De overheid en het overblijfsel

Inleiding

Inleiding·26 min leestijd
7%

Twee eeuwen geleden, op 15 december 1792, werd een nieuw soort wetstekst bekrachtigd: het Eerste Amendement op de federale Grondwet van de Verenigde Staten. Over dat Amendement gaat dit boek — vooral over waar het vandaan kwam en wat het wilde bereiken.

Iedereen zal beamen dat er tegenwoordig, zodra dit Amendement ter sprake komt, meteen één begrip bovenkomt: de "scheiding van kerk en staat". Maar vreemd genoeg maakt de formule "scheiding van kerk en staat" helemaal geen deel uit van het Amendement. Volgens een publicatie die nog geen tien jaar geleden werd uitgegeven door Warren E. Burger, voorzitter van de commissie voor het tweehonderdjarig bestaan van de Amerikaanse Grondwet, luidt het Amendement zo:

"Het Congres zal geen wet maken die een godsdienst instelt of de vrije uitoefening daarvan verbiedt, die de vrijheid van meningsuiting of van de pers inperkt, of die het volk het recht ontneemt om vreedzaam samen te komen en bij de overheid herstel van onrecht te vragen." Duidelijk is wat het Amendement wil: het legt de overheid aan banden en waarborgt zo voor de Amerikaanse burger vrijheid, op zes punten. En even duidelijk is dat de steeds weer aangehaalde formule over "scheiding van kerk en staat" pas in de tekst is geschoven nádat het Amendement bekrachtigd was.

We moeten dus vaststellen: als er zo'n tien jaar na de bekrachtiging niet aan het Amendement was geknoeid, dan viel er niets te twisten. Want niemand heeft ook maar gesuggereerd dat het Congres iets heeft gedaan — of van plan is te doen — wat het Amendement verbiedt. Al het rumoer rond deze kwestie komt voort uit de formule "en zo een muur van scheiding optrekken tussen kerk en staat", die tussen het tweede en het derde van de zes onderdelen van het Amendement is geschoven. Werd die ingevoegde formule geschrapt, dan zou er volkomen rust ontstaan.

Wie de ingevoegde formule heeft bedacht, weten we niet zeker. Wat we wél weten: een vol decennium na de bekrachtiging van het Amendement voegde Thomas Jefferson de formule in, in een persoonlijke brief. Waarom hij dat deed, zei hij er niet bij. Maar zoals we nog zullen laten zien, geeft het verband waarin hij het zei ons een broodnodige aanwijzing.

Ja, als deze lastige formule werd teruggestuurd naar de mistbank waar ze uit kwam, dan zou de strijd over "scheiding van kerk en staat" verstommen. Maar zo eenvoudig ligt het niet. Het Hooggerechtshof heeft de formule in de loop van de tijd namelijk aangehaald alsof ze een volwaardig onderdeel van het Amendement is. Sindsdien klinkt de uitdrukking "muur van scheiding" aan één stuk door. De formule die er onofficieel in wist te sluipen, zal er dus officieel uit gezet moeten worden. Van dit bastaardkind is de geboorte nooit geregistreerd, maar zijn overlijden zal wél geregistreerd moeten worden. En we voorspellen: alleen al het voorstel om de formule te schrappen zou opnieuw een verhitte en wijdverbreide strijd ontketenen — even verhit en even wijdverbreid als de strijd die nu woedt.

We kunnen het niet vaak genoeg zeggen en niet sterk genoeg benadrukken: de ingevoegde formule hoort daar niet thuis. Ze is — zij het kunstmatig — vastgeknoopt aan de eerste twee van de zes onderdelen, maar aan de andere vier onderdelen in diezelfde ene zin valt ze niet te knopen. Vraag maar eens wat een "muur van scheiding" te maken heeft met de vrijheid van meningsuiting, of met de persvrijheid, of met het recht om vreedzaam samen te komen, of met het recht om bij de overheid herstel van onrecht te vragen. Het enige mogelijke antwoord is: helemaal niets! De kunstmatig ingevoegde formule verstoort dan ook het betoog van het Eerste Amendement. Ze schendt de regels van de zinsbouw, die eisen dat één zin over één bepaalde zaak gaat — niet over twee of meer.

