volken' te zijn. Om een staaltje van dit cirkelvormig maken van de ellips te zien, hoeven we maar het Bijbelboek Jona uit het Oude Testament te lezen. Daarin lezen we over een profeet van het 'uitverkoren geslacht', uitgezonden naar de massa mensen die woonden in de reusachtige stad Ninevé. Jona kreeg de tekst mee waarover hij moest preken: een tekst die zei dat de stad vanwege haar onverdraaglijke gedrag verwoest zou worden. Veelzeggend genoeg rook de profeet Jona, de mond van de HEERE, een luchtje dat hij niet lustte — een luchtje dat hem ervan weerhield naar Ninevé te gaan, een luchtje waarin op zijn minst de geur hing van mogelijke vergeving voor heidenen. Had de man de geur van 'vergeven' opzij kunnen zetten, dan was hij meteen naar Ninevé gegaan, en in de hoogste versnelling, want hij had er niets op tegen dat Ninevé eraan zou gaan. Hij zag in de tekst die hij had meegekregen een soort tussenzin gevouwen, misschien een voetnoot, die sprak van vergeving-als-antwoord-op-berouw.
Dus ging de gezondene scheep — niet de 'zee van de mensheid' op, zoals die in de wereld van toen genoemd werd (zoals in Psalm 98:7), maar de letterlijke zee op, die de onwillige profeet bijna levend verzwolg. Hij werd uit die 'zee' getrokken. Daarop zond zijn zender hem een tweede keer, met dezelfde tekst. Nu ging hij wél. En het liep zoals Jona had vermoed: Ninevé bekeerde zich, doorliep een litanie van berouw waaraan zelfs de gedomesticeerde dieren moesten meedoen, zoals de koeien en de geiten (wat laat zien hoe consequent de gedachte van 'iedereen erbij' in de etnische godsdiensten van die tijd doorwerkte). De HEERE had de dreiging ingetrokken. Hoe ver Jona ervan af stond om naar de tweede beweging van de ellips uit de 'roeping van Abraham' te handelen, blijkt hieruit: hij hield niet alleen op met preken, maar ging zitten huilen en zei: 'Had ik het U niet gezegd, U die zo vergevingsgezind bent, dat dit zou gebeuren?' We zijn geneigd te vragen of het vanwege dit cirkelvormig maken van de ellips was dat het 'experiment' dat met de 'roeping van Abraham' begonnen was, werd beëindigd (zoals we in het volgende hoofdstuk proberen aan te tonen).
We voelen de behoefte om bij het woord 'experiment' op te merken dat dat woord eigenlijk niet past bij het handelen van de Almachtige — al vinden we een zeer gezaghebbend theoloog in Nederland zeggen dat 'gezien de grote misser die het bleek te zijn, het experiment niet herhaald zou moeten worden'. Zoals we zullen zien (verderop in dit boek) is de gedachte van een 'uitverkoren volk' wel degelijk in de geschiedenis teruggekeerd. En (zoals we zullen aantonen) was het de bedoeling van het Eerste Amendement om niet toe te staan dat het in de 'Nieuwe Wereld' herhaald werd.
Nu we spreken van een 'benadering' van de etnische godsdiensten, zijn er twee feiten die we in gedachten moeten houden. Het eerste is dat het volk dat eruit voortkwam, het nooit eens was over het samenbinden van de verschijnselen die het tegenkwam. Er was nooit monoloog. Er was altijd dialoog, een dialoog die geregeld uitliep op controverse, en dat in verhitte vorm. Nauwelijks waren er nakomelingen van Abraham ten tonele (de een Ismaël geheten, de ander Izak), of we zien hen verre van eensgezind. En niet lang daarna treffen we een man aan die Jakob heette, in onmin met zijn eigen broer Ezau.
Het feit is dat de gedachte van 'insiders' en 'outsiders' zo uitgesproken werd, dat we al gauw een eenzame 'insider' horen zeggen: 'Ik alleen ben overgebleven, en zij staan mij naar het leven om het mij te benemen' (1 Koningen 19:
10). Het is waar dat de HEERE na deze klacht Zijn profeet opdroeg om de 'één' in een 'zeven' te veranderen en er vervolgens drie nullen achter te zetten — maar deze voorgeschreven verbreding maakte op zichzelf geen einde aan het compositisme. Ze liet de benadering ongeschonden en onveranderd.
