Video volgt
Video volgt
Toen antwoordde Eli en zei: Ga in vrede, en de God van Israël zal u geven wat u van Hem gebeden hebt. (1 Samuël 1:12-18)
Hier zien we een aardse hogepriester die omgaat met iemand die verdrietig is; en in de manier waarop hij met haar omgaat zien we zowel een contrast als een vergelijking met de hemelse Hogepriester.
Het contrast komt duidelijk naar voren. Eli toont, ten eerste, gebrek aan kennis; want hij spreekt vanuit een vergissing – in onwetendheid over de persoon en de toestand van degene die hij aanspreekt. Ten tweede, gebrek aan barmhartigheid; want hij beschuldigt haar meteen van dronkenschap. Ten derde, gebrek aan geduld en voorzichtigheid; want hij wacht niet om navraag te doen. Ten vierde, gebrek aan tederheid; want hij spreekt zowel hardvochtig als overhaast.
Hoe groot is het contrast in al deze opzichten tussen de aardse en de hemelse Hogepriester. Vergelijk dit tafereel met dat van de vrouw van Sichar, of de vrouw die betrapt was op overspel. Wat een contrast tussen Eli en de Heere! Hoe anders gaat Jezus om met een zondaar dan de manier waarop Eli dat doet!
De manier waarop Eli handelt