De overheid en het overblijfsel

"Naar het beeld van God gemaakt"

Hoofdstuk 1 van 13·33 min leestijd
14%

Zoals we al zeiden, begint de Schrift met de uitspraak dat het schepsel dat "mens" heet, "naar het beeld van God gemaakt" is. Zo radicaal, zo ongehoord — unerhört — is alleen al de gedachte van een schepsel dat gemaakt is om op zijn Schepper te lijken, dat het verslag vertelt dat er eerst een beraad was om het plan te bespreken, en dat het plan daarna werd uitgevoerd.

Wat is dat: bestaan "naar het beeld van God"? Waarin lijkt dit schepsel, de kroon en sluitsteen van het scheppingswerk, op zijn Maker? De Bijbel geeft het antwoord op die vraag, en wel meteen. Bestaan "naar het beeld van God" is: in staat zijn om "heerschappij te voeren". En wat is dat dan? Het is het vermogen om de dingen te besturen, om "soeverein" te zijn (het woord komt van het Latijnse super, via het Oudfrans). Soeverein zijn is zeggenschap hebben over de koers. Die eigenschap heeft de Schepper in oervorm, en het schepsel dat naar Zijn beeld gemaakt is, heeft haar in afgeleide vorm.

Het is beslist veelzeggend dat dit begrip — zeggenschap over de koers, het vermogen om op de bestuurdersplaats te zitten en zelf te sturen — een geweldige uitwerking op de dingen heeft gehad. Eruit voortgekomen is de uitdrukking "het protestantse arbeidsethos", met alle prestaties die in dat begrip besloten liggen. Het enige alternatief voor zeggenschap over de koers is de levenswijze die bekendstaat als "de verzamelaarssamenleving". In streken waar zeggenschap over de koers onbekend is, treffen we aan wat terecht "achtergeblevenheid" wordt genoemd: de achterstand van de verzamelaarssamenleving.

Voor het vermogen om soeverein te zijn, om zelf aan het stuur te staan, is een nuttig woord uitgevonden: het woord "ketter". Omdat dat woord in de loop van de tijd een andere betekenis heeft opgepikt, zetten we het steeds tussen aanhalingstekens — om de lezer er telkens aan te herinneren dat we het niet in zijn moderne, maar in zijn oorspronkelijke betekenis gebruiken. Het woord ketter, en het woord ketterij, komen van het Griekse werkwoord hairein, dat betekent: vooralternatieven staan en daartussen een keuze maken. Pas toen het kiezen in de loop van de tijd werd toegepast op het terrein van de godsdienst (een ontwikkeling waarover we straks uitvoerig moeten spreken), pas toen het werd gezien als de zonde der zonden, kreeg het woord zijn moderne betekenis. Omdat het maken van keuzes in de ogen van het echte christendom verre van verkeerd is — het is zelfs wat de mens tot mens maakt — zullen we de woorden ketter en ketterij in hun moderne betekenis vrijwel ongebruikt laten. Wij gebruiken ze in hun oorspronkelijke betekenis, en daarom zetten we ze, zoals gezegd, tussen aanhalingstekens.

Misschien is de lezer geholpen met een paar voorbeelden van de woorden ketter en ketterij in hun oorspronkelijke, etymologische (nu verouderde) betekenis. De zeventig geleerden die twee eeuwen vóór de geboorte van Christus het Oude Testament in het Grieks vertaalden, kwamen op een gegeven moment bij het begrip "vrijwillige gave" — een offer waarbij een Israëliet mocht kiezen tussen brengen of niet brengen. Ze gaven het weer met "het ketterse offer". En als voorbeeld van het woord ketterij dat nog zijn oorspronkelijke betekenis draagt, halen we 1 Korinthe 11:19 aan. Paulus, die heel goed wist dat de gedachte van een samengestelde samenleving in Korinthe volstrekt nieuw was, schreef daar: "Want er moeten ook afwijkingen in de leer onder u zijn, opdat wie beproefd blijken te zijn, in uw midden openbaar komen." In het Grieks staat voor "afwijkingen in de leer" het woord haireseis: hier wordt het maken van keuzes dus nog altijd "ketterij" genoemd. Je ziet hoe de vertalingen het woord weergeven met "afwijkingen" of "partijschappen" of iets dergelijks — terwijl er kiezen bedoeld is: kiezen waar twee gezindheden tegenover elkaar staan.

We wijzen er hier op dat het onderscheid tussen "rein" en "onrein" al snel werd ingevoerd als een soort praktijkoefening in het maken van keuzes — een lesuur in "ketteren", zogezegd. (We beseffen dat we hier alweer een vreemd woord invoeren, maar de situatie rechtvaardigt dat. We vragen onze lezers om ook dat "vreemde" woord "ketteren" in zich op te nemen.)

Omdat schepselen die naar Gods gelijkenis gemaakt zijn tot zeggenschap over de koers in staat zijn, kunnen ze ook schuld op zich laden. Schuld is immers: links zijn afgeslagen waar je rechtsaf moest, of omgekeerd. Het woord "schuld" zelf veronderstelt verkeerd "ketteren". Het veronderstelt dat je in de onderwerpsrol stond.

