We komen nu bij het optreden van Johannes Calvijn in de oude kwestie van de juiste mode d'intégration van kerk en staat. We beginnen met te zeggen dat zijn optreden in zekere zin wat anders was dan dat van Luther en Zwingli. Het verschil kwam doordat hij wat later meekwam. Calvijn verscheen op het toneel toen de zaken al beslist waren. Als we de tweede bekering van Luther op 1525 stellen, dan was Calvijn toen pas zestien — te jong om zich te mengen in de nieuwe en ingrijpende ontwikkelingen. Hij zat toen zelf nog (tamelijk losjes) vast in de traditie van het "christendom". Calvijn had dus al een voorbeeld om te volgen, mocht hij zich met hervormen gaan bezighouden.
Dit betekent niet dat Calvijn op geen enkele manier door het Overblijfsel beïnvloed was. Integendeel. Hij was opgegroeid in Picardië, een Franse provincie die (zoals we zagen) al eeuwen vóór Calvijns geboorte "vol" was met "ketterij". Volgens een oude voorstelling heeft Petrus Waldus — die de stichter van het waldenzendom genoemd wordt — laat in zijn leven dit Picardië bezocht. (Die voorstelling van Waldus als stichter houden wij voor onjuist: Waldus vónd volgelingen voordat hij ze maakte — mensen die de overtuigingen van het Overblijfsel al hadden.) Vermoedelijk ging hij erheen omdat hij wist dat er veel andersdenkenden buiten het "christendom" woonden. (Waldus schijnt, ook laat in zijn leven, om dezelfde reden Bohemen bezocht te hebben.) En denk aan wat de deken van Atrecht zei, enkele generaties voordat Calvijn er geboren werd: "Een derde van de bevolking, zo niet meer, is ketters en bezoekt de conventikels van de Waldenzen." De "ketterij" van het Overblijfsel hing dus dik in de lucht in het Picardië waar Calvijn opgroeide.
Natuurlijk keek Calvijn wel uit om bekend te laten worden dat hij door "ketters" beïnvloed was — hij was meer dan gemiddeld diplomatiek. Maar hij heeft wél (op een moment dat hij het "veilig" achtte) toegegeven dat hij een tijdlang Waldens was geweest. (Hij voegde er meteen aan toe dat hij het niet meer was.) Calvijns bekering tot het waldenzendom had hij te danken aan zijn neef Pierre Robert Olivétan, een barbe in de waldenzische gemeenschap — een reisprediker. (Het was deze waldenzische barbe die later de terecht beroemde Franse vertaling van het Griekse Nieuwe Testament leverde, en dat in opmerkelijk korte tijd. Dat laat opnieuw zien dat het Overblijfsel weliswaar uit eenvoudige, gewone mensen bestond, maar dat er ook hoogopgeleide Waldenzen waren.) Voordat Olivétan zijn poging begon om zijn neef Calvijn te bekeren, had hij — zo lijkt het — eerst aan zijn oom, Calvijns vader, gevraagd of die van plan was de poging aan te geven. (De machthebbers van het "christendom" hadden iedereen bevolen zoiets te melden.) Olivétan wist dat een poging om iemand uit de hogere kringen te bekeren tot het geloof van het Overblijfsel dubbel gevaarlijk was. Daarom vroeg hij zijn oom of hij het zou aangeven. Calvijns vader schijnt gezegd te hebben dat hij het niet zou melden. (Er is reden om aan te nemen dat Olivétan later in Italië gedood is, blijkbaar om soortgelijk werk daar.) Na twee volle jaren van moeite slaagde Olivétan erin Calvijn te bekeren tot het evangelische geloof van het Overblijfsel.
Heel terecht is onlangs gezegd, door Jan Lavicka, hoogleraar aan de universiteit van Praag: "Door de overtuigingen van zijn familielid aan te nemen... was Calvijn lid geworden van een ondergrondse organisatie — één waarvan hij niet verwacht had dat ze zo groot was, en zo belangrijk." Die verrassing kwam doordat de Waldenzen geprobeerd hadden uit het zicht te blijven, om uit de handen van de "ketterjagers" van het "christendom" te blijven. De hele Middeleeuwen door moest je lid van het Overblijfsel zijn (door geboorte of door bekering) om te weten hoe talrijk het Overblijfsel was — en van welk gehalte. Ze waren zó bedreven in het uitwissen van hun sporen, dat de meeste geschiedschrijvers hen tot op deze dag over het hoofd zien.
Het was te voorspellen: al snel na zijn bekering begon Calvijn te beseffen dat de weg van het Overblijfsel — wat de mode d'intégration betreft — hem op gespannen voet zou brengen met de burgerlijke machthebbers. Hun was immers geleerd dat een samenleving alleen kan samenhangen met een gevestigde godsdienst. En zo ging het ook. Het droeg bij aan Calvijns vertrek uit Genève naar Straatsburg, in 1538 (waar Bucer, de plaatselijke Reformator, hem probeerde over te halen zich blijvend te vestigen). En in 1548 gaf de stadsraad van Genève aan een zekere Guichard Roux het recht om aan het avondmaal deel te nemen — hoewel de kerkenraad hem gezegd had zich te onthouden. Calvijn kreeg een berisping omdat hij kritiek had op de magistraten van Genève. In datzelfde jaar verklaarde het stadsbestuur dat predikanten mensen die zich misdroegen wel mochten vermanen, maar niet mochten uitsluiten.
Calvijn zei niet veel over deze pijnlijke ervaring rond de kerkelijke tucht. Maar ze bracht hem er uiteindelijk wél toe om vraagtekens te zetten bij de mode d'intégration van het Overblijfsel. Het is duidelijk dat hij er uiteindelijk een afkeer van kreeg. Hij bewoog zich in de richting van de tweede bekering van Luther — en van die van Zwingli.
Calvijn keek er dus wel voor uit om bekend te laten worden dat hij tot het waldenzendom bekeerd was geweest. Maar één keer heeft hij het toegegeven. Dat was tijdens een ontmoeting in Straatsburg met een afgevaardigde van de Boheemse Broeders, een man met de naam Matthew Czerwenka. De man had de opdracht gekregen om de reformatie in het westen te gaan verkennen, in de hoop daar broodnodige steun te vinden in het oude conflict tussen het Overblijfsel en het "christendom". Hij had niet verwacht Calvijn te ontmoeten, maar was daar natuurlijk verheugd over. Er volgde een lange ontmoeting, en de twee mannen voerden een uitvoerig gesprek. In het verslag van Czerwenka over dat gesprek (opgetekend in de taal van het huidige Tsjechië) staat Calvijns bekentenis opgeschreven. Er staat: "Ook ik was eens een Waldens, maar ik ben het niet meer." Czerwenka's verslag zegt dat Calvijn "uitvoerig sprak over zijn redenen om het gezelschap van de Waldenzen te verlaten". We kunnen het niet genoeg betreuren dat Czerwenka de details van dat lange gesprek niet heeft doorverteld. Had hij dat wél gedaan, dan zouden we veel weten over Calvijns reden om de kudde van het Overblijfsel te verlaten. Czerwenka zei wel dat één van de redenen was dat de Waldenzen zwaar de nadruk legden op "gedrag dat de bekering weerspiegelt" — op zichtbare vernieuwing. Dat was (zoals we hebben gezien) een strijdpunt in het oude conflict tussen het Overblijfsel en het "christendom". Geen wonder dat Calvijn er in zijn gesprek met Czerwenka uitvoerig over sprak.
Nu ons duidelijk is geworden dat Calvijn tot het waldenzendom bekeerd is geweest, kunnen we een zaak in zijn loopbaan begrijpen waarover tot nu toe alleen maar verward gegist is. Het gaat om de betekenis en de bedoeling van de twee traktaten waarmee Calvijn zijn intrede deed in de Lage Landen. Twee dingen kunnen daarover gezegd worden, zo lijkt ons. Het eerste: de traktaten waren gericht aan de Vlaamse erfgenamen van het Overblijfsel. Het tweede: de bedoeling van de traktaten was om hen van gedachten te laten veranderen over de mode d'intégration — of, zoals je het ook kunt zeggen: om hen te "magisterialiseren", onder de vleugels van de magistraat te brengen. Wat het eerste betreft: alleen al het feit dat de traktaten in het Frans geschreven waren, laat zien dat ze voor Franstaligen bedoeld waren. Het is waar dat Calvijn in zijn openingswoord zegt dat het eerste traktaat bedoeld was voor "evangelischen" in verschillende delen van Europa, zoals Engeland en Italië. Maar het gebruik van de Franse taal bewees dat de traktaten voor Franstaligen bedoeld waren. En het feit dat er, voor zover bekend, alléén Vlamingen op het eerste traktaat reageerden, beslist de vraag. Het tweede punt zal, zo hopen we, duidelijk worden naarmate we verdergaan. De traktaten waren geschreven om de hervormingsbeweging daar onder de magistraat te brengen — en dus om de kijk van het Overblijfsel op de mode d'intégration in te ruilen.