En dat is niet ons enige bezwaar tegen de zinsbouw van het Amendement zoals het is gaan luiden. Het Amendement kijkt vooruit. Het zegt tegen ons, burgers: kijk vooruit, houd de overheid in het oog, en let erop dat geen van de zes vrijheden wordt geschonden. Maar door de ingevoegde formule over "scheiding van kerk en staat" kijken we ineens achterom. Daar staan we dan, oog in oog met een zogenaamd voltooide taak, een werkstuk dat al af zou zijn. Een mens is er niet op gebouwd om twee kanten tegelijk op te kijken — wie het probeert, wordt duizelig. Toch is dat precies wat het Amendement, vervormd door de ingevoegde formule, van ons vraagt.

De invoeging van "en zo een muur van scheiding optrekken" bezorgt ons nog een taalkundig probleem. Volgens het Eerste Amendement, zoals het uiteindelijk kwam te luiden, is er een "muur" "gebouwd" — zonder dat iemand een vinger heeft uitgestoken. Iedereen lag achterover in een luie stoel, en zie: terwijl niemand iets deed, zou er een muur zijn verrezen. Nee, het bouwen van een muur vraagt maanden of jaren werk.

Rond de invoeging van deze slecht passende formule liggen vragen die we niet eens zullen stellen. Maar één vraag stellen we wel: waarom vond Jefferson het nodig de formule in te voegen in een persoonlijke brief, een niet-officieel schrijven? We denken die vraag te kunnen beantwoorden. Zoals zal blijken, staan we op het punt iets te leren over de historische oorsprong van het Eerste Amendement. Jefferson zegt — of laat op zijn minst doorschemeren — dat het Eerste Amendement geen jong was van de Franse Revolutie met haar leus "Ni dieu ni maître" ("God noch meester"). Het was ook geen vrucht van het katholicisme, en evenmin een uitvloeisel van de Reformatie. Nee, het stamde af van een gezelschap waar de meeste geschiedschrijvers niet eens over spreken — maar waar wij het in dit onderzoek voortdurend over zullen hebben.

Laten we goed luisteren naar wat Jefferson schreef, want juist dit betoog bracht hem ertoe de lastige formule in te voegen. Hij zegt het volgende: "Met u geloof ik dat godsdienst een zaak is tussen de mens en zijn God; dat hij aan niemand anders verantwoording schuldig is voor zijn geloof en zijn aanbidding; en dat de wetgevende macht van de overheid alleen over daden gaat, niet over overtuigingen. Daarom zie ik met de hoogste eerbied op die daad van het hele Amerikaanse volk, waarmee het verklaarde dat zijn wetgever geen wet zal maken die een godsdienst instelt of de vrije uitoefening daarvan verbiedt." En precies op dat punt voegt hij de formule in: "en zo een muur van scheiding optrekken tussen kerk en staat".

Tegen wie zei Jefferson dit allemaal? Die vraag is belangrijk. Jefferson ziet blijkbaar een familieband tussen een bepaald gedachtestelsel en het gedachtestelsel dat in het Eerste Amendement tot uitdrukking komt.

Daarom stellen we de vraag nog eens: wie waren de mensen aan wie hij schreef? Het waren de leden van de baptistenvereniging van Danbury, in Connecticut. We betreuren het dat Jefferson de misplaatste formule erbij heeft gesleept. Maar we zijn hem dankbaar voor het licht dat hij hier laat schijnen op de oorsprong van het Eerste Amendement. We zijn Thomas Jefferson dankbaar dat hij zegt: het gedachtestelsel achter het Eerste Amendement is het gedachtestelsel waaraan deze baptisten zich verbonden hebben.

Wat we zojuist zeiden over de mannen van die baptistenvereniging mag niet zo worden opgevat alsof het Eerste Amendement geboren werd op de dag waarop een bepaald hedendaags kerkgenootschap ontstond. Nee — en we hopen dat duidelijk te maken — het gedachtestelsel achter het Eerste Amendement was ouder, veel ouder dan de gemeenten die "baptistisch" genoemd zouden worden. Aan dat "oudere" zullen we een passende naam geven wanneer het in de loop van dit onderzoek scherp in beeld komt. De "baptisten" behoorden tot zijn nageslacht.