We wijzen er hier op dat wij, gevallen mensen, er een handje van hebben te ontkennen dat we in de onderwerpsrol stonden; we beweren dan dat we in de voorwerpsrol zaten. Een paar voorbeelden van deze "truc" van schuldige mensen. Toen de Adam van Genesis ter verantwoording werd geroepen voor zijn verkeerde keuze, probeerde hij zijn Rechter te laten geloven dat hij in de voorwerpsrol had gezeten. Daarom zei hij: "De vrouw die U gaf om bij mij te zijn, die heeft mij van die boom gegeven en ik heb ervan gegeten." En toen ook Eva op het matje werd geroepen voor haar verkeerde keuze, probeerde zij net zo onder de netelige situatie uit te komen: "De slang heeft mij bedrogen en ik heb ervan gegeten." Zo gaat het keer op keer, aan één stuk door. Als de zaak niet zo ernstig was als ze is, zou het goede komedie zijn om Aäron te zien proberen van de onderwerpsrol naar de voorwerpsrol te schuiven. Hij had zelf het volk opgedragen hem hun goud te brengen, en zelf zijn werklieden bevolen het te gieten in de vorm van het gouden kalf (zoals ze de Egyptenaren hadden zien aanbidden) — maar in plaats daarvan horen we hem zeggen:

"Ik gooide het in het vuur en dit kalf kwam eruit tevoorschijn" (Exodus 32:24). Zo gaat het maar door, ook in de moderne tijd. Wie heeft nooit een kind, betrapt op iets verbodens, uit de onderwerpsrol in de voorwerpsrol zien vluchten met de woorden: "Kijk nou wat je me liet doen!"?

Of een mens wél of geen zeggenschap over de koers heeft, is een geloofszaak — geen vraag die met statistieken te beslechten valt. We durven te stellen dat de godsdienst van het atheïstische evolutionisme zo goed "verkoopt" omdat ze een vluchtroute biedt waarlangs het begrip schuld verdampt. Zo lang en zo geestdriftig is de godsdienst van het atheïstische evolutionisme in onze samenleving gepredikt, dat de instellingen die vroeger "penitentiaire inrichtingen" heetten — boetehuizen — die naam niet meer dragen. Ze hebben nu namen gekregen die minder naar schuld verwijzen, zoals "verbeterhuizen". En omdat het gedrag van mensen als niets anders wordt gezien dan het gedrag van een kool op de akker, is de moderne mens opgehouden van "moord" te spreken. Dat woord veronderstelt immers dat de mens werkelijk een ander soort schepsel is dan een konijn (dat we zonder enige gewetenswroeging doodschieten) — dat zijn daad méér is dan zomaar gedrag, gedrag waarvoor geen enkele maatstaf zou bestaan.

De godsdienst van het atheïstische evolutionisme is in het "dumpen" van het schuldbegrip al zó ver gegaan, dat we een jurist die haar is toegedaan, tijdens het zogeheten Scopes-proces (dat over deze godsdienst ging) horen zeggen: "Achter het idee van de doodstraf liggen valse vorming en primitieve opvattingen over menselijk gedrag. Mensen doen dingen, zo zeggen rechters, advocaten en predikers, vanuit een verdorven hart. Menselijk gedrag, zeggen zij, wordt niet bepaald door de oorzaken die het gedrag van dier en plant in het heelal bepalen. Om een of andere geheimzinnige reden, zeggen zij, handelen mensen zoals het hun belieft; en als het hun niet belieft op een bepaalde manier te handelen, dan komt dat doordat ze, met hun keuzevermogen, welbewust verkiezen verkeerd te handelen ... Het simpele feit is dat ieder mens het leven begint met een bepaalde lichamelijke structuur, meer of minder gevoelig, sterker of zwakker. Hij wordt bespeeld door alles wat hem van buitenaf bereikt, en daarin is hij als al het andere in het heelal, het levenloze zowel als het levende. Hoe een mens zal handelen, hangt af van de aard van zijn menselijke machine en van de sterkte van de verschillende prikkels ... De omstandigheden die tot doden leiden" — let op: de man heeft het begrip moorden al losgelaten — "zijn veelsoortig, maar bij een afzonderlijk individu is de aanleiding niet zo gemakkelijk te vinden. In het ene geval kan de doodslag" — merk opnieuw op hoe het woord "moord" vermeden wordt — "veroorzaakt zijn door een slechte spijsvertering bij de dader, in het andere kan ze terug te voeren zijn op een zwakheid, geërfd van een verre voorvader. Maar dat ze voortkomt uit iets tastbaars en begrijpelijks, als alle feiten maar bekend waren — dat moet duidelijk zijn voor ieder die in oorzaak en gevolg gelooft ..." In de godsdienst van deze atheïstische evolutionist bestaat er niet zoiets als zeggenschap over de koers, niet zoiets als "ketteren". Maar het is wél een godsdienst die in alle openheid paradeert, onder het toeziend oog van rechtsgeleerden en advocaten. Is dat geen schending van het Eerste Amendement — een flagrante schending?

William James, ook iemand die de godsdienst van het atheïstische evolutionisme heeft omhelsd, schreef: "Ik voel dat wij door en door natuur zijn, dat wij volledig bepaald worden, zodat er geen kronkeltje van onze wil gebeurt of het is het gevolg van natuurwetten." Is dit geen flagrante schending van het Eerste Amendement — niet ergens in een hoekje begaan, maar in het volle zicht en in druk, en dan nog wel in leerboeken die op onze scholen gebruikt worden?