Voor we verdergaan vraagt onze bewering dat Calvijn met deze traktaten "zijn intrede deed in Vlaanderen" nog even onze tijd — zeker omdat er zoiets bestaat als "het vercalviniseren van de geschiedenis". De Franse historicus Frossard heeft vastgesteld: "De naam van Calvijn verschijnt pas in 1550 op een plakkaat." Van de 475 mensen die tussen 1522 en 1567 in Antwerpen wegens "ketterij" terechtstonden, staan er maar zeven te boek als "calvinist" — geen enkele vóór 1558. Een andere Franse historicus, Paillard, schreef: "In 1544 was de persoon van Calvijn in de Lage Landen nog weinig bekend." En op een lijst van verboden boeken, uitgegeven in Luik, verschijnt de naam van Calvijn pas in 1550.
Waarom verscheen Calvijn zo laat openlijk op het toneel in Vlaanderen? Wij zijn ervan overtuigd dat het kwam doordat de Lage Landen de "erflanden" van keizer Karel V waren. Ze stonden onder zíjn bewind, los van het feit dat hij keizer was. Toen de keizer terugkwam van het proces tegen Luther in Worms, hoorden omstanders hem zeggen: "In míjn erflanden zal in elk geval geen ketterij zijn!"
Dit betekent dat de verleiding om bescherming van de plaatselijke edelen te aanvaarden (de verleiding waarvoor zowel Luther als Zwingli was gezwicht) zich in Vlaanderen lange tijd niet voordeed. Ze diende zich pas aan in 1555, toen de keizer besloot af te treden — waarop het lonken van de kant van de edelen meteen begon.
We keren nu terug naar ons onderzoek van de twee traktaten van Calvijn.
Het eerste traktaat draagt de lange titel "Een klein traktaat dat laat zien hoe gelovigen zich moeten gedragen wanneer ze in een katholiek land wonen". De mensen aan wie het traktaat gericht was, voelden er niets voor om de weg te gaan die Calvijn hun wees. Daarom kwamen ze met een eigen traktaat, met een antwoord punt voor punt. Daarin hielden ze vol dat Calvijn méér vroeg dan het Nieuwe Testament doet. Daarop kwam Calvijn terug met een tweede traktaat, met als titel:
"Verontschuldiging van Johannes Calvijn, gericht aan de Nicodemieten, over hun klacht over zijn overdreven strengheid".
Om het debat te begrijpen dat de traktaten van Calvijn deden oplaaien, doen we er goed aan terug te gaan naar een eerdere conferentie van erfgenamen van het Overblijfsel en tweemaal bekeerde Reformatoren. Die werd gehouden in Zwitserland, op een plek die Chanforan heet (dicht bij een grotere plaats, Angrogne, zodat de conferentie onder beide namen bekendstaat). Chanforan was een stadje diep in de Alpen — ongetwijfeld gekozen om uit het zicht van regeringsagenten te blijven.
Om het "klimaat" waarin de traktaten van Calvijn geschreven werden echt te leren kennen, doen we er goed aan nog verder terug te gaan — helemaal naar 1522. Toen maakte de vurige Reformator Farel al propagandareizen naar bolwerken van het Overblijfsel in Alpenplaatsen als Gap, Champ Saur, Freissinières en l'Aigle. In 1526 deden twee waldenzische barbes — de één heette Martin Gonin (over wie we meer zullen horen) en de ander Guido de Calabria (over wie we ook meer zullen horen) — al verslag van een verkenningstocht naar het noorden. Over die tocht is heel weinig bekend. Zo'n reis maken was dan ook een vorm van zelfmoord — zoals Martin Gonin later ondervond, toen hij als "ketter" verdronken werd.
In antwoord op een brief van de waldenzische barbe Georg Morel (over wie we eveneens meer zullen horen) hadden de Reformatoren in het noorden het volgende geschreven. "Dank aan God, Die het kleine overschot, verborgen in de Alpen, in leven houdt en beschermt." [We begonnen dus niets nieuws toen wij hen "het Overblijfsel" noemden.] Let er ook op dat het hier om een toen al eerbiedwaardige groep gaat: er staat "in leven houdt", niet "doet herleven" of "sticht".
De brief spreekt niet over iets beginnen. De schrijver dacht niet aan het starten van iets — hij dacht aan het veranderen van iets wat al oud was.
In een brief van 30 oktober 1530 schreef de Reformator Oecolampadius aan de Waldenzen die Morel vertegenwoordigde: "Het is met een levendig gevoel van blijdschap in Christus... dat wij vernemen hoe uw geloof gegrond is en hoe uw eredienst is ingericht. Wij danken de goede hemelse Vader dat Hij u tot Zijn wonderbaar visioen heeft geroepen, in de eeuwen waarin vrijwel de hele wereld gebonden lag onder het juk van de antichrist, begraven in diepe duisternis. Wij mochten ontdekken dat de Geest van Christus in u woont, en wij hebben u lief als onze broeders. Wij bidden God dat het Hem mag behagen ons toe te staan u door daden onze hartelijke betrokkenheid te tonen." (Dat "door daden" slaat waarschijnlijk op het geven van financiële steun.) Er is reden om te denken dat deze overvloedige lof — deze goedkeuring van het standpunt van de aangeschreven mensen — een soort voorspel was. Er zou een "maar" op volgen, en een oproep om van mode d'intégration te veranderen.
Bij de uitdrukking "hoe uw eredienst is ingericht" citeren we uit een brief van Bernard Gui: "Na de maaltijd, als het dankgebed is uitgesproken en er gebeden zijn opgezonden..., preken zij en sporen zij de aanwezigen aan volgens hun leer. Tenminste, als ze zich op een geschikte plek bevinden: één waar ze geen buitenstaanders hoeven te vrezen, of bedienden die hun overtuigingen niet delen. Ze preken meestal 's nachts, na de avondmaaltijd, wanneer hun gelovigen bij elkaar zijn, na het dagwerk, wanneer ze in het geheim, veilig en verborgen kunnen spreken. Na afloop van de preek gaan ze allen op de knieën, zoals ze ook bij hun openingsgebeden hadden gedaan.
Soms doven ze eerst het licht. Ze zeggen dat ze dit doen om niet betrapt te worden door buitenstaanders — door mensen die niet aan hun activiteiten deelnemen." (Het was déze manier van doen — de conventikel-manier — die de bezoekers uit het noorden beëindigd wilden zien. Er moesten "openbare" samenkomsten voor in de plaats komen, gehouden onder toezicht van een rex.)
Zoals we zeiden: op de lofzang op de Waldenzen die we hierboven weergaven, volgde een "maar" — een terechtwijzing. Hier is er een staaltje van: "Uit angst voor vervolging verbergt u uw geloof, en zo verloochent u het. U moet bedenken dat de belijdenis met de lippen moet overeenstemmen met het geloof van het hart, en dat allen die zich voor de wereld voor Christus schamen, verloochend zullen worden voor de Vader. Omdat onze God een God van waarheid is, wil Hij in waarheid gediend worden. Omdat Hij een naijverig God is, wil Hij niet dat Zijn dienaren zich onder het bewind van de antichrist stellen — er is immers geen overeenstemming tussen Christus en Belial. U ontvangt echter wel het sacrament..., u neemt deel aan de maaltijd waarin het lijden en sterven van Christus bespot worden. [Hier wordt gedoeld op wat bekendstond als het "Nicodemisme", dat ook in Calvijns tweede traktaat wordt bestraft. Bedoeld is de gewoonte van de erfgenamen van het Overblijfsel om af en toe lichamelijk bij de mis aanwezig te zijn, om de dienaren van het "christendom" van zich af te houden.] ... Houdt hun bewering [bedoeld zijn woordvoerders van het "christendom"] dat hun offers voldoening geven voor de zonden van de levenden én van de doden, niet een openlijke verklaring in dat Christus voor hen niet voldaan heeft? Dat Christus niet is wat Zijn naam inhoudt — namelijk "Redder" — en dat Hij tevergeefs gestorven is? Verloochenen wij Christus niet, elke keer dat we amen zeggen op hun gebeden?
Behoorden we niet liever vele malen te sterven?... Ik ken uw zwakheid. Maar wie gekocht zijn met het bloed van Christus, past grotere moed... Ik herhaal: het zou beter zijn te sterven dan voor de verzoeking te bezwijken." (Hier horen we dezelfde terechtwijzing die het hart van Calvijns traktaten vormde.)