Thomas Jefferson wist heel goed dat het gedachtestelsel van het Eerste Amendement al in de lucht hing in wat toen "de Nieuwe Wereld" heette — een volle eeuw en meer voordat in Europa het eerste geritsel te horen was van de Franse Revolutie, of van de Aufklärung, zoals die beweging in Duitsland heette. Jefferson had, zo lijkt het, de geschriften gelezen van een tweemaal gedoopte man, Roger Williams, die een eeuw eerder had geschreven in wat bekend zou worden als zijn "scheepsbrief":

"Er gaan heel wat schepen naar zee met vele honderden zielen aan boord, van wie het wel en wee gemeenschappelijk is — een waar beeld van een gemenebest, van een menselijke samenleving. Het komt soms voor dat papisten en protestanten, Joden en Turken op één en hetzelfde schip zijn ingescheept. En daarop bouw ik mijn stelling dat de vrijheid van geweten ... om deze twee scharnieren draait: dat geen van de papisten, protestanten, Joden of Turken gedwongen wordt deel te nemen aan de gebeden of de eredienst van het schip, en dat niemand wordt afgehouden van zijn eigen gebeden en eredienst, als hij die heeft. Daar voeg ik aan toe ... dat de gezagvoerder van het schip, ondanks al deze vrijheid, de koers van het schip behoort te bepalen — ja, ook behoort te bevelen dat recht, vrede en ingetogenheid bewaard en beoefend worden, onder de zeelieden zowel als onder de passagiers." Dat — iedereen moet het toegeven — was het Eerste Amendement in de moederschoot, wachtend om een eeuw later geboren te worden.

Jefferson was, zo lijkt het, ook vertrouwd met het gedachtestelsel dat naar voren komt in de volgende woorden, eveneens door Williams in druk gegeven: "Waar vindt u één voetstap, afdruk of voorbeeld van een nationaal heilig verbond, of van een koninkrijk dat tot het geloof bekeerd is — van Christus Die een hele natie, een heel land of koninkrijk opdraagt om in één en dezelfde godsdienst te wandelen?" Ook dat is het Eerste Amendement in de kiem.

Ja, misschien heeft Jefferson ook het volgende gelezen, en herlezen — opnieuw van Williams: "Ik wil in alle nederigheid aanwijzen ... wat de grootste oorzaak, grondslag en wortel is van al de verontwaardiging van de Allerhoogste tegen staat en land: dat zij zich — hoewel niet wedergeboren en zonder bekering — de naam van Christus Jezus aanmatigen, een naam die volgens de instelling van de Heere Jezus alleen toekomt aan werkelijk wedergeboren en boetvaardige zielen; en ten tweede, dat aan alle anderen die van hen verschillen, Joden zowel als heidenen ..., geen ruimte is gelaten." Ook dat is het Eerste Amendement in wording.

Met veel inzicht — en terecht — is de beeltenis van Roger Williams opgenomen in het monument dat tegenwoordig de stad Genève siert, opgericht ter ere van een aantal voorvechters van de vrijheid. Onder hen verdient hij zeker een ereplaats. Toch moeten we er iets bij zeggen. De beeltenis van Roger Williams en die van Johannes Calvijn staan in dat monument vlak bij elkaar. Maar Williams zei in zijn dagen dat Calvijn warm en koud tegelijk probeerde te blazen — of, zoals Williams het uitdrukte: "zoet en bitter water putte uit één en dezelfde bron". Het is zonneklaar (en in een hoofdstuk van dit boek zal het worden aangetoond) dat de rijpe Calvijn het Eerste Amendement niet ondertekend zou hebben. Hij zou zich ertegen verzet hebben, en krachtig ook. En ook de overige grote Hervormers zouden het niet onderschreven hebben — op één na, zoals we zullen zien.

Met veel inzicht — en terecht — heeft Georg Jellinek, een erkend Duits geleerde en kenner van de vroege geschiedenis van de Verenigde Staten, het volgende gezegd: "De gedachte van wettelijk vastgelegde, onvervreemdbare en heilige rechten van het individu is niet van politieke maar van godsdienstige oorsprong. Wat van tijd tot tijd is aangezien voor het werk van de Revolutie, was in werkelijkheid een vrucht van de Reformatie en haar worstelingen. Haar eerste apostel was niet Lafayette [een leider in de Franse Revolutie], maar Roger Williams. Gedreven door een machtige en diepe godsdienstige bezieling trok hij de wildernis in [bedoeld is de 'Nieuwe Wereld' in haar vroege jaren] om daar een staatsbestel te stichten waarin godsdienstvrijheid heerst. En zijn naam wordt door de Amerikanen tot op de dag van vandaag met de diepste eerbied uitgesproken."