Sigmund Freud is nog zo'n denker die gekozen heeft voor de godsdienst van het atheïstische evolutionisme, en voor het mensbeeld dat bij die godsdienst hoort. Hij legde een geloofsbelijdenis af toen hij, in een preek voor ieder die maar horen wilde, dit zei: "Het diepgewortelde geloof in psychische vrijheid en keuze is volstrekt onwetenschappelijk en moet wijken voor de aanspraken van een determinisme dat het geestelijk leven regeert." Freud had zijn eigen manier van samenbinden — een keuze die hem onder het Eerste Amendement vrijstond.

Ook Karl Marx had zijn godsdienst, en hij was er zó vast aan verbonden dat hij haar predikte. In een preek van zijn hand lezen we: "Mijn standpunt" — we danken Marx voor de bekentenis dat hij een standpunt had ingenomen — "kan, minder dan welk ander ook, de enkeling verantwoordelijk stellen voor de verhoudingen waarvan hij het schepsel is en blijft." Karl Marx prees een godsdienst aan toen hij dit zei.

Hoewel we niet helemaal gelukkig zijn met het woord dat we nu gaan gebruiken — het woord "grillig" — gebruiken we het toch. Het kan immers worden opgevat als "volstrekt onvoorspelbaar", "niet aan wiskunde onderworpen", en zulke begrippen moeten we bij de hand hebben als we het schepsel "naar Gods beeld gemaakt" willen begrijpen. Er zit iets grilligs in het kiezen van het schepsel mens — en er zit iets grilligs in de Schepper Die hem voortbracht. God is niet wiskundig voorspelbaar; dus is het schepsel dat naar Zijn beeld gemaakt is, het evenmin. Natuurlijk niet. Zoals we in het volgende hoofdstuk zullen ontdekken, koos de Heere Zich een stam, met de belofte ongewoon "goed" voor die stam te zullen zijn. Maar dat was, zo wordt ons verteld, een min of meer grillige keuze, want het begon allemaal met een "roeping" die beslist grillig was. Wilde de Almachtige daarmee zeggen dat kiezen, wil het echt kiezen zijn, grillig moet zijn?

Nog een kenmerk van het schepsel waar dit hoofdstuk over gaat, het schepsel "naar Gods beeld gemaakt", is het vermogen om in woorden te communiceren — woorden, gevat in zinnen. Op het niveau onder de mens bestaan er weliswaar geluiden (sommige verbluffend betekenisvol), maar er bestaat op dat niveau niet zoiets als "talen" — om nog maar eens een vreemd, maar nodig woord te smeden. Aanhangers van de godsdienst die atheïstisch evolutionisme heet, hebben geprobeerd een afstammingslijn te vinden tussen het geluiden maken van dieren en het "talen" van mensen. Maar die pogingen zijn (veelzeggend genoeg) vruchteloos gebleven. Zelfs iemand die verder tamelijk nauw aan deze godsdienst verbonden is — Noam Chomsky heet hij — heeft geschreven: "De menselijke taal lijkt een uniek verschijnsel te zijn, zonder weerga in de dierenwereld ... Er is geen reden om aan te nemen dat de 'kloven' overbrugbaar zijn. Er is hier niet meer grond om een evolutionaire ontwikkeling van 'lagere' naar 'hogere' stadia aan te nemen, dan om een evolutionaire ontwikkeling van ademhalen naar lopen aan te nemen ..." (Language and Mind, p. 6).

Om te beseffen hoe belangrijk dat "talen" is in het leven van dit schepsel, hoeven we maar te lezen over een vooraanstaande "mond van de Heere" (het Hebreeuwse woord is hetzelfde woord dat gebruikt wordt voor het orgaan waarmee we eten) die te horen krijgt: "Ga naar buiten en ga op de berg staan, voor het aangezicht van de HEERE." Hij gehoorzaamt, en trekt zich wat terug in een grot. Terwijl hij in de grot is, komt er "een grote en sterke wind, die bergen spleet" — maar het geluid ervan zegt de man niets. Dan komt er een aardbeving — maar ook die zegt niets. Dan komt er een groot vuur — de profeet werpt er nauwelijks een blik op. Maar dan hoort hij "het suizen van een zachte stilte". Nu spitst hij de oren, omwikkelt zijn gezicht met zijn mantel en gaat in de ingang van de grot staan — alsof hij zeggen wil dat wat mensen te hóren krijgen, belangrijker is dan wat ze te zíén krijgen. En daarop volgt een uitvoerige aankondiging van een agenda die hij moet uitvoeren (zie 1 Koningen 19:11-18). De voorrang die het verslag geeft aan het gesproken Woord, heeft ons iets te zeggen over de verhouding tussen het gesproken woord en het uitgebeelde ritueel.