Uit deze terechtwijzing blijkt dat de mensen van het Overblijfsel inderdaad, in elk geval af en toe, de mis bijwoonden. Geschiedschrijvers die vastzitten aan de gebrekkige geschiedschrijving hebben daaruit afgeleid dat de erfgenamen van het Overblijfsel in hun hart nog katholiek waren. (Een gedachte die we, in het licht van de bekende feiten, moeten afwijzen.) Nee — de mensen van het Overblijfsel zagen de mis als een politiek iets. En dat wás ze ook: "sacramenten" zijn immers rituelen waarmee een rex zijn onderdanen bijeengebonden houdt. Door af en toe naar de mis te gaan, zeiden de erfgenamen van het Overblijfsel alleen maar dat ze er geen bezwaar tegen hadden om geregeerd te worden door een rex die niet aan de "juiste" godsdienst gebonden was. Het was gewoon een manier om te zeggen dat ze geen mutins waren. Dát was de kern van de zaak. Het verbaast dus niet dat de volgelingen van de tweemaal bekeerde Reformatoren dat zo-nu-en-dan-naar-de-mis-gaan als de zonde der zonden zagen: het zette immers een rem op het magisterialiseren. De Vlaamse evangelischen de les lezen zoals in de zojuist aangehaalde passage gebeurde — alsof ze nog gevangenzaten in het katholieke gedachtestelsel — was in die praktijk een betekenis leggen die ze voor de betrokkenen niet had. Bedenk dat de mensen van het Overblijfsel het "element" vaak in hun mond hielden tot ze de kans kregen het uit te spugen — in een zakdoek of in het struikgewas. Als aanwezig-zijn bij de mis betekende wat het Overblijfsel erméé bedoelde, dan waren de schrobberingen die ze ervoor kregen — ook in de traktaten van Calvijn — niet helemaal eerlijk. Voor de "ketters" had het ongeveer dezelfde lading als het groeten van een vlag.
De hoop — en de verwachting — was dat de erfgenamen van het Overblijfsel gewonnen zouden worden voor het magisterialiseren: dat ze zouden overstappen op een andere mode d'intégration. Daarom werd besloten de conferentie te houden waarover we al spraken, in Chanforan. Ze begon op 2 september 1532 en duurde zes dagen. Er werd een belijdenisverklaring opgesteld van zeventien artikelen. Eén van de artikelen was dat er geen conventikels meer zouden zijn. Voortaan zouden de samenkomsten voor de eredienst plaatsvinden "niet in het geheim, maar op de meest openbare plaatsen die beschikbaar zijn", zoals het werd geformuleerd. Overduidelijk was het de bedoeling om de godsdienst van de Waldenzen om te vormen tot een rijksgodsdienst.
Dat besluit hield in dat de mensen van het Overblijfsel al die tijd aan het verkeerde adres waren geweest — een zeer ernstige beschuldiging. Het houden van conventikels stond een overgang van de mode d'intégration van het Overblijfsel naar een "katholieke" in de weg. Dáárom waren de tweemaal bekeerde Reformatoren er fel op tegen.
Nu we weten waar het allemaal om draaide, verbaast het niet dat in Chanforan de meeste jongere barbes lieten merken dat ze zich bij de bezoekers aansloten — terwijl sommige oudere barbes dat niet deden. De spanning tussen die twee groepen werd zó groot, dat twee van de ouderen de vergadering uitliepen om naar hun mede-Waldenzen in Bohemen te gaan, hun tweelingbroers. Hun namen waren Daniel de Valence en Jean de Molines. Ze namen enkele van de kostbare oude handschriften mee die hun voorouders hadden samengesteld — ongetwijfeld omdat die handschriften over het vraagstuk van de mode d'intégration gingen. Volgens het verslag van het bezoek, opgesteld door de Broeders, hadden de twee oude barbes bericht: "Sommige personen die spelen met de Schriften, bestookten ons met vragen over de weg van het heil. Ze deden dat zó, dat er een betreurenswaardige verdeeldheid onder ons is ontstaan — onder een volk waarin eeuwenlang eenstemmigheid heerste." Volgens het verslag hadden de twee oude barbes ook een verheviging van de vervolging voorspeld. Daarin kregen ze gelijk: de verheviging begon meteen, en al snel kwam het zelfs tot regelrechte oorlog.
Terwijl dit alles gaande was, volgde Calvijn de ontwikkelingen ongetwijfeld op de voet. Hij had zich met zijn twee traktaten immers al in de strijd om de juiste mode d'intégration gemengd — met alles wat daaruit voortvloeide.
Aan een historicus van onze tijd, Amadeo Molnar, danken we een heldere samenvatting van het conflict. Hij schrijft: "We kennen het mondelinge advies niet dat de Broeders aan Jean en Daniel gaven. Maar de briefwisseling van 1541 tussen Augusta [een leider onder de Broeders] en Bucer verwoordt een opbouwende, maar zeer besliste kritiek. Die richt zich op Bucer en op de leer van de Reformatoren in het algemeen, wat betreft de taak die aan de wereldlijke heerser wordt toegewezen. De brief schetst de discussie over het al te vlotte inruilen, door de Reformatoren, van de ontberingen die bij het gelovig-zijn horen. [Bedoeld is het "kruisdragen", dat bij de mensen van het Overblijfsel een absolute voorwaarde was om christen te zijn.] Daarvoor in de plaats kwam de volstrekt veilige gewoonte om weg te schuilen onder de vleugels van de politieke machten. Ze konden er niet bij dat de Reformatoren niet loskwamen van het verouderde begrip christenheid — dat wil zeggen: van een gemeenschap die iedereen omvat, geregeerd door christelijke heersers en hun helpers. De gedachte daarbij was dat het hún taak is de Reformatie naar de overwinning te voeren. Door zo de handen ineen te slaan met de politieke machten stonden de Reformatoren van de zestiende eeuw de — zeer wenselijke — beëindiging van het Constantijnse tijdperk in de weg." Om deze scherpzinnige beschrijving van Molnar in onze eigen woorden te zeggen: wat de oudere barbes tegen de Reformatoren (na hun tweede bekering) hadden, was dat ze zich uitleverden aan de confusio regnorum. Die was geboren uit de gedachte dat de kerk van Christus "katholiek" behoort te zijn — een orde die iedereen omvat. Daarmee vielen ze terug in het gedachtestelsel van de "grote blunder": ze gooiden de mode d'intégration van het echte christelijk geloof overboord en raapten de mode d'intégration van de volksgodsdiensten op.
De Broeders in Bohemen kozen de kant van de twee oude barbes, en lieten dat ook weten. Daarom werd er een conferentie belegd om de zaak te bespreken en plannen te maken. Die werd gehouden op 15 augustus 1533, op een plek die San Martino heet. Hier schijnen degenen die bereid waren de weg van de Reformatoren (na hun tweede bekering) te gaan, grotendeels hun zin te hebben gekregen. Er werd daar gezegd dat de Broeders "min of meer verkeerd waren voorgelicht door de twee oude barbes". Daarop verlieten Jean en Daniel het toneel, om er nooit meer terug te keren. Ze zagen een golf van vervolging aankomen — het zekere gevolg van de poging om het geloof van het Overblijfsel te veranderen in een rijksgodsdienst, opgesteld tegenover een ándere rijksgodsdienst: de oude, die van het "christendom".
Met hun verwachting van moeilijkheden kregen de oude barbes en hun medestanders gelijk. Want amper twee jaar later, in 1534, gaf de hertog van Savoye bevel om de "nieuwe cultus" (zoals het genoemd werd) te onderdrukken. Er volgde een verschrikkelijk bloedbad — te verschrikkelijk om hier te beschrijven. Bij de zaak was de al genoemde Martin Gonin betrokken. Hij was naar Genève gegaan om te zien of er hulp te krijgen was van de groep die aan de onrust had bijgedragen. Gonin werd daar natuurlijk met open armen ontvangen. Maar de mensen van Genève konden uiteraard niets doen om de Waldenzen uit hun nood te helpen — een nood veroorzaakt door een twist die zijzelf niet begonnen waren. Dus gingen Gonin en zijn reisgenoot terug. Zijn vaderland bereikte hij niet. Op de terugweg werd hij gearresteerd, en toen er "ketterse" papieren gevonden werden, verborgen onder de voering van zijn jas, werd hij terechtgesteld — door onder te gaan, dat wil zeggen: door verdrinking, in een meer in de Alpen. (Denk aan wat Zwingli had gezegd: dat "ketters" maar "écht moesten ondergaan".)
In het spoor van de slachting verlieten zo'n twaalfduizend Waldenzen de Alpen. Ze trokken de Rijn langs, in de hoop ergens, als vreemdelingen, een of ander toevluchtsoord te vinden. Slechts een derde van de vluchtende kudde erfgenamen van het Overblijfsel overleefde de tocht. Sommigen van de overlevenden vonden een toevlucht in Emmerik, in Duitsland, net over de grens van Vlaanderen. Daar werden ze, volgens een oud bericht (bewaard in Emmerik), de kern van de Gereformeerde kerk die er in de loop van de tijd gestalte kreeg.