De opstellers van het Eerste Amendement beseften heel goed, terwijl ze eraan werkten, dat ze een nieuwe richting insloegen — al was die richting, zoals we zullen zien, tegelijk al eeuwenoud. Meer dan duizend jaar lang was de algemene aanname geweest: wil een staat één geheel blijven, dan mág en kán hij niet samengesteld zijn op het niveau van de diepste loyaliteiten — het niveau van de godsdienst. Nu werd aangenomen dat dit niet klopt, en dat een samenleving heel goed één geheel kan blijven, ook als er op het niveau van de godsdienst compositisme bestaat.

Nu we het woord "compositisme" hebben gebruikt, moeten we een onderscheid maken om verwarring te voorkomen: het onderscheid tussen wat we macro-compositisme en micro-compositisme zullen noemen. Macro is Grieks voor groot, micro is Grieks voor klein. Bij macro-compositisme zijn de eenheden groot: hele staten, hele samenlevingen, hele volken die tegenover elkaar staan. Bij micro-compositisme zijn de eenheden klein — zo klein als ze maar kunnen zijn: losse mensen. Jezus dacht in termen van macro-compositisme tegenover micro-compositisme toen Hij, vroeg in Zijn optreden, zei:

"Denk niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen ..." Om te begrijpen wat Jezus hier zei, moeten we bedenken dat het woord "vrede" in die dagen stond voor volkomen verbondenheid. Zelfs onbehouwen stenen heetten "vredige" stenen. Jezus besefte dat Zijn woorden de mensen van Zijn tijd vreemd in de oren zouden klinken. Daarom wees Hij erop dat het micro-compositisme zó sterk zou worden, dat de verdeeldheid in uiterste gevallen zelfs binnen een gezin zichtbaar kon en zou worden: tweedracht "tussen een man en zijn vader, en tussen een dochter en haar moeder", ja, "iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn" (Mattheüs 10:34-36). En om volstrekt duidelijk te maken wat Hij bedoelde, voegde Hij eraan toe dat Hij gekomen was om het zwaard te brengen — en een zwaard was in die tijd een werktuig waarmee je verbondenheid doorsnijdt. Daartegenover moeten we stellen: in de andere godsdiensten van de wereld zien we macro-compositisme. Volk staat er tegenover volk, elk met zijn eigen godsdienst — een godsdienst die alle leden van het volk aanhangen. Kortom: Jezus hield er bij deze woorden rekening mee dat mensen, aan zichzelf overgelaten, een "gemeenschappelijk" geloof in elkaar timmeren, een geloof dat alle leden onderschrijven, althans in naam. Daarom begon Jezus deze ronduit bevreemdende uitspraak met "Denk niet ...". De slotsom is: het geloof dat Jezus kwam stichten, verwacht én beoogt micro-compositisme.

De mannen die het Eerste Amendement opstelden, beseften dat ze braken met de etnische godsdiensten. (Webster omschrijft "etnisch" als "noch Joods noch christelijk" en stelt het gelijk aan "heidens".) Denk aan de godsdienst van Rome, met als grondbeginsel Cuius regio eius religio: "van wie het gezag is, van hem is de godsdienst". Het middeleeuwse Frankrijk had een etnische godsdienst; daar luidde de leus "Un roi, une loi, une foi" — "één koning, één wet, één geloof". Het Eerste Amendement moest het ontstaan van zo'n etnisch geloof in de "Nieuwe Wereld" onmogelijk maken. De tegenstelling tussen de etnische godsdiensten en het geloof dat Jezus kwam stichten, kunnen we zó onder woorden brengen: het gaat om compositisme of niet-compositisme — om twee uiteenlopende opvattingen over de mode d'intégration, de manier waarop twee elementen met elkaar verbonden worden. (We vragen de lezer zich de uitdrukking "mode d'intégration" eigen te maken, want we zullen haar in dit onderzoek vaak gebruiken.)