Daarbij komt: het echte christendom staat ook in de manier van communiceren weer in een klasse apart. In de etnische godsdiensten verloopt het contact tussen mensen en godheid niet in uitgesproken zinnen, maar via getoonde voortekenen: via tekens, verschijningen, symbolen. Denk aan de geboorte van een kalf met twee koppen of zes poten (deze schrijver heeft van allebei een geval gezien), aan het ongewone tjilpen van een vogel (deze schrijver heeft gezien hoe een man diep verontrust raakte door ongewoon getjilp), aan een vreemde wolkenformatie — zoals die waardoor Constantijn zich bekeerde. In de voorchristelijke wereld verliep het contact tussen God (of goden) en mens via "monsters". Dat woord is verwant aan ons "demonstreren", en tot op de dag van vandaag heten de toonstukken van een handelsreiziger in het Nederlands zijn monsters. Een bekend voorbeeld van openbaring-per-voorteken was het gebruik van Rome wanneer zijn legers op het punt stonden een stam te veroveren — een stam met een eigen godsdienst, waarvan de godheid bij verovering in een godenverzameling werd opgenomen. Eerst werd er een kip geslacht, en dan onderzocht een waarzegger — het woord betekent letterlijk "waarheid-zegger" — de lever, en voorspelde de afloop van de onderneming. Ja, de etnische godsdiensten verwachten dat openbaring binnenkomt door de poort van het oog, terwijl het echte christendom haar verwacht door de poort van het oor (daarna eventueel bekrachtigd door wat er door de poort van het oog binnenkomt). Het is veelzeggend dat de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waar ze over deze twee mogelijkheden spreekt, ze in precies deze volgorde zet: ze zegt dat de sacramenten bedoeld zijn om te bevestigen wat al met woorden gezegd is.

Zo ongewoon was de gedachte van openbaring-in-zinnen, en zo vast zat de gedachte van openbaring-in-voortekenen, dat zelfs een profeet van de Heere — Gideon heette hij — zijn God vroeg om de al gegeven boodschap nog eens te herhalen in een voorteken: dat van het wonderlijke gedrag van de dauw. Gideons God, geduldig als Hij is, déed het voorteken. Maar dat was in de ogen van de nog half heidense Gideon blijkbaar niet genoeg, want hij vroeg zijn God het voorteken nog eens te doen, nu in omgekeerde volgorde. Opnieuw zien we hoe geduldig deze God is: Hij herhaalde niet alleen het voorteken, maar lijkt Gideon zijn wanpraktijk ook nog vergeven te hebben.

Ja, we geven het toe: ook de islam heeft zijn pakket zinnen, naar men zegt uitgesproken tegen een "mond" en door hem doorverteld. Maar vergeet niet dat dit duidelijk navolging was — een greep die werd gedaan om het christendom (waarvan Mohammed de aanhangers "de mensen van het Boek" noemde) een min of meer geslaagde rivaal te geven. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor Joseph Smith en zijn Boek van Mormon. Ook dat is namaak, een geval van nadoen.

Al lopen we daarmee een beetje op de zaken vooruit: in de loop van de tijd vervreemdde het christendom vrijwel geheel van de gedachte van communicatie-in-zinnen. Zijn aanhangers hielden op met belijden. Het woord "belijden" geldt als een toereikende vertaling van het woord dat in het Nieuwe Testament het meest voor deze handeling wordt gebruikt: homologein. Daarin betekent homo "hetzelfde" en legein "zeggen" of "uitspreken". Samengevoegd krijg je dus: "hetzelfde zeggen als" — herhalen wat er al gezegd is. Maar "belijden" is verre van een toereikende vertaling.

Wanneer gelovigen belijdenis doen, wanneer ze homologein beoefenen, dan verbreken ze niet de stilte. Nee: wat ze doen is nazeggen. De God van het echte christendom is er niet in geïnteresseerd om beweringen van ons mensen te horen. Waar Hij in geïnteresseerd is, is de echo te horen van wat Hijzelf het eerst heeft gezegd. Waar Hij op wacht is antwoord — een antwoord met Zijn eigen woorden erin.

Het kan nuttig en heilzaam zijn hier te melden dat de nadruk van het echte christendom op het beantwoorde Woord niet meer is wat ze geweest is — en wat ze bedoeld was te zijn. Het is zelfs zo ver gekomen dat homologein in onze dagen niet langer vertaald wordt met het (gedeeltelijk toereikende) "belijden", maar met "betuigen" — een woord dat volstrekt vreemd is aan homologein. Want wie betuigt, verbreekt zelf de stilte.

Er is nog een trek in het schepsel naar Gods beeld gemaakt die om vermelding vraagt nu we met dat schepsel bezig zijn: mensen zijn als losse bouwstenen, wachtend om samengevoegd te worden in en door wat "de gemeenschap der heiligen"heet. Geloven is zózeer iets wat wij mensen alleen één voor één kunnen doen, dat het feit dat gelovigen toch een kudde kunnen worden, in belijdenisvorm moest worden vastgelegd — bijvoorbeeld in de Apostolische Geloofsbelijdenis, met haar "ik geloof ... de gemeenschap der heiligen".

Om er zeker van te zijn dat dit overkomt, doen we wat de Christus deed: we spreken in een gelijkenis. Die gaat zo. Als we vissen, kan dat op twee manieren: met een hengel of met een net. Vissen we met een hengel, dan is ons alles gelegen aan de aandacht en de medewerking van die ene vis. Dus gebruiken we aas, felgekleurde voorwerpen, zo aantrekkelijk mogelijk, en we passen er goed voor op de vis die we willen "vangen" niet af te schrikken. We lokken. Heel anders bij het vissen met een net. Dan dénken we niet eens aan lokken. Het kan ons niet schelen of de vissen die we zoeken aangetrokken of afgestoten worden. Het maakt niet uit of ze deze kant op zwemmen of die kant. Het is zelfs niet belangrijk of ze bewegen of stilliggen. Bij het netvissen heeft de afzonderlijke vis niets te kiezen: hij zit niet in de onderwerpsrol, maar in de voorwerpsrol.

Nu de uitleg van de gelijkenis. In de eerste drie eeuwen viste de gemeente met de hengel. Ze lokte afzonderlijke vissen. Ongetwijfeld doopte ze bij tijden grote aantallen mensen, zoals op de Pinksterdag, toen er "ongeveer drieduizend zielen"gedoopt werden (zie Handelingen 2:41). Maar alleen al dat er "ongeveer drieduizend" staat, laat zien dat niemand ze één voor één had geteld. En dat het zoveel "zielen" waren, bewijst dat het zoveel enkelingen waren — want een ziel is iets wat mensen niet gezamenlijk hebben. (Het is duidelijk deze gedachtelijn die ons het Eerste Amendement heeft gegeven.)

Kijken we zo'n drie eeuwen na Pinksteren, dan zien we dat het vissen met de hengel uit de mode is geraakt. Tijdens de eerste tien generaties christenen bepaalden eerdere verbanden — voorafgaande samenhorigheden — niet of iemand christen was. Maar nu werden die voorafgaande verbanden wél bepalend. Het netvissen had het overgenomen. Het micro-compositisme van vroeger werd losgelaten, en het macro-compositisme kwam ervoor in de plaats. De etnische manier van erbij horen had de oorspronkelijke manier van erbij horen opzijgeschoven. Zoals later in ons verhaal duidelijk zal worden, heeft het "christendom" de etnische manier van erbij horen nooit verworpen — zelfs in wat de Reformatie heet, gebeurde dat niet. Om te zien hoe de etnische manier van erbij horen zich wist te handhaven, hoeven we maar een uitspraak aan te halen die in de nazi-propaganda telkens terugkeert: "Es gibt überhaupt keine Privatsache!" ("Zoiets als een privézaak bestaat helemaal niet!"). Het was goed geweest als de "deutsche Christen" in deze zaak even helder hadden gezien als de Engelsman D.R. Davies. In zijn boek The Two Humanities ("De twee mensheden"), geschreven toen de nazidreiging nog sterk was, zegt hij dat er in de etnische godsdiensten "een gemeenschappelijk en ongedeeld besef is van het mysterie van het leven. Het is één enkele, sociale activiteit. Het offer, de voornaamste activiteit van stamgodsdiensten, werd gebracht namens de gemeenschap als geheel. Het was het offer van de stam. Geen lid van de stam offerde voor zichzelf. Als afzonderlijk wezen bestond hij niet. De goden waren al even stamgebonden. De goden hadden niet met enkelingen te maken, alleen met de gemeenschap." Eerder in het boek had Davies gezegd: "De enkeling moet zich daarom voldoende bewust zijn van zichzelf als een eenheid, een werkelijkheid, onderscheiden van de natie of de gemeenschap waarin hij leeft, voordat hij Christus kan aannemen." En tegen het einde van zijn boek zegt hij: "De eerste taak — ja, de enige taak — van de gemeente is om afzonderlijke mannen en vrouwen uit de oude mensheid over te brengen naar de nieuwe. Dat bepaalt haar wezenlijke praktijk." (We mogen hier terloops zeggen dat er heel de middeleeuwen door een element was — we zullen er nog volop van horen — waarvan de leden met de hengel bleven vissen, en niets moesten hebben van het inruilen van het hengelvissen voor het netvissen.)

Misschien moeten we hier nog eens aan toevoegen dat de nadruk van het echte christendom op de enkeling geen afscheiding van de samenleving inhoudt. De eerste christenen kenden de formule "in de wereld, maar niet van de wereld". En ze hadden geen enkel bezwaar tegen de gedachte dat ze het "zout" waren dat het weefsel van de menselijke samenleving voor bederf moest bewaren. Ze beseften dat zout, wil het zijn werk doen, in nauw contact moet staan met wat gezouten moet worden — het moet erin gewreven worden. Maar de eerste christenen hadden hun eigen overtuiging over de mode d'intégration van gemeente en samenleving.

De eerste christenen zagen zichzelf als een celgroep. En celgroepen zijn, zoals keer op keer bewezen is, verrassend doeltreffend — zo doeltreffend dat wel gezegd is dat alle belangrijke bewegingen in de geschiedenis begonnen zijn in en met een celgroep. Het klassieke voorbeeld is dat van de twaalf apostelen. Zij waren een celgroep, en het duurde niet lang of er werd gezegd: "heel de wereld loopt achter hen aan." Zolang de gemeente zichzelf als celgroep ziet, blijft ze gezond. Maar zodra ze zichzelf zo niet meer ziet en zich gaat voegen naar het patroon van de etnische godsdiensten, wordt ze ziek — bedroevend ziek, ziek tot de dood toe.

Wie aan het christendom verbonden is als een geloof dat het tweegesprek oproept, hoeft zich daarvoor niet te verontschuldigen. We durven te stellen dat alle vooruitgang die de mens in de loop van de geschiedenis heeft geboekt, plaatsvond waar zo'n tweegesprek gaande was. Een paar voorbeelden als bewijs. De vooruitgang die in de oudheid werd geboekt in het dal van de Tigris en de Eufraat, kwam voort uit de botsing tussen Soemeriërs en Akkadiërs. De vooruitgang waar Griekenland terecht beroemd om is, kwam voort uit de botsing tussen Ioniërs en Doriërs. De noordkant van Afrika heeft een lange staat van dienst — denk aan de piramiden. Maar die noordkant van Afrika wordt samengebonden door een grote zee, met veel bevaarbare rivieren die erop uitkomen, zodat contact tussen "hen" en "ons" een alledaagse ervaring was. Met de zuidkant van Afrika is het, wat vooruitgang betreft, heel anders gesteld. Die achterstand is wel toegeschreven aan rasverschillen, maar volgens ons ligt de oorzaak ergens anders: dit zuidelijke halfcontinent heeft stroomversnellingen in de mondingen van al zijn rivieren (het gebied heeft namelijk geen waterscheiding, het is één groot plateau), en die sloten het af voor contact tussen de bewoners en mensen van buiten. Daar mag bij gezegd worden dat dit deel van de wereld de laatste tijd tekenen van vooruitgang laat zien — en die vooruitgang lijkt begonnen te zijn met de komst van een "schip" dat zich van stroomversnellingen in riviermondingen niets aantrekt: het luchtschip. Het is niet toevallig dat alle talen van Europa woorden hebben voor vreemdelingen die te midden van de eigen bevolking wonen. Ook China heeft een lange en betekenisvolle beschaving — maar het heeft ook zijn muur, lang geleden gebouwd om immigranten buiten te houden (niet al te succesvol, mogen we wel zeggen). Nee, aanhangers van het echte christendom hoeven zich er niet voor te verontschuldigen dat hun geloof tweegesprek schept en een einde maakt aan de alleenspraak. Het treurige is dat sinds het begin van de vierde eeuw het tweegesprek ophield en de alleenspraak zijn plaats innam. Geen wonder dat de eeuwen die volgden "de donkere middeleeuwen" zijn gaan heten. (De herder in de schrijver van dit boek dringt erop aan hier te zeggen: zodra de gemeente van Christus ophoudt met het tweegesprek en in plaats daarvan gaat meezingen met haar omgeving, wordt ze ziek. Aanpassing aan de omgeving is het ene wat de gemeente zich niet kan veroorloven.)

Er is een gedeelte in het Oude Testament dat bekeken moet worden nu we voor de vraag staan of het idee van "wij" tegenover "zij" goed is in de ogen van God — of juist goed in de ogen van de duivel. Het is het gedeelte dat bekendstaat als het verhaal van de toren van Babel. We willen er nauwkeurig naar kijken, omdat er doorgaans een betekenis aan wordt gegeven die haaks staat op wat naar onze overtuiging de bedoelde betekenis is. De schrijver van het torenverhaal was bezig een lange, eentonige lijst namen op schrift te stellen, een geslachtsregister. Hij lijkt onder het schrijven bijna te gaan geeuwen, want hij stopt met de lijst, vertelt het verhaal van de toren van Babel, en gaat daarna weer verder met het opsommen van namen. Het ingevoegde verhaal gaat zo. Een groep mensen trekt weg uit een bergachtig gebied. Ze komen op een open vlakte, zoals ze nog nooit gezien hadden: de vlakte van Sinear. Ze besluiten zich daar te vestigen, en ze graven zich in. En terwijl ze daarmee bezig zijn, komt er een nieuw probleem in beeld, iets wat ze in hun bergachtige vaderland nooit waren tegengekomen: de mogelijkheid — ja, de waarschijnlijkheid — dat delen van hun groep er vrijelijk en in allerlei richtingen op uit zouden trekken, zodat ze elkaar uit het oog zouden verliezen. Wat daaraan te doen? Ze hebben ontdekt dat de streek klei heeft waar uitstekende bakstenen van te maken zijn. Dus maken ze een grote stapel stenen om er een toren mee te bouwen, zichtbaar van grote afstand: een soort verzamelpunt, waar ze zo nu en dan naartoe kunnen komen om gedachten te delen met hun verwanten en een gemeenschappelijke naam te behouden. Daarop richt de Almachtige Zijn verrekijker, om te zien wat daar op die vlakte "gaande" is. Hij kende uiteraard het motief achter het oprichten van die hoge toren. Wat Hij ziet, bevalt Hem niet — het bevalt Hem zó weinig dat Hij een plan maakt. Dat plan is: de taal van deze eenheid zoekende kolonisten verwarren. Dat doet Hij, met als gevolg dat het uitzwermen in allerlei richtingen alsnog plaatsvindt. Zou een tafereel duidelijker kunnen zeggen dat God verscheidenheid liefheeft, en eenvormigheid niet?

We moeten ook de tijd nemen om de al te gangbare uitleg van het Pinkstertafereel recht te zetten. Meestal wordt aangenomen dat Pinksteren bedoeld was als een correctie op Babel, een omkering ervan — terwijl het een bekrachtiging ervan was. Op de Pinksterdag was er een schare mensen van Joodsen bloede, terug in Jeruzalem uit de verstrooiing (zoals dat heette), terug uit verre landen waar ze waren opgegroeid. Ze waren allemaal, zeker in geloofszaken, vertrouwd met het Hebreeuws van de tempel. En ze raken zó opgewonden over wat ze zien en horen, dat ze enthousiast beginnen te antwoorden, ieder in de taal van zijn geboorteland: "Parthen, Meden en Elamieten", enzovoort, enzovoort, "zowel Joden als proselieten" (Handelingen 2:9). Nee, Pinksteren corrigeerde Babel niet — het bekrachtigde Babel.

Het Woord van God maakt onophoudelijk reclame voor niet-eenvormigheid.

Op het moment dat verscheidenheid mogelijk wordt — het moment dat er twee mensen zijn — zien we de een, Abel genaamd, schaapherder worden, terwijl zijn broer het boerenland kiest. Er komt een ogenblik waarop beide broers vinden dat het tijd is om een offer te brengen. Kaïn bracht een offer van de vrucht van zijn akkers; Abel bracht er een van de eerstgeborenen van zijn kleinvee. En dan lezen we dat de Schepper acht sloeg op het offer van Abel, maar op dat van Kaïn geen acht sloeg. Waarom — we kunnen niet anders dan het vragen — die verschillende reacties? Ook hier voelen we de behoefte iets recht te zetten. Theologen (althans die van gereformeerde soort) hebben gezegd dat God het offer van Abel aanvaardde en dat van Kaïn niet, omdat dat van Abel bloedig was en dat van Kaïn niet. Dat was een handige manier om het begrip "verzoening door bloed" over te brengen. Maar de Bijbel zégt niet dat dit achter de verschillende reacties zat. Daarom opperen wij dat de verschillende reacties juist bedoeld waren om de ogen te openen voor het kiezen — voor wat we "grilligheid" genoemd hebben. Het kiezen van de Schepper wekte wrevel bij Kaïn, zo'n felle wrevel dat hij Abel meelokte naar zijn akker — en hem daar ter dood bracht. Kan er duidelijker gezegd worden dat we in termen van compositisme moeten denken?

Om niet de indruk achter te laten dat er louter grilligheid van Gods kant achter de verscheidenheid lag, en daarmee uit, vermelden we dit: toen Kaïn boos werd over de zaak, vroeg de Almachtige hem: "Waarom bent u in woede ontstoken en waarom heeft u uw hoofd laten zakken? Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn begeerte uit, maar ú moet over hem heersen" (zie Genesis 4). God droeg Kaïn op te kiezen — zijn mens-zijn te beoefenen.

We nemen de vrijheid hier op te merken dat theologen in de verleiding zijn geweest om een hele theologie te bouwen óf op de grilligheid van God (zo ontstond wat bekendstaat als het decretalisme), óf op de grilligheid van de mens (zo kreeg het arminianisme vorm). Ons dunkt dat juist het verhaal van Genesis 4 ons leert om niet alle eieren in één mand te leggen, maar in ons denken ruimte te houden voor het kiezen in oervorm (bij de Schepper) én voor het kiezen in afgeleide vorm (bij het schepsel "naar Zijn beeld gemaakt").

We sluiten dit hoofdstuk af met een herhaling van wat we al zeiden: God heeft in deze "gevallen" wereld twee genades aan het werk, de ene bekend als erhaltende Gnade en de andere als erlösende Gnade. Nu we gezien hebben dat God een liefhebber van verscheidenheid is, volgt daaruit dat Hij niet wil dat de twee genades verward worden (dat woord komt uit het Latijn en betekent "dooreengieten"). Elk van de twee genades heeft haar eigen heerser en haar eigen rijk: het ene wereldlijk, het andere heilig. (Wat inhoudt dat God het Eerste Amendement goedkeurde — en goedkeurt.) We zullen het woord "rex" (Latijn voor "koning") reserveren voor de heerser op het niveau van de erhaltende Gnade, en het woord "Koning" bewaren voor de Heerser op het niveau van de erlösende Gnade.

Opvallend weinig — we hadden bijna gezegd: verbluffend weinig — wordt er in het Woord van God gezegd over de rex en zijn regime (de twee woorden komen van dezelfde Latijnse stam). We krijgen de indruk dat de rex en zijn regime een nagekomen gedachte waren, bedoeld om een situatie aan te pakken die zich had ontwikkeld — een die niet op de oorspronkelijke blauwdruk stond. In het begin was er alleen eigenrichting. Een staaltje daarvan vinden we in Genesis 4:23, waar we lezen hoe een bruut van een man, Lamech, zijn vrouwen opdraagt zich koest te houden, en hun voorhoudt: "Ada en Zilla, luister naar mijn stem, vrouwen van Lamech, hoor mijn woorden aan: Voorzeker! Ik doodde een man om mijn wond en een jongen om mijn striem! Want Kaïn wordt zevenvoudig gewroken, maar Lamech zeventig maal zevenmaal." Blijkbaar was er nog geen rex bij wie zulke dreigementen konden worden aangegeven, zodat de dreiger gestraft kon worden naar de ernst van zijn misdaad. Wanneer er aan die verschrikkelijke toestand een einde kwam, vertelt de Schrift niet (veelzeggend genoeg).

In Romeinen 13 wordt ons verteld dat de staat (zoals het domein van de rex is gaan heten) zijn oorsprong en bestaan aan de Almachtige dankt, en dat we de rex (soms aangeduid als "de overheid") moeten gehoorzamen. En zoals in een later hoofdstuk van dit boek zal worden aangewezen: Jezus had er geen bezwaar tegen te leven onder het bewind van zo'n rex — een heidense nog wel. Aan het einde van Zijn loopbaan kreeg Jezus inderdaad met de rex van de Romeinen te maken, maar dat was niet Zíjn doen. Het was het doen van een volk dat zogenaamd werd samengehouden op het niveau van de godsdienst — het niveau van de erlösende Gnade.

Nee, de Bijbel zegt niet veel over rexen en hun aangelegenheden. Komt dat doordat de Bijbel een ander "koninkrijk" op het oog heeft dan het rijk dat zetelt in de hoofdstad van een land? We worden ertoe gebracht het "aardse koninkrijk" (zoals het telkens genoemd wordt) te zien als iets van ná de val. De terecht gerespecteerde theoloog Abraham Kuyper heeft gezegd dat de burgerlijke overheid "een latere goddelijke instelling is ... vanwege de doorwerking van de zonde in de wereld" — wat niet wil zeggen dat Kuypers theologie zich altijd naar dit inzicht voegt. Als de staat inderdaad van na de val is, dan is hij niet opgenomen in het programma van de erlösende Gnade. Want alleen wat er bij het begin al was, zal verlost worden en een plaats krijgen in het hiernamaals. Waar de Schrift het hiernamaals tekent, maakt ze geen melding van rexen op het toneel. Waarom niet? Wordt er zo weinig gezegd over de rex en zijn plaats op aarde om ons te bewaren voor het vermengen van de rijken — voor de confusio regnorum, zoals dat is gaan heten?

(Zoals later in dit onderzoek duidelijk zal worden, was er een volk dat aandrong op scheiding van kerk en staat, en dat daarom — ten onrechte — beschuldigd werd "mutins" te zijn: "mensen die geen overheid willen".)

Het is daarom helemaal niet verrassend dat de Almachtige bepaald niet blij was met het verzoek van Israël om te zijn "als al de volken": "onze koning zal ons leiding geven en hij zal voor ons uit gaan en onze oorlogen voeren" (1 Samuël 8:20). Dit lijkt erop te wijzen dat er in het "hierna" geen rexen meer zullen zijn die nog de gewaden en de kronen dragen waaraan ze in het "hier" te herkennen waren.

Het Woord van God stond weliswaar toe dat er een rex werd aangesteld (zoals we zullen zien) en werkte zelfs met zulke rexen mee. Maar het zegt ons wél iets dat toen zo'n rex — David heette hij — met het plan kwam om een tempel te bouwen als behuizing voor het programma van de erlösende Gnade, hem te verstaan werd gegeven dat hij ervan af moest zien. De reden: hij was te diep en te voortdurend betrokken geweest bij het hanteren van het zwaard — en het zwaard is het embleem dat bij de erhaltende Gnade hoort.

Al vóór de tijd waarin deze beperking aan koning David werd opgelegd, had de Almachtige laten merken dat de voortgaande vermenging van de rijken Hem mishaagde. Het was tijdens het bewind van Saul, de eerste rex. Die was het heiligdom binnengegaan en had daar de rituelen verricht die daar thuishoorden. Zo zwaar woog deze overtreding in de ogen van de Heere, dat de profeet van de Heere, Samuel, hem er heftig over onderhield. En zo ernstig was deze vermenging van de rijken, dat het stoffelijk overschot van de dader na zijn dood in een "gewoon" graf werd gelegd — niet in een koninklijk graf.

En dat was niet de enige keer dat de Almachtige fronste bij het vermengen van de rijken. Er was een rex die het ongewoon goed deed — hij "werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk was geworden" (2 Kronieken 26:15) — maar die het in zijn hoofd haalde "de tempel van de HEERE binnen te gaan om reukwerk in rook te laten opgaan op het reukofferaltaar". Dat was zó ernstig dat hij er met melaatsheid om werd geslagen. Zo zwaar woog de overtreding dat hij moest aftreden — en hij stierf aan zijn melaatsheid. (De Heere moet wel in Zijn handen geklapt hebben toen het Eerste Amendement werd opgesteld.)

Alles bijeengenomen: het schepsel dat "naar het beeld van God gemaakt" werd, was bedoeld als "ketter" — als kiezer, als keuzemaker. Dat houdt in dat wanneer dit schepsel leeft in overeenstemming met zijn bestaanswijze, de samenleving samengesteld wordt: opgebouwd uit verscheidene elementen. De vraag of de opstellers van het Eerste Amendement hun ideeën aan de Schrift ontleend hadden, hoeft ons nu nog niet bezig te houden. Het belangrijke is dat het Eerste Amendement het begrip van de samengestelde samenleving dient. Feit is dat Roger Williams de Schrift aan zijn kant had toen hij de weg bereidde voor het Eerste Amendement. Feit is ook dat er in de "Nieuwe Wereld" een gemeenschap was met een gedachtestelsel waarin kerk en staat niet hetzelfde ding zijn dat alleen maar vanuit verschillende hoeken van de kamer wordt bekeken. En het belangrijke is dat Thomas Jefferson de familieband zag tussen de baptistengemeenschap en het gedachtestelsel achter het Eerste Amendement. Daarmee staan we klaar om het idee van een "uitverkoren" stam onder ogen te zien — een begrip dat haaks lijkt te staan op het idee van de samengestelde samenleving zoals dit hoofdstuk dat heeft getekend. We zullen de vraag stellen (en proberen te beantwoorden) of de godsdienst die in het Oude Testament getekend wordt, werkelijk op de etnische godsdiensten leek.

Gerelateerde artikelen

Alle