Het feit dat in en met het volk dat uit de 'roeping van Abraham' was voortgekomen, het maatschappelijk compositisme níét beëindigd was, blijkt vooral uit de Psalmen. Weliswaar wordt er in de Psalmen nu en dan ook verwezen naar een 'vijand' die ver weg woont (zoals de Moabieten en de Filistijnen), maar voortdurend wordt er een 'vijand' geschetst die veel dichter bij huis woont. Bijvoorbeeld in Psalm 55, met zijn: 'Het is geen vijand die mij hoont — anders zou ik mij voor hem verborgen hebben — maar u bent het, mijn gelijke, mijn vertrouwde vriend; wij die zeer aangenaam en vertrouwelijk met elkaar omgingen, wij wandelden samen naar Gods huis.' Kan het in duidelijker (en krachtiger) taal gezegd worden dat er onder het 'volk van de belofte' een diepgewortelde verscheidenheid op het niveau van de godsdienst was — dat er 'Israëlieten-naar-het-vlees' waren zowel als 'Israëlieten-naar-de-geest', waarbij de eersten de laatsten verreweg en te allen tijde in aantal overtroffen? (Zoals we later in dit onderzoek zullen zien, werd de gedachte van 'insiders' en 'outsiders' op het niveau van de godsdienst in de vierde eeuw overgebracht naar de kerk van het 'christendom': de 'insiders' werden bekend als het Corpus Christi en de 'outsiders' als het Corpus Christianum, de 'gekerstende' samenleving — naarmate alles etnisch werd.)
We kunnen het niet vaak genoeg zeggen: tijdens het 'experiment' dat met de 'roeping van Abram' begonnen was, was het gevaar van verwarring van de twee genades voortdurend zeer reëel. Om te voorkomen dat die verwarring zou optreden, kreeg Abram de opdracht om op weg te gaan, met alles wat hij had, en naar een 'vreemd land' te trekken: een land dat al dichtbevolkt was, een land waarin al een heidense rex heerste. Dit hield in dat Abram en de zijnen bijwoners zouden zijn, een volk-binnen-een-volk. Het was een situatie waarin er al gauw een apartheid kon ontstaan, van ingezetenen en nieuwkomers.
Nadat hij daar geruime tijd had doorgebracht — lang genoeg om het 'volk van de belofte' tamelijk talrijk te maken — kwam er een hongersnood over het land waar Abraham heen was gegaan; en hem werd gezegd naar Egypte te verhuizen (waar de bevloeiing, mogelijk gemaakt door de rivier de Nijl, het ontstaan van hongersnood verhinderde). Hier verbleven de kinderen van Israël vervolgens zo'n vier eeuwen lang; ze mochten er hun eigen godsdienst hebben, en wel omdat ze een verzameling slaven waren. Ze bleven die godsdienst inderdaad uitoefenen — al keken ze, zo bleek, ook naar de Egyptenaren terwijl díé de hunne uitoefenden. Het is duidelijk dat dit kijken al gauw méér dan louter toekijken zou worden.
Omdat dat kijken méér dan dat begon te worden, gaf de Almachtige — zo lijkt het — opdracht tot een nieuwe volksverhuizing, dit keer terug naar Palestina, waar ze lang geleden gewoond hadden. In dit verband is het zeker veelzeggend dat zodra de kinderen van Israël niet meer konden terugkijken op het Egypte dat ze hadden verlaten en op zichzelf in de woestijn waren, een van hun leiders, Aäron (die de leiding had omdat de andere leider, Mozes, een hoge berg op was gegaan), het volk de gouden sieraden liet brengen die het bezat. En hij droeg degenen die in Egypte het vak van afgodenmaker hadden uitgeoefend, op om die sieraden te gieten in de vorm van een kalf, dat dan vereerd moest worden. Natuurlijk werd Aäron berispt omdat hij de Egyptenaren nadeed — een berisping waaraan hij probeerde te ontkomen door te zeggen (en daarbij loog hij) dat hij niet in de onderwerpsrol had gestaan, maar juist in de voorwerpsrol (een verdraaiing van de feiten als geen andere!).
Na een paar eeuwen in het beloofde land doorgebracht te hebben, scheurde het volk van Israël uiteen. Nu waren er twee volken, nog steeds met dezelfde godsdienst, maar elk levend onder zijn eigen rex; ze vochten zelfs tamelijk vaak met elkaar.
Daarop werd het volk van Israël in ballingschap gevoerd, naar Babel. Daar weigerden ze te bidden voor de rex onder wiens heerschappij ze nu moesten leven. Ze stelden zelfs 'profeten' aan om het weggevoerde volk van Israël te leren níét voor die rex te bidden — waarop de HEERE Zijn profeet zond met de opdracht om juist wél gebeden voor de rex op te zenden, ook al vereerde die de God van Israël niet (zie Jeremia 29:7).
Of die opdracht werd opgevolgd, en in welke mate, kunnen we onmogelijk met zekerheid zeggen — maar dit weten we wél: het duurde niet lang of de rex voor wie gebeden werd, kwam met het voorstel dat de groep ballingen vrijuit mocht gaan, hun spullen mocht pakken en terug mocht keren naar hun geboorteland. Was er een grootscheepse osmose geweest? Was de rex geraakt door de ervaring dat er voor hem gebeden werd door mensen tegenover wie hij, en zijn voorgangers, zo 'gemeen' waren geweest — zo 'gemeen' dat ze hen in ballingschap hadden gevoerd?
Nadat de ballingen op het onverwachte voorstel van de rex waren ingegaan en naar Kanaän waren teruggekeerd, was het eerste wat ze ondernamen het enigszins herstellen van de tempel die het hoofdkwartier van de godsdienst van hun voorouders was geweest. Dit laat zien hoezeer ze de ontmoetingsplaats hadden 'gemist'. Hoewel toeschouwers de tempelherstellers beschuldigden van het voornemen om de inheemse rex te vervangen door een geïmporteerde — een rex die toegewijd was aan de godsdienst van de teruggekeerde ballingen — zeiden zij dat dit niet het geval was, dat de beschuldiging verzonnen was. Bij de teruggekeerde ballingen ging het in de eerste plaats, en naar het schijnt uitsluitend, om hun godsdienst de nodige 'oppepper' te geven. Er was een leegte in hun leven geslopen toen ze ver weg in ballingschap waren, en daarom stond bovenaan hun agenda het plan om die leegte de nodige vulling te geven. De teruggekeerde ballingen leden nog niet aan wat we confusio regnorum zullen noemen, de vermenging van de rijken.
Maar zoals te voorspellen was geweest, zou het idee van
twee genadeprogramma's (geboren uit de gedachte van de twee genades, de ene erhaltend en de andere erlösend, zo uniek als die is) met zich meebrengen dat na verloop van tijd de domeinvermenging zou terugkeren. En zo gebeurde het ook. Als gevolg van deze terugkeer naar de confusio regnorum werd er een reeks oorlogen ontketend, bekend als de Makkabese oorlogen. Deze oorlogen hadden in hun kern de wens, en het voornemen, om de bestaande regering en haar rex af te zetten, en op de opengevallen plaats een heerser te zetten die verslingerd was aan de godsdienst van de Israëlieten. Aangezien dát het doel van deze Makkabese oorlogen was, is het geen verrassing dat ze mislukten — en wel volledig.
Omdat een man die David heette de rex was geweest die had geregeerd, maar tegelijk nauw verbonden was met de godsdienst die de getrouwe profeten predikten, begon hij een stralenkrans te krijgen. Dit leidde tot het ontstaan van wat de 'koning-David-mythe' is gaan heten: de mythe die de voorspelling bevatte dat er ooit, ergens in de toekomst, een heerser zou opstaan uit het volk van Israël — een heerser die oorlog zou voeren tegen de rex, hem zou afzetten en zichzelf in zijn plaats zou stellen.
Zoals in latere delen van dit boek zal blijken, werd heel het leven van Jezus geleefd te midden van de spanningen die de 'koning-David-mythe' onvermijdelijk opriep. Nauwelijks ging het bericht rond dat er een mogelijke opvolger van koning David geboren was, of het kind Jezus moest, samen met Zijn moeder en haar man, naar Egypte vluchten. Want de rex had bevel gegeven om de kandidaat niet alleen op te sporen en aan het gerecht uit te leveren, maar er werd ook een plan bedacht om de kandidaat te 'pakken' door alle jongetjes die binnen een bepaalde periode geboren waren, te laten doden. Van toen af aan, tot aan het opschrift op het kruis waaraan Jezus genageld werd, zat Jezus gevangen in de 'koning-David-mythe'. We zullen de nodige tijd nemen voor een overzicht van de loopbaan van de Heiland in verband met de 'koning-David-mythe'.
Maar eerst moeten we de nodige tijd besteden aan de man die bedoeld was als de 'voorloper' van Jezus, Zijn 'wegbereider': aan Johannes de Doper, zoals hij is gaan heten. We zullen zien dat door zijn zending het 'experiment' tot zijn einde kwam.