We willen dat de lezer zich thuis gaat voelen in de begrippen die horen bij het gesprek over de dingen op het niveau van de godsdienst. Daarom reiken we nóg een onderscheid aan dat in dit onderzoek onmisbaar is. Het echte christendom werkt met de gedachte dat er in deze zondezieke wereld twee genadeprogramma's aan het werk zijn. De ene genade roept een instelling in het leven die het zwaard als herkenningsteken draagt. In wat uit de andere genade voortkomt, is voor een zwaard geen plaats. De ene genade wil de symptomen van de patiënt — en ziek is hij, dat staat vast — enigszins in bedwang houden. De andere genade wil de patiënt van zijn kwaal genezen. Eeuwenlang hebben theologen de ene genade "algemeen" genoemd en de andere "bijzonder". Maar het woord "algemeen" kón zo worden opgevat — en wérd soms zo opgevat — alsof het verschil enkel een kwestie was van hoeveelheid, van meer of minder. En dat was wel het laatste wat met dit onderscheid bedoeld werd. Het is daarom reden tot blijdschap dat wijlen Emil Brunner met goede en rake namen voor de twee programma's kwam. De "algemene genade" noemde hij erhaltende Gnade (Duits voor "bewarende genade"), en de andere genade noemde hij erlösende Gnade (Duits voor "verlossende genade"). We vragen de lezer zich ook deze Duitse namen voor de twee programma's eigen te maken, want we zullen ze in het vervolg van dit betoog volop gebruiken.

We vinden het nodig hier nadrukkelijk bij te zeggen: er zijn dus twee genades, elk met haar eigen gereedschap en haar eigen doel — maar ze mogen niet van elkaar geïsoleerd worden. Evenmin mogen ze worden samengesmolten of door elkaar gehaald. Het is een kwestie van mode d'intégration. Het programma van de erlösende Gnade is bedoeld om het programma van de erhaltende Gnade te beïnvloeden — langs de weg van osmose. (Webster omschrijft "osmose" als "doorsijpeling door een halfdoorlatend vlies".)

Na deze korte tocht door een veld van de christelijke theologie kijken we nu hoe er in onze tijd met deze zaak wordt omgegaan. We beperken ons tot de man die "de vader van het Amerikaanse onderwijs" is genoemd: John Dewey. Hij verklaart de oorlog aan de bedoeling van het Eerste Amendement en aan wat dat betekent voor de mode d'intégration. In zijn boek A Common Faith ("Een gemeenschappelijk geloof") schrijft Dewey: "Het historische christendom [beter had hij gezegd: 'het echte christendom'] hangt aan het onderscheid tussen schapen en bokken, tussen geredden en verlorenen ..." Hij voegt eraan toe dat deze onderscheidingen moeten worden losgelaten "als de Amerikaanse droom werkelijkheid zal worden". Waar Dewey om vraagt, komt in feite neer op het verwerpen van het Eerste Amendement. Het Amendement wil de ontwikkeling van een "gemeenschappelijke" godsdienst immers juist ontmoedigen. Wat de "vader van het onderwijs"voorstelde, was een terugkeer naar de toestand van de etnische godsdiensten — een terugkeer naar een situatie waarin de stem van het echte christendom niet gehoord en niet ter harte genomen is. Zoals we in het volgende hoofdstuk van dit boek zullen laten zien, zijn wij mensen gemaakt om te kiezen. En John Dewey gooit de deur naar het kiezen dicht, juist in het hart van de mens: zijn godsdienst. Neem het kiezen weg van het schepsel dat "naar het beeld van God gemaakt" is, en je ontmenselijkt dat schepsel. Het Eerste Amendement is juist uitgevaardigd om voor dat schepsel de ruimte te bewaren om te kiezen.

De lezer zou de indruk kunnen krijgen dat we hier alleen maar aan het bespiegelen zijn, redenerend op het niveau van de metafysica. Daarom wijzen we op een uitspraak in het werk van de dichter Cicero: "Elk gemenebest heeft zijn godsdienst, en wij hebben de onze." Of we halen aan wat nog maar een halve eeuw geleden door de nazi's werd gezegd: "Een gemeenschap van het hele volk had de kerk moeten zijn, geen gemeenschap op zichzelf met een eigen inrichting. De zorg voor haar eigen afzonderlijke structuur heeft de kerk meermalen afgeleid van haar werkelijke, door God gegeven taak — en dat doet ze vandaag nog." Tegen dát soort denken richt zich het Eerste Amendement.

In de rest van dit boek zal het juist gaan over de botsing tussen deze twee opvattingen van de mode d'intégration. Daarom zeggen we er hier verder niets over. Maar voordat we verdergaan, moeten we de werkelijke betekenis vaststellen van een paar belangrijke woorden in het Eerste Amendement. Het eerste daarvan is het woord "instellen" ("establish"). Dat woord is niet zomaar een synoniem van "bevorderen", "ondersteunen", "aanmoedigen" of "vooruithelpen". Nee, instellen is: een officiële status verlenen. Het is de handeling waarmee één bepaalde godsdienst in het land vrij baan krijgt. Eén godsdienst krijgt in het hele land groen licht, terwijl alle andere op rood worden gezet. Het Amendement wilde iets nieuws tot stand brengen: volledig pluralisme op het niveau van de diepste loyaliteiten, het niveau van de godsdienst. Het Eerste Amendement moest de gedachte voeden van een overheid die onpartijdig is aan het front van de godsdienst.

Het Eerste Amendement werd opgesteld in een tijd, en in een gebied, waarin nogal uiteenlopende vormen van christendom voorkwamen: "katholiek" en "protestant", en dat laatste in allerlei soorten. Toen het plan opkwam om de afzonderlijke koloniën te verenigen, rees vanzelf de vraag welke van de kandidaten de godsdienst van de nieuwe Verenigde Staten moest worden. Terwijl die vraag werd besproken, kenden alle gegadigden voor die eer maar één soort godsdienst: een "ingestelde". De gedachte aan een veelheid van "ingestelde" godsdiensten gold als een innerlijke tegenspraak — en dat is het ook. Er was een uitweg: de strijd met elkaar aangaan, net zo lang tot één van de partijen tot winnaar kon worden uitgeroepen. Maar die "oplossing" sprak geen van de aanwezige partijen aan. Er wordt verteld dat verschillende afgevaardigden, voordat ze deze lelijke kwestie gingen beslechten, thuis tijd in gebed hebben doorgebracht. Het is goed mogelijk — al valt het niet te bewijzen — dat tijdens de besprekingen ter sprake kwam dat er een oude traditie bestond, levend gehouden door de geestelijke voorouders van mensen zoals de baptistengemeenschap van Danbury, in Connecticut. Die traditie zag de menselijke samenleving als samengesteld: gelovigen en niet-gelovigen wonen er tegenover elkaar aan dezelfde straat. Hoe dan ook: het vraagstuk werd opgelost op hún manier. En zo begon het Eerste Amendement aan de horizon te gloren. Het zei: er komt geen "ingestelde" godsdienst. Houd daarbij goed in gedachten dat de oplossing niet bestond in géén godsdienst. Nee, de oplossing was: geen ingestelde godsdienst. Het uitgangspunt was dat er wel degelijk godsdiensten zouden zijn, in allerlei schakeringen — en geen daarvan mocht het recht op "de vrije uitoefening daarvan" worden ontzegd.

Terwijl de vertegenwoordigers van de verschillende koloniën in de "Nieuwe Wereld" aan dit vraagstuk werkten, hadden velen van hen nogal belachelijke taferelen meegemaakt in "het oude land", zoals ze het deel van Europa noemden waar ze vandaan kwamen. Het etnische beginsel Cuius regio eius religio had daar tot "dolle" toestanden geleid. In Duitsland bijvoorbeeld hadden de mensen meegemaakt dat er in een jaar of twaalf drie keer achter elkaar een godsdienst werd "ingesteld" en weer "afgeschaft". En zoals Roger Williams aanwees: in Engeland was hetzelfde gebeurd in de tijd van "Bloody Mary" en haar rivalen. Het bevel om van godsdienst te wisselen — en dat een paar jaar later wéér te doen — moest de gedachte aan godsdienst wel goedkoop maken. Wie mensen op bevel een andere godsdienstige vlag laat hijsen, maakt het hele begrip van een diepste loyaliteit goedkoop. Als wisselen van godsdienst niet anders is dan wisselen van overhemd, dan is het geheel een onbenulligheid geworden. Deze bizarre ervaring kan het denkbaar hebben gemaakt: een land in een "Nieuwe Wereld" waarin zoiets als een ingestelde godsdienst niet bestaat. En ongetwijfeld heeft dit ruimschoots bijgedragen aan de totstandkoming van het Amendement.

Omdat we nog altijd in de "inleiding" van dit onderzoek zitten, is het niet misplaatst om even stil te staan bij nog een woord uit het Eerste Amendement: het woord "religie". In de loop van de tijd is dat woord weliswaar gaan duiden op een houding tegenover een godheid, maar dat ligt niet vanzelf in het woord besloten. Over de herkomst van het woord valt te twisten. Toch is de heersende opvatting dat "religie" teruggaat op het Latijnse werkwoord ligare, dat "samenbinden" betekent. (Van dit ligare hebben wij ons woord "ligamenten": de banden die een lichaam bijeenbinden.) Als het woord "religie" inderdaad van dit ligare komt, dan volgt daaruit dat alle mensen religie hebben. Ze binden immers allemaal samen, om wijs te worden uit de eindeloze stroom van verschijnselen. Alle mensen zijn samenbinders — en dat betekent: alle mensen zijn religieus. Het is dan ook een grove misser om te zeggen dat het Eerste Amendement, door een religie de status van ingestelde godsdienst te ontzeggen, ruimte maakt voor een niet-religie. Zoiets als een niet-religie bestaat namelijk niet. Alle mensen hébben niet alleen een religie, ze venten haar ook uit: hun eigen manier om de dingen samen te voegen. Alle mensen preken. Karl Marx stond te preken toen hij uitweidde over de tekst "religie is opium van het volk". (Het valt niet genoeg te betreuren dat het Rusland van die dagen geen tegenhanger van het Eerste Amendement had. Had het Russische volk die wél gehad, dan had het die kunnen aanhalen als kritiek op het regeringsbeleid.)

Nee, we zeggen het nog eens: in het licht van de oorspronkelijke betekenis van het woord "religie" bestaan er geen niet-religieuze mensen. De vrouw die er zoveel aan heeft bijgedragen dat de religie — in de vorm van het gebed — van onze openbare scholen werd verbannen, is een uitgesproken religieus mens. Ze bindt niet alleen zelf samen, ze is ook nog zendeling. Atheïsme is evengoed een religie als theïsme: beide zijn pogingen om de verschijnselen die we tegenkomen samen te binden. Evolutionisme is evengoed een religie als creationisme: beide willen wijs worden uit wat we zien. Het ene stelsel, het evolutionisme, ziet de geschiedenis als een keten van gebeurtenissen; het andere, het creationisme, ziet de geschiedenis als een keten van daden.

(Dat wordt zó consequent volgehouden, dat er in de Bijbel geen "het" is dat regen stuurt, en geen "het" dat "rijp uitstrooit als as". Achter zulke gebeurtenissen staat een Persoon. In hoofdstuk één komen we terug op de kwestie van gebeurtenis tegenover daad.)

Nu we enkele woorden uit het Eerste Amendement hebben rechtgezet, willen we ook wat broodnodig licht werpen op het woord "kerk" in de binnengesleepte formule. Eigenlijk was alleen al het binnenhalen van het woord "kerk" een schending van het Eerste Amendement. Want zoals iedereen erkent, komt het woord "kerk" maar in één bepaalde religie voor: de religie die christendom heet. Het woord "kerk" is afgeleid van het Griekse kuriakon, dat komt van het zelfstandig naamwoord kurios. Dat betekent "Heere" en wijst op de persoon van Christus. (Van dit kuriakon hebben de Engelsen hun "church", de Nederlanders hun "kerk", de Duitsers hun "Kirche", de Friezen hun "tsjerke", enzovoort.) Als nu juist die ene religie op haar tellen moet passen zodra ze het publieke domein betreedt — uitgerekend de religie die de wereld het begrip gewetensvrijheid heeft geschonken — dan zijn we getuige van iets duivels. Het is het soort ding waarover wijze mensen zeiden: "Bijt niet in de hand die je voedt!" Omdat het echte christendom de vrijheid van het Eerste Amendement heeft voortgebracht, zou het het laatste geloof moeten zijn dat er de beet van voelt. Laten alle Amerikanen de wijsheid ter harte nemen van het gezegde: "Slacht niet de kip met de gouden eieren!"

Als het waar is — en het ís waar — dat geen mens zonder religie kan zijn, dan dringt de vraag zich op of een samenleving van mensen dat wél kan. En dat leidt tot de vraag of onze scholen, hier in Amerika, inmiddels een ingestelde religie hebben — een religie met de status van ingestelde godsdienst. We laten het oordeel aan de lezer. Maar één voorval willen we vertellen. Toen deze schrijver voor zijn graad studeerde aan een terecht beroemde universiteit, volgde hij een vak sociologie bij het hoofd van de vakgroep. De man hield vol dat "geen mens ooit een keuze heeft gemaakt". Hij nam dan een student als voorbeeld, een student met een rode stropdas. "Waarom die rode das?" vroeg hij. En de student zei dan zoiets als: "Ik had deze das al een tijd niet gedragen." Daarop zei de professor: als we alle gegevens hadden gehad, dan hadden we weken van tevoren kunnen voorspellen dat hij juist die dag die rode das zou dragen. Gegevens zoals: een knap meisje zien dat in een rode jurk over de campus loopt. De professor stond een religie te preken toen hij dit allemaal zei. En let wel: hij deed niet eerst de deur van het lokaal dicht, uit angst om aangegeven te worden. Schond hij het Eerste Amendement? Ons leek van wel — en hij was nogal vurig in zijn geloof.

Dat is alweer lang geleden, en sindsdien is er veel ingrijpend veranderd. Tegenwoordig zal een hoofd van de vakgroep sociologie waarschijnlijk juist leren dat kiezen het enige is wat we de hele dag doen — kiezen van de ochtend tot de avond. En terwijl hij dat onderwijst, zal hij er vermoedelijk glashelder bij vertellen dat wij mensen ons leven vol keuzes leiden zónder dat er zoiets als een maatstaf bestaat. Ook hij laat de deur van het leslokaal ongetwijfeld wijd openstaan, in de overtuiging dat hij netjes binnen de wet werkt — dat hij niets schendt.

Maar stel nu eens dat een professor zou onderwijzen dat wij mensen wel degelijk het recht hebben om keuzes te maken, en ze ook maken — maar dat er een maatstaf ís. Een maatstaf die blijft staan, ook als wij hem de rug toekeren. Een maatstaf die je hardop kunt opzeggen. Zo'n professor — een die zó onderwijst, of moeten we zeggen: zó preekt? — zal, als hij verstandig is, eerst de deur sluiten en dan zijn stem dempen. Anders zou een meerdere, of het publiek, hem weleens het Eerste Amendement kunnen voorhouden, ter lering. Wordt het Eerste Amendement niet geschonden — op zijn minst in onze leslokalen, op onze scholen?

Onze slotsom is: wie het Eerste Amendement wil begrijpen en goed wil toepassen, moet eerst het schepsel goed kennen dat "mens" heet — het schepsel waarvan het Eerste Amendement de rechten beschermt. Daarom beginnen we het eigenlijke boek met een studie van dat schepsel.

Aan zo'n begin is niets nieuws en niets vreemds. Het is op zijn minst veelzeggend dat de Bijbel zo begint. We mogen hier nog aan toevoegen dat er ook een oude kindercatechismus bestaat, ouder dan de geboortedag van Maarten Luther — hoeveel jaren of eeuwen ouder, zullen we nooit weten. Die catechismus begint met de vraag: "Wat ben je?" En het antwoord luidt: "Een schepsel met een lichaam en een geest." Wij houden vol: wie met die vraag begint, geeft blijk van diepe wijsheid. Met die vraag beginnen is zelfs te verkiezen boven het begin van een catechismus als de Heidelbergse, die opent met de vraag: "Wat is je enige troost in leven en in sterven?"

Mensen zijn ervoor gemaakt om te kiezen. Daaruit volgt dat het Eerste Amendement hun het juiste klimaat geeft om te zijn wat ze bedoeld zijn te zijn. En dat klimaat kan het alleen geven, omdat het als enige is afgestemd op de juiste kijk op de mens.

Gerelateerde artikelen

Alle