Een andere zaak die in Chanforan aan de orde kwam, was het maken van een vertaling van het Nieuwe Testament in het Frans, uit het oorspronkelijke Grieks. De allesbehalve rijke erfgenamen van het Overblijfsel namen op zich de kosten te dragen. De vertaaltaak werd aan Farel gegeven, die op de bijeenkomst aanwezig was. Maar al snel bleek dat Farel er niet mee opschoot — ongetwijfeld omdat hij, als man met een onstuimige geest, wel wat anders te doen had dan in een studeerkamer zitten met een berg boeken, handschriften en grammatica's. Dus ging de opdracht over naar Olivétan, de neef van Calvijn die het middel was geweest tot de eerste bekering van de grote Geneefse hervormer. Hij voltooide de vertaling in ongelofelijk korte tijd: op 12 februari 1535 was ze af. Aan Calvijn werd gevraagd een inleiding bij de vertaling te schrijven. Dat zegde hij toe, en de inleiding kwam er. Het was in deze inleiding dat Calvijn, volgens Beza, "voor het eerst in zijn leven uiting gaf aan een evangelisch geloof". (Het wás inderdaad meer een "uiting van een evangelisch geloof" dan een inleiding op een vertaling. Het is vooral een persoonlijk getuigenis.)
Natuurlijk kwam in Chanforan ook de zaak van de rondtrekkende voorgangers aan de orde. Zoals we weten, hadden de barbes van de Waldenzen de gewoonte om van plaats naar plaats te gaan — ongetwijfeld om het werk minder gevaarlijk te maken. Zo'n rondtrekkende barbe kon naar een stadje of dorp komen, misschien op een avond, zijn boodschap brengen in een leegstaand gebouw of in een steeg, en dan even stil wegglippen als hij was binnengeglipt. Ze reisden twee aan twee, en de mensen van het Overblijfsel baseerden die gewoonte op het gegeven dat de discipelen van Jezus twee aan twee van plaats naar plaats gingen. Maar de gedachte van verplaatsbare voorgangers is onmogelijk in te passen in het denken van het "christendom", met zijn parochies, elk met een eigen geestelijke. In Chanforan werd daarom kortweg gezegd:
"Hoewel de apostelen inderdaad uitgezonden werden, moeten bisschoppen en herders op hun plaats blijven — bij hun schapen."
In de briefwisseling tussen Oecolampadius en Morel wordt iets gezegd over de eerbiedwaardige ouderdom van het Overblijfsel. Morel schreef: "Wij zijn leraars onder een arme en kleine groep, één die al meer dan vierhonderd jaar na de tijd van de apostelen bestaat, zoals onze mensen eenstemmig getuigen. En wij hebben geleefd te midden van onmetelijke moeilijkheden — maar niet zonder de genade van God, zoals alle vrome mensen kunnen getuigen." De vreemde uitdrukking "vierhonderd jaar na de tijd van de apostelen" lijkt in te houden dat het Overblijfsel zichzelf zag als iets wat helemaal terugging tot Pinksteren — zo'n vier eeuwen vóór de geboorte van het "christendom". En dat het sinds die ingrijpende gebeurtenis was blijven bestaan. Dat zou betekenen dat het Overblijfsel, zoals we het in de dagen van de Reformatie tegenkomen, helemaal teruggaat tot Pinksteren.
We hebben ruime tijd besteed aan Chanforan, omdat wat daar gebeurde het klimaat tekent waarin Calvijns twee traktaten werden opgesteld. Ze kwamen van de Johannes Calvijn die bekeerd was tot het visioen van het Overblijfsel — om daarna terug te keren naar een nieuw "christendom". Ditmaal één dat geregeerd werd door aanhangers van een "betere theologie".
We gaan nu de inhoud bekijken van de traktaten waarmee Calvijn zijn intrede deed — de lange titels hebben we al gegeven. We beginnen met te zeggen dat het eerste traktaat een klassieker is in het níét prijsgeven van informatie. Dat feit alleen al werpt een interessant en veelzeggend licht op het traktaat. Je kunt eruit opmaken dat het bedoeld was voor mensen die in de traditie van het Overblijfsel stonden — mensen over wie het wreed was om bijzonderheden op te schrijven.
Er zijn aanwijzingen dat het eerste traktaat veel losmaakte, want het werd meteen in vertalingen uitgebracht. Er is gezegd dat de vertaling van dit eerste traktaat de éérste vertaling was van een werk uit de Franse Reformatie. Tijdgenoten zagen het traktaat blijkbaar als bahnbrechend — baanbrekend, toonaangevend. Wat was er dan zo nieuw aan? Dit: een al oude beweging (die van het Overblijfsel) kreeg het advies om van richting te veranderen. In plaats van zich nog langer te verbergen, moesten de mensen van het Overblijfsel in de openbaarheid treden, de bestaande rijksgodsdienst opzijduwen en zélf de leeggekomen plaats innemen. Het traktaat zei doodkalm dat de mensen van het Overblijfsel tot nu toe gedwaald hadden wat de mode d'intégration betreft. Ze moesten niet langer in conventikels samenkomen, maar "op de meest openbare plaatsen die beschikbaar zijn" (zoals het ook in Chanforan gezegd was). In zijn traktaat opperde Calvijn dat als de aangeschreven mensen zijn advies zouden volgen, God "hun te hulp zou komen met een middel dat nog niet bekend is". Dat "middel" was, zoals Calvijn het zei, "de bekering van de vorsten en hun dienaren tot het vernietigen van de afgoderijen en het instellen van de ware aanbidding van God". Calvijn ried de mensen aan om in praktijk te brengen wat hij in Genève had geleerd: als de "hoogste heerser" zijn plicht op het gebied van de godsdienst verzaakt, dan valt die taak automatisch toe aan de "lagere heersers". Hij besefte dat het hopeloos was om de "hoogste heerser" in dat gebied zover te krijgen dat hij de "ware" godsdienst de status van gevestigde godsdienst gaf. (Die hoogste heerser was Karel V — hij was daar heerser nog los van zijn keizerschap, want het gebied was zijn "erfland".) Daarom moesten "de gelovigen die in een katholiek land wonen" zich tot de "lagere heersers" wenden. Dat was inderdaad een nieuw idee.
Alle Europeanen wisten dat er een Overblijfsel bestond. Maar het wás een nieuw idee om hun aan te raden de macht over te nemen — om hun geloof de status van "gevestigde godsdienst" te geven.
Natuurlijk spraken de Vlaamse erfgenamen van het Overblijfsel Calvijn tegen. Ze waren opgevoed om langs volkomen andere lijnen te denken. Ze zeiden dat Calvijn méér eiste dan het Nieuwe Testament doet. Ze stelden een lange lijst argumenten op tegen wat Calvijn in het traktaat leerde — argumenten die vooral uit het Nieuwe Testament kwamen. Zij zagen Johannes de Doper immers als een "voorloper", een "wegbereider", ook wat de mode d'intégration betreft.
Omdat de Vlaamse erfgenamen van het Overblijfsel hem zó van repliek dienden, kwam Calvijn met een tweede traktaat (waarvan we de titel ook al gegeven hebben). Dat tweede traktaat was meer een poging tot zelfverdediging dan een versterking van zijn betoog — al deed hij ook dat laatste een beetje. En dit keer gaf hij wél iets prijs. Om te beginnen gaf hij de aangeschreven mensen de naam "Nicodemieten" — een naam die ons terugvoert naar de tijd van het Nieuwe Testament, toen een man met die naam Jezus 's nachts opzocht, om het geheim te houden. Er is een duidelijke parallel tussen de handelwijze van Nicodemus en die van de leden van het Overblijfsel die af en toe naar de katholieke mis gingen. (Zoals gezegd was dit "Nicodemisme" ook in Chanforan bestraft.) Er zijn aanwijzingen dat de mensen van het Overblijfsel al "Nicodemieten" genoemd werden voordat Calvijn hen zo noemde. Willem van Newburgh sprak al over "Nicodemieten" en hun gewoonte, toen hij over de "ketters" van zijn tijd zei: "Zij haasten zich naar het paasfeest en buigen samen met de anderen... hun knieën voor het altaar, zelfs dieper dan de anderen, en openen hun mond zo wijd mogelijk voor de ontvangst ervan." En "Sint"-Bernard zei over de leden van het Overblijfsel: "Wanneer ze naar de mis komen of in aanbidding naar de eucharistie kijken, doen ze dat geveinsd — zodat hun ontrouw onmogelijk te ontdekken is." De slotsom: door de aangeschreven mensen in de titel van het tweede traktaat "Nicodemieten" te noemen, zei Calvijn dat de Vlamingen in een oude traditie stonden. Met dat woord wierp Calvijn broodnodig licht op de geschiedenis.
Calvijn gaf nog meer prijs. In zijn tweede traktaat zei hij dat de aangeschreven mensen hem deden denken aan een vuilnisman (die hij de naam "Fifi" gaf) die al zó lang met vuilnis omgaat, dat hij de stank van het spul niet meer ruikt. Hij neemt het de mensen zelfs kwalijk die hun neus dichtknijpen om geen last van de vreselijke lucht te hebben. We zijn dankbaar voor deze opmerking. Ze vertelt ons dat de aangeschreven mensen al een lange geschiedenis hadden — dat hun beweging allerminst nieuw was, niet begonnen met het aanplakken van een paar stellingen door Luther, maar juist heel eerbiedwaardig oud. Het is de beweging waaraan wij de naam Overblijfsel geven.
En Calvijn gaf in het tweede traktaat nóg meer prijs. Hij zei ook dat de aangeschreven mensen talrijk waren. Zó talrijk, dat "een flink deel van de wereld op een dwaalspoor is gebracht door het ezelachtige gedrag van de toneelspelers" (het origineel heeft "Que une grande partie du monde est faschee de l'asnerie des caffartz"). Ook dat maakt duidelijk dat de aangeschreven mensen talrijk én oud waren. Aan wie kan Calvijn gedacht hebben, als het het Overblijfsel niet was? Denk aan wat Jan Lavicka zei (we gaven het al door): met zijn bekering tot het waldenzendom was Calvijn "lid geworden van een ondergrondse organisatie, één waarvan hij niet verwacht had dat ze zo groot was". Nu zei Calvijn zelf dat het om "een flink deel van de wereld" ging. We stellen het zeer op prijs dat Calvijn — een man die een tijdlang deel van hun gezelschap was geweest — ons in zijn traktaten deze gegevens naliet. De theologen van nu zouden er goed aan doen die gegevens niet langer te negeren.
Er is geen aanwijzing dat de aangeschreven mensen zich Calvijns advies ter harte namen. Het opvolgen ervan was in het Vlaanderen van die dagen dan ook zelfmoord. Waarom dat wachten? We hebben die vraag al beantwoord. De keizer zag de Lage Landen als zijn "erflanden" — een gebied waarin hij de hoogste heerser was, hij en hij alleen. Geen enkele ondergeschikte was bereid tegen de alleenheerser in te gaan. Om te beseffen hoe "riskant" het was om tegen de monarch in te gaan (het woord betekent "alleen-heerser"), citeren we het volgende bevel, uitgevaardigd door Karel V op 10 juni 1535. "Allen, mannen zowel als vrouwen, die besmet blijken te zijn met genoemde veroordeelde sekte — wat hun staat ook mag zijn — vallen onder dit bevel. Allen die zich ermee inlaten, haar aanhangen of er hulp aan geven, zullen lijf en goederen verbeuren en zonder uitstel ter dood gebracht worden. En wel door het vuur, in het geval van hen die hardnekkig blijven en volharden in hun kwade meningen en bedoelingen, of die iemand tot hun sekte hebben overgehaald, of opnieuw gedoopt hebben, of zich de naam 'profeet' of 'bisschop' hebben aangemeten. Alle andere personen die herdoopt zijn, of die heimelijk of welbewust een ander, of anderen, onderdak hebben gegeven, zullen eerst hun kwade gevoelens en meningen afzweren, en in staat van waarachtig berouw en spijt verkeren. Daarna zullen ze ter dood gebracht worden met het zwaard als het mannen zijn, en met de kuil als het vrouwen zijn." (De uitdrukking "met de kuil" betekent: levend begraven.) Verbaast het dat de "lagere edelen" in Vlaanderen niet de weg gingen die Calvijn hun in zijn traktaten had gewezen?
De demonische maatregelen van de keizer hielden tegen dat het de kant opging die Calvijn in zijn traktaten had gewezen. Maar een einde aan het Overblijfsel maakten ze niet. Feit is dat ondanks de plakkaten van de keizer, en ondanks zijn beleid, het aantal evangelische "ketters" toenam — en flink ook. De keizer besefte dat hij zijn zin niet kreeg (voor elke "ketter" van het Overblijfsel die hij ter dood bracht, kwamen er een half dozijn of meer in zijn of haar plaats). Daarom besloot hij af te treden — ermee te stoppen. Dat deed hij in 1555, waarbij hij de teugels van het bewind in handen gaf van zijn zoon, Filips II. Omdat deze zoon meer een genotzoeker was dan een heerser, legde hij de teugels in handen van zijn halfzus, Margaretha van Parma — die vervolgens met ijzeren hand regeerde. (Een tijdgenoot getuigt dat ze een zweem van een baard had, en dat van de zachtheid die je van een vrouw zou verwachten weinig te merken was. Ze was keihard, zette de gestrengheid van Karel V voort, en was persoonlijk verantwoordelijk voor de terechtstelling van zeer veel "ketters".)
De troonsafstand van Karel V gaf in elk geval sommige van de "lagere" heersers een wenk. Er werd een verbond opgericht dat bekendstaat als het Compromis, bestaande uit edelen en predikers (die laatsten meestal voor dit doel uit het buitenland gehaald). En met de komst daarvan begon het in de Lage Landen te gaan zoals het op andere plaatsen al eerder gegaan was — daar al een paar jaar na het aanplakken van Luthers stellingen, een generatie eerder.
De woorden "meestal voor dit doel uit het buitenland gehaald" vragen een korte toelichting. Het was zoals een trouwe dienaar van Filips II, del Canto genaamd, aan hem schreef: "Zij van het nieuwe verbond [d.w.z. het Compromis], ziende dat ze het volk niet zover kregen hen in hun bedoelingen te volgen, hebben predikers laten komen uit Frankrijk en uit Genève. Die verspreiden ze overal in het land, en zij halen het volk over om naar de predicaties te komen. Ze doen dat zó, dat drommen mensen de steden uittrekken om hun preken bij te wonen." (Bedoeld zijn de hagenpreken die toen aan de gang waren. Het woord "haag" of "hage" betekent hier: niet-erkend, buiten de wet om — zoals een niet-geregistreerd huwelijk een "hagenhuwelijk" heette.) De lezer zal het al bedacht hebben: deze hagenpreken waren gewoon conventikels-die-de-openbaarheid-ingingen.
Het was zoals de Belgische historicus Pirenne het gezegd heeft. "Met de komst van het calvinisme kwam een nieuwe geest tot uiting..., die inhield dat zijn aanhangers erop uit waren de staat te hervormen, hem onder goddelijk recht te stellen — dat wil zeggen: hem aan de kerk te onderwerpen." Om het in onze woorden te zeggen: met de komst van de geïmporteerde predikers werd de mode d'intégration van het Overblijfsel vervangen door de mode d'intégration van het "christendom". Wat een generatie eerder in Duitsland had plaatsgevonden, vond nu plaats in Vlaanderen. De ideeën die met de twee traktaten uit Genève naar Vlaanderen waren gekomen, dienden zich nu in levenden lijve aan.
In de ogen van Calvijn — en dus in de ogen van allen die in Genève onderwezen waren — was de Constantijnse synthese allerminst een "grote blunder" geweest. Ze was juist een grote sprong in de goede richting. Calvijn zei immers over de periode ervóór: "De waardigheid van de kerk lag toen nog verborgen onder het kruis." Dat tijdperk, zei Calvijn, was ten einde gekomen toen het christelijk geloof in het patroon van de volksgodsdiensten werd gegoten — toen het veranderd werd in een rijksgodsdienst. Het lijkt niet bij Calvijn te zijn opgekomen, toen hij dat zei over "nog verborgen onder het kruis", dat het Nieuwe Testament heel anders over "kruisdragen" spreekt. Niet als iets waar de Kerk bovenuit zou groeien — een ervaring die in het hier en nu zou moeten eindigen. Het spreekt over "kruisdragen" als het onvermijdelijke gevolg van het gelovig-zijn. Ook in zijn laatste fase had Calvijn geen belangstelling voor het vervangen van de volkse mode d'intégration. Hij wilde alleen de theologie van het eerdere "christendom" wat bijstellen — en ondertussen zijn mode d'intégration behouden.
Er valt niet over te twisten dat Calvijn de Kerk van Christus als een landelijk geheel zag. Het is waar: hij probeerde te voorkomen dat de twee opvattingen van de kerk elkaar zouden opheffen. Maar daarmee probeerde hij het onmogelijke. De Kerk van Christus kan niet allebei zijn: Corpus Christi (de gelovigen) én Corpus Christianum (de "gekerstende" samenleving). Het valt niet te ontkennen, zelfs niet te betwijfelen, dat Calvijn dacht in termen van kerk-in-twee-betekenissen. En het kan niet duidelijker gezegd worden dan Calvijn het zelf zegt in de Institutie IV, 1, 7: "De Schrift spreekt op twee manieren over de Kerk. Soms zoals ze werkelijk is voor God — de Kerk waarin niemand wordt toegelaten dan zij die door de gave van de aanneming zonen van God zijn, en door de heiliging van de Geest ware leden van Christus... [dit is de kerk gezien als Corpus Christi]... Maar vaak wordt met de naam Kerk ook het hele lichaam van de mensheid aangeduid dat door de doop is ingewijd in het geloof... In deze Kerk is een grote bijmenging van huichelaars, die niets van Christus hebben dan de naam en de uiterlijke schijn... [dit is de kerk gezien als Corpus Christianum]..."Calvijn gaf zelfs de verhouding tussen de twee kerken: "een klein en veracht getal, verborgen in een grote hoop kaf" (Institutie IV, 4, 2). Overduidelijk wilde Calvijn van twee walletjes eten. Het was zoals McGiffert het zei: "Calvijns leer van de kerk was een samenstel van... uiteenlopende en onverenigbare elementen." De twee modes d'intégration kunnen niet anders dan elkaar opheffen. Want het is zoals Schwenckfeld zei (een tijdgenoot die duidelijk in de traditie van het Overblijfsel stond): het geheel waaraan Calvijn de naam Corpus Christianum gaf, was geen "kerk", maar een "rips raps Versammlung" — een allegaartje, een zootje-bij-elkaar.
Zó afkerig was Calvijn van het idee dat niet-geordende mensen in conventikels preekten, dat hij het op zich nam de hertog van Somerset in Engeland te adviseren om daar een einde te maken aan het preken door niet-geordende predikers — desnoods met het zwaard. (De hertog was de feitelijke heerser, in plaats van de kind-koning Eduard VI.) En in zijn aanval op de belijdenis van de "synode" die de dopers in 1527 in Schleitheim hielden, had Calvijn al een zware aanval geopend op het houden van conventikels — die oude gewoonte van de erfgenamen van het Overblijfsel.
Om te weten wat er in die tijd in Genève omging — over de rex die niet alleen de kerk "bestuurt", maar ook zijn zwaard gebruikt om "ketters" te straffen — hoeven we alleen maar naar Theodorus Beza te luisteren. Hij verklaart: "Wie de magistraten wil weghouden van de zorg voor de godsdienst, in het bijzonder van het straffen van ketters, veracht het Woord van God en het gezag der eeuwen." (Het lijkt niet bij Calvijns collega te zijn opgekomen dat "het Woord van God"en "het gezag der eeuwen" het op zeer belangrijke punten grondig oneens zijn — zoals over de mode d'intégration.)
Calvijn zelf leerde: "De voornaamste taak van de magistraat is niet het bewaren van de lichamelijke vrede onder de onderdanen; zijn taak is veeleer te bewerken dat God in zijn gebied wordt aangebeden." Hij leerde ook: "Wie beweert dat het verkeerd is om ketters en godslasteraars ter dood te brengen, laadt — bewust of onbewust — hun schuld op zichzelf. Dit is niet op menselijk gezag vastgesteld. Het is God Die spreekt, en Die een blijvende regel voor de Kerk voorschrijft."(Wij vermoeden dat Calvijn hier het woord "blijvend" gebruikte omdat hij wist dat er een oude traditie bestond — door het Overblijfsel aangehangen — dat er met de komst van Johannes de Doper een nieuw en ander tijdperk was begonnen.)
Het was niet omdat er in die tijd geen alternatief op het geestelijke menu stond, dat Calvijn zei wat hij zei over het gebruik van het zwaard in godsdienstzaken. Nee — op de conferentie van Schleitheim, in 1527, was al belijdend uitgesproken: "Het zwaard is een verordening buiten de volmaaktheid van Christus. Vorsten en heersers van deze wereld zijn aangesteld om boosdoeners te straffen, ja zelfs om hen ter dood te brengen. Maar binnen de volmaaktheid van Christus is de uitsluiting de uiterste straf — de lichamelijke dood hoort daar niet bij." (De vaak herhaalde uitdrukking "de volmaaktheid van Christus" was door het Overblijfsel bedacht en in gebruik genomen om twee redenen, zo lijkt het. De eerste: in de ogen van het Overblijfsel was de gemeente van het Nieuwe Testament een verbetering — een "volmaking" — ten opzichte van het Oude Testament, een volmaking waarin Johannes de Doper voorging. De tweede reden was dat met deze uitdrukking de vernieuwingskant van het heil benadrukt werd — iets wat hard nodig was.)
Johannes Calvijn had niet duidelijker kunnen laten zien dan hij deed, dat hij gevangenzat in de confusio regnorum. We geven een paar voorbeelden als bewijs. Het Overblijfsel leerde dat God in deze gevallen wereld twee programma's heeft lopen, en dat het zwaard in het ene programma op zijn plaats is, maar in het andere niet. In antwoord daarop haalde Calvijn 1 Korinthe 12:21 aan: "En het oog kan niet zeggen tegen de hand: Ik heb je niet nodig." Wat Calvijn had moeten opvallen toen hij deze zin uit 1 Korinthe aanhaalde, is dit: Paulus sprak daar over allerlei "gaven" binnen het programma van de erlösende Gnade. Denk aan de gave van genezing, het werken van wonderen, het spreken in talen, het profeteren enzovoort. Er wordt in dat gedeelte níéts gezegd over het gebruik van het zwaard, of over wat dan ook uit het programma van de erhaltende Gnade. Met deze woorden liet Calvijn zien dat hij verstrikt was in de confusio regnorum — en dat hij zich er niet van bewust was dat het echte christelijk geloof met een éígen mode d'intégration was gekomen. (Vergeet daarbij niet: toen Calvijn dit zei, wist hij dat er een andere kijk bestond — die van het Overblijfsel.)
In zijn twist met de erfgenamen van het Overblijfsel schreef Calvijn ook:
"Zoals de godsdienst bij de filosofen de eerste plaats inneemt, en dit met eenstemmige instemming van de volken zo gehouden is — zó behoren vorsten en magistraten zich te schamen voor hun traagheid als zij haar niet tot voorwerp van hun ernstigste zorg maken." Toen Calvijn dit schreef, had iemand hem eraan moeten herinneren dat wanneer er in het leven van de kerk uiteenlopende opvattingen opkomen (zoals het geval was terwijl hij schreef), het juiste antwoord niet is: bladeren door de geschriften van "filosofen". En ook niet: de "overeenstemming van de volken" raadplegen. Het juiste antwoord is: lang en grondig kijken naar het Woord van God.
We horen Calvijn ook zeggen: "Niemand kan eraan twijfelen dat het burgerlijk gezag in de ogen van God niet alleen heilig en wettig is, maar zelfs het meest heilige en verreweg het eervolste van alle ambten in dit sterfelijke leven." Wat Calvijn had moeten doen, is dít doordenken: Jezus maakte, toen Hij op aarde was, niet één keer een reis naar Rome voor overleg met de mensen die daar in het programma van de erhaltende Gnade werkzaam waren. Zoals eerder in dit onderzoek is aangewezen: het was voor de Heiland geen enkel probleem om onder het bewind van een heidense rex te leven. Moeten we werkelijk aannemen dat Jezus — omdat het dienen in het programma van een burgerlijk heerser "het meest heilige en verreweg het eervolste" zou zijn — Zijn hoed had moeten afnemen toen Hij het rechthuis van Pilatus werd binnengebracht? Calvijn had in zijn gedachtestelsel moeten verwerken dat magistraten dienen in een "aards" koninkrijk, een "wereldlijk" koninkrijk — een koninkrijk van "deze eeuw" en niet van "de toekomende eeuw". Hij had moeten beseffen dat in de ogen van Christus Zijn twaalf discipelen betrokken waren in een programma dat in Gods ogen belangrijker is dan dat van de magistraten.
Er waren in die tijd wel leiders die het met Calvijn oneens zouden zijn geweest over het relatieve gewicht van het dienen in het rijk van de erhaltende Gnade en het rijk van de erlösende. Maar Calvijns weging kreeg al snel de overhand. Zo horen we een "calvinist" met de naam Henri Alting zeggen: "De burgerlijke macht is een instelling die God zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament heeft ingesteld. [Blijkbaar besefte Alting dat er tegenover hem mensen stonden die het Nieuwe Testament als een stap vooruit zagen.] Daarom hoort dit ambt in de burgerlijke samenleving thuis, en wie zijn zaken naar behoren besturen, moeten zelf christen zijn... Wij hebben uit de Schriften bewezen dat het ambt van de magistraat een instelling van God is en in de burgerlijke samenleving thuishoort... Ja, zelfs heidense volken — hoewel ze de ware God niet kenden — hebben, telkens wanneer ze het wereldlijk bewind vestigden, erkend dat hun eerste plicht was de godsdienst te vestigen, hoe vals die godsdienst ook was. Daarmee wilden ze zeggen dat de wetten van de natuur hun geleerd hadden dat zij, uit hoofde van hun roeping, verantwoordelijk waren voor de godsdienst." Het was Alting blijkbaar niet geleerd om te zien dat het "Woord van God" niet op alle punten gelijk oploopt met de "wetten van de natuur". Daarom was er "bijzondere" openbaring nodig — openbaring die op heel veel belangrijke punten juist "corrigerend" wil zijn, als het om de erlösende Gnade gaat.
Nu we Henri Alting genoemd hebben, vragen we aandacht voor een andere situatie — één waarin we ditmaal een predikant in het kamp van de "calvinisten" de overtuigingen van het Overblijfsel over de mode d'intégration zien verdedigen. Zijn naam was Huibert Duifhuis. In een preek had hij betoogd: "Niemand mag zich in geloofszaken laten verleiden om geweld te gebruiken of te vervolgen, aangezien dit aan God moet worden overgelaten, en aan Hem alleen."De man waarschuwde ook tegen "vervolgingen die door de kerk op touw worden gezet". Toen op een bredere vergadering van de "Gereformeerde" kerken, gehouden in 1578, een afgevaardigde hem passages uit Beza voorlas, stond Duifhuis na een poosje luisteren op. Hij zei: "Als dát uw overtuigingen zijn, dan wil mijn ziel niet in uw gezelschap blijven" — waarna hij de vergadering uitliep. Om dit optreden werd Duifhuis (door Henri Alting) "een wolf in schaapskleren" genoemd, en er werd gezegd dat hij "in handen van de magistraat gesteld" moest worden. Om dit soort gedrag werd Duifhuis uit het ambt gezet: zijn ordening werd ongedaan gemaakt. Uit deze gang van zaken rond Duifhuis blijkt dat er zowel erfgenamen van het Overblijfsel waren als erfgenamen van het "christendom" — waarbij de laatsten terrein wonnen op de eersten. Om te zien hoe ver het in die richting ging, wijzen we erop dat al snel de "Grote Synode" van Dordrecht bijeengeroepen en geleid werd door de Staten-Generaal. Wie op de Synode "verloren", werden dan ook gestraft door de burgerlijke machten: ze werden het land uitgezet (al gingen ze niet allemaal). Het neo-constantinisme had de overwinning behaald — en maakte zo het Eerste Amendement nodig.
Voor we dit hoofdstuk over Calvijns bijdrage afsluiten, moeten we, zo lijkt ons, nog even stilstaan bij een vraag. Bestaat er verwantschap tussen de gehechtheid aan het "decretalisme" van de Synode van Dordrecht en de gehechtheid aan de Constantijnse synthese? (Met "decretalisme" bedoelen we het stelsel van de eeuwige besluiten, waarvan "verkiezing" en "voorbeschikking" dragende onderdelen zijn.) Wij denken dat die verwantschap er is, en het volgende lijkt ons dat te laten zien. Iedereen is het erover eens dat Augustinus van Hippo een vurig verdediger van genoemde synthese was — en hij was óók een vurig verdediger van het decretalisme. De Donatisten, tegen wie Augustinus lang en hard streed, hingen de mode d'intégration aan die daarna telkens weer in het kamp van het Overblijfsel opdook. Augustinus daarentegen hing even beslist de mode d'intégration aan die bij het "christendom" hoorde. Er lijkt dus inderdaad een verwantschap te bestaan.
Johannes Calvijn staat bekend om zijn vurige steun aan het decretalisme — en hij was al even beslist gehecht aan de mode d'intégration van het "christendom". Dat laatste droeg zwaar bij aan zijn aanhoudende aanval op de dopers — die erfgenamen van het Overblijfsel en zijn mode d'intégration.
We hebben al gezegd dat de Grote Synode vast verankerd was in de mode d'intégration van het "christendom". Het was dus te verwachten dat haar leden de opstellers werden van het meest decretale geschrift dat ooit is uitgegeven: de Dordtse Leerregels. We zeiden al dat de Grote Synode was bijeengeroepen door de Staten-Generaal, en daarmee vast in de traditie van het "christendom" stond — en de leden van de Staten-Generaal bepaalden de agenda. (Toen afgevaardigden van de kerk vroegen de papieren van de buitenlandse afgevaardigden te mogen inzien — die door de Staten-Generaal waren uitgenodigd — werd hun dat geweigerd, "omdat de papieren zijn waar ze horen: in Den Haag".) Ja, er lijkt een verwantschap te bestaan tussen decretalisme en neo-constantinisme.
We draaien de zaak ook eens om, en halen haar naar het heden. Evangelische leiders zoals Billy Graham hebben helemaal niet de gewoonte om "ruggespraak te houden met de burgerlijke heersers". Ze staan daarmee in de traditie van het Overblijfsel — en ze zijn al evenmin gebonden aan het decretalisme.
Zo zouden we door kunnen gaan. Maar dit lijkt genoeg om te laten zien dat er inderdaad verwantschap bestaat tussen gehechtheid aan het decretalisme en gehechtheid aan de mode d'intégration van het "christendom".
Nu we die verwantschap hebben laten zien, laten we ook zien dat deze kwestie al opkwam op de bijeenkomst van Chanforan. Daar streden de erfgenamen van het Overblijfsel even vurig tégen het decretalisme als de bezoekers ervóór. Zo schrijft de man Morel (van wie we al eerder hoorden) aan Oecolampadius: "Niets brengt ons zo in verwarring als wat wij lezen over voorbeschikking en vrije wil. Wij geloven dat de mens van God een eigenschap heeft ontvangen die bepalend is voor het mens-zijn. [Hier spreekt Morel over wat wij het "ketteren" hebben genoemd: het zelf kiezen.] Uit ervaring leren we bovendien dat de ene mens sterk van de andere verschilt, zoals ook de gelijkenis van de talenten lijkt te laten zien. We zien dat planten en gewassen, zelfs stenen, en al het andere geschapene, hun eigen bijzondere eigenschappen hebben, hun door God gegeven — eigenschappen die in hun geval bepaalde dingen mogelijk maken. Daarom geloven wij dat mensen, dankzij de genoemde door God gegeven vermogens, bepaalde dingen kúnnen doen. Temeer omdat God de aangeboren vermogens pleegt op te wekken en te versterken, zodat Hij Zelf zegt: 'Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop.' Wie dan weigert open te doen, zal uiteindelijk beloond worden naar wat hij gedaan heeft." Morel had geen vrede gesloten met de mode d'intégration die de bezoekers probeerden te "verkopen" — en dat maakte het hem ook onmogelijk het decretalisme te "slikken".
De kwestie was allerminst nieuw in het kamp van het Overblijfsel. Feit is dat de mensen van het Overblijfsel al lang geleden een gedicht hadden gemaakt dat het decretalisme moest tegenhouden. Het luidt:
"Si yo presento a tu la copa de l'ayga freyda e tu non voles hubrir la boca, Si yo porso a tu la rosa e tu non voles penre,
Si la solelh bata le fenestra e tu voles tenir la fenestra, Si yo bata a l'us e tu non voles ubrir a mi —
La culpa es tua e non mia" — wat vertaald luidt: "Als ik je een beker koud water aanreik
en jij je mond niet wilt opendoen, Als ik je een roos aangeef en jij hem niet wilt aannemen,
Als de zon op je vensterluik brandt en jij het dicht wilt houden, Als ik aan je deur klop
en jij mij niet wilt opendoen — dan ligt de schuld bij jou, niet bij mij."
Dat is een rake afwijzing van het decretalisme. En het feit dat ze door het Overblijfsel is opgesteld, bewijst dat de gedachte van het "ketteren" — het zelf kiezen — de verbreiders van het "christendom" flink dwarszat.
Als we vragen waaróm het "christendom" het decretalisme had uitgewerkt, dan lijkt het antwoord te zijn: het bood een "vluchtweg". Het maakte het mogelijk om aan allebei vast te houden: aan het Corpus Christi én aan het Corpus Christianum. Het eerste bestond dan uit een "uitverkoren" deel, alleen aan God bekend — en aan Hem alleen. In de praktijk kon je het dus negeren, en alle burgers opsluiten in de "zichtbare kerk". Zo hield je het Nieuwe Testament buiten de deur, door te zeggen dat de "echte" kerk de "onzichtbare" is — terwijl de kerk waarmee je "werkt" het Corpus Christianum is.
Er is nog een zaak die aandacht verdient bij het bestuderen van Calvijns "bijdrage". Ze heeft te maken met de verbranding van Servetus. Er zijn bewonderaars van Calvijn die proberen hem, althans enigszins, "vrij te pleiten". Wij zijn ervan overtuigd dat het tijd wordt dat ze daarmee stoppen. Dit zijn de feiten. Nog vóór de ongelukkige Spanjaard voet in Genève zette, had Calvijn al aan zijn uitschakeling gedacht. Calvijn zei immers: "Als hij ooit naar Genève komt en mijn invloed iets waard is, dan zal ik ervoor zorgen dat hij er niet levend uitkomt." Toen het bericht van de aankomst van de man rondging, was het Calvijn die, samen met zijn kerkenraad, de zaak "anhängig" maakte — aanhangig, in behandeling. En natuurlijk keken hij en de zijnen nauwlettend toe terwijl de Spanjaard terechtstond. Er is dus alle reden om te zeggen: was het niet om Calvijn en zijn kerkenraad geweest, dan was Servetus Genève even stilletjes uitgelopen als hij was binnengekomen. Het is waar dat Calvijn kort voor de geplande terechtstelling geprobeerd heeft de manier van terechtstellen te laten veranderen: van verbranden naar iets anders, zoals onthoofden of verdrinken. Het "christendom" had, via zijn gruwelijke uitlegkunde, het verbranden van "ketters" allang gebaseerd op Johannes 15:6. Daar staat: "Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buitengeworpen zoals de rank, en verdort, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand."
Bij die poging om de manier van terechtstellen veranderd te krijgen — van verbranden naar iets anders — moet één ding in gedachten worden gehouden. Door Servetus te verbranden zou het kérkelijke aspect van de terechtstelling op de voorgrond staan. Werd hij verdronken of onthoofd, dan zou juist het politieke aspect op de voorgrond staan. Calvijn besefte: als Servetus om godsdienstige redenen de vuurdood stierf, zou er een storm van protest opsteken. Die kwam er inderdaad ook, zodat de mensen van Genève de koppen bij elkaar staken om het protest op te vangen. De Geneefse theologen wilden Servetus op een andere manier terechtgesteld zien dan door verbranding, omdat de terechtstelling dan niet als zodanig in de oude — zeer oude — traditie van het "christendom" zou staan. Bedenk daarbij: al kromp het kamp van het Overblijfsel, er waren nog altijd veel mensen die zich over deze tragische zaak zouden uitspreken.
We zeggen terloops dat de verbranding van Servetus niet de enige bittere vrucht was van het verwerpen van de mode d'intégration van het Overblijfsel en het aannemen van die van het "christendom". Het was niet de enige terechtstelling van een "ketter" die door een protestantse kerk werd bewerkt. Nee — in het jaar 1572 stond een predikant met de naam Sylvanus terecht wegens "ariaanse" opvattingen. Hij werd schuldig bevonden door Ursinus, Olevianus, Tremellius, Zanchius en andere, kleinere lichten in het Heidelberg van die dagen. Sylvanus werd op 5 december 1572 wegens "ketterij" onthoofd.
Vrijwel meteen na de verbranding van Servetus verscheen er een boek met de titel De Haereticis an Sint Persequendi — "Of ketters vervolgd moeten worden" — waarin de verbranding van de Spanjaard scherp werd aangevallen. Het betoog overtuigde Calvijn en de anderen echter niet. Het boek werd Calvijn door zijn kerkenraad in handen gegeven om te lezen. Dat deed hij, waarna hij aan een vriend in Bazel schreef: "Dit boek, vol laster tegen mij, is in elkaar geflanst om plotseling verzet tegen mij op te wekken... Het was voor mij niet moeilijk zijn laster de pas af te snijden. Ik kon het zelfs in mijn voordeel ombuigen..." (Toch zijn wij het eens met de Nederlandse geleerde die onlangs schreef: "Waarschijnlijk zullen latere geslachten, als ze over de zaak oordelen, de heftige toon van het antwoord van Calvijn en Beza eerder toeschrijven aan een bewust of onbewust gevoel van zwakte. Niet aan een gegronde overtuiging dat hun standpunt het juiste was.")
Natuurlijk vielen de Genèvers de aanval aan. Terwijl ze daarmee bezig waren, ontdekten ze al snel dat het Nieuwe Testament hun niet de wapens leverde die ze nodig hadden. Dat dreef hen naar een wonderlijke uitlegkunde. Zoals deze, van Beza: "Met welke macht, zeg mij, heeft Petrus zowel Ananias als Saffira gedood [bedoeld is wat beschreven staat in Handelingen 5], en met welke macht heeft Paulus Elymas met blindheid geslagen [bedoeld is wat we lezen in Handelingen 13]? Was het met de macht die aan de kerk gegeven is? Natuurlijk niet! Welnu, dan moet het de macht zijn geweest die aan de magistraat gegeven is — een derde soort macht bestaat er immers niet!" Wie dit argument leest en overweegt, kan niet aan de indruk ontkomen dat Beza als een drenkeling naar een handvol drijvend stro greep. Het is ronduit belachelijk om ook maar te opperen dat Petrus Ananias ter dood bracht, of dat Paulus Elymas blind maakte. Beide waren duidelijk wonderslagen, gedaan door de Almachtige — van dezelfde soort als de slag die Paulus zelf tijdelijk blind maakte (zoals beschreven in Handelingen 9:8-18).
Nee, als we luisteren naar de argumenten die de Genèvers aanvoerden ter verdediging van de verbranding van Servetus, dan zeggen we: dit is ronduit knulligheid. Het is het soort argumenten dat je verwacht van mensen die in ernstige dwaling verstrikt zijn — en die het niet lukt die dwaling toe te dekken.
Vergelijken we het betoog van de Genèvers met het volgende, afkomstig uit het Overblijfsel, dan geven we aan het laatste de voorkeur. Het luidt: "Wie zou de Christus niet aanzien voor een Moloch, of een dergelijke god, als Hij behagen schept in mensenoffers? [Bedoeld is de verbranding van Servetus.]... Stel je voor dat Hij aanwezig is in de rol van gerechtsdienaar, om het vonnis af te kondigen en het vuur aan te steken... O Christus, Schepper en Koning van heel de aarde, ziet U niet wat er gebeurt? Bent U zó volkomen veranderd? Bent U wreed geworden, zó in strijd met Uw eigen wezen? Beveelt U dat zij die Uw geboden en instellingen nog niet begrijpen, in water verstikt worden, neergeslagen met het zwaard tot hun ingewanden naar buiten komen? Om dan met zout bestrooid te worden, met het zwaard doorstoken, of geroosterd boven een klein vuur? [Hier wordt gedoeld op het gebruik van groen hout bij het verbranden van "ketters", waardoor er soms vier uur zat tussen het aansteken van het vuur en de officiële vaststelling van het overlijden.]... met elke marteling gepijnigd, zo langgerekt als maar mogelijk is?
Ach Christus, beveelt U zulke dingen werkelijk? En keurt U ze goed wanneer ze gedaan worden? Zijn zíj Uw stadhouders, die voorgaan bij dat soort brandoffers? Laat U Zich zien bij zulke slachtingen? Eet U werkelijk mensenvlees, o Christus? Als U zulke dingen inderdaad doet — wat, ja wat, hebt U dan nog voor de duivel te doen overgelaten?"
De taal van deze criticus van de verbranding van Servetus klinkt iemand met christelijke fijngevoeligheid wat al te heftig en emotioneel in de oren. Maar toegegeven moet worden dat ze geen spat "ruwer" was dan het antwoord erop van Bogerman (de man die de Grote Synode van Dordrecht voorzat). Daarin horen we de schrijver van de zojuist geciteerde passage dit naar het hoofd geslingerd krijgen: "O des lasterigen ende onbeschaemden becs!" ("O, wat een lasterlijke en onbeschaamde mond!")
We moeten niet de indruk wekken dat alle Genèvers er hetzelfde over dachten als het om de verbranding van Servetus ging — dat was allerminst het geval. Feit is dat in die tijd de viering van het avondmaal meer dan eens werd uitgesteld, omdat er over deze zaak geen eensgezindheid was.
De ruimte ontbreekt om meer kritieken op de verbranding van Servetus aan te halen. Maar we kunnen de aandrang niet weerstaan om één passage te citeren uit een geschrift van een man die in de traditie van het Overblijfsel stond, geschreven terwijl het proces tegen Servetus nog liep. Hij ging door het leven als "Jan van Brugge", en hij woonde in Zwitserland. Hij had die schuilnaam aangenomen om niet ontdekt te worden, en waarschijnlijk was hij om dezelfde reden naar Zwitserland verhuisd. Hij schreef aan het stadsbestuur van Genève: "Wijze en voorzichtige heren, bedenk wat er zou gebeuren als aan de tegenstanders van een bepaald persoon de vrijheid gegeven werd om ketters te doden. Hoeveel mensen zouden er op aarde overblijven, als iedereen de macht had om met anderen te handelen naar zijn eigen oordeel over ketterij? Turken en Joden houden christenen daarvoor. En christenen houden elkáár daarvoor: papisten en luthersen, zwinglianen en dopers, calvinisten en adiaforisten — ze sluiten elkaar allemaal uit. Moeten mensen elkaar haten en doden om verschil van mening? Laat daarom het zwaard erbuiten. Als iemand dwalende meningen aanhangt, bid dan liefdevol voor hem, in vrede. En wat Servetus betreft: als hij in Gods ogen een ketter is, leg hém dan geen lichamelijke pijniging op. Geef de nodige vermaningen. Verban hem hoogstens uit de stad, als hij hardnekkig blijft en met zijn leringen de vrede verstoort... Verder mag niemand gaan!" Toen "Jan van Brugge" jaren later gestorven was, werd ontdekt dat zijn echte naam David Joris was — een "doper" die actief was geweest in de rederijkerskamers. Na de ontdekking van zijn identiteit werd zijn stoffelijk overschot opgegraven en tot as verbrand, en de as werd door de stad verstrooid. De oorlog om de mode d'intégration was duidelijk fel. Het Eerste Amendement was bedoeld om aan die oorlog een einde te maken — en herhaling te voorkomen.
Zo eindigt het hoofdstuk over Johannes Calvijn en het Overblijfsel...
We eindigen met een vraag. Is de aanpassing — die volgt op de terugkeer naar de mode d'intégration die het "christendom" heeft uitgevonden — zichtbaar in de landen waar Johannes Calvijn in het oude debat zijn zin heeft gekregen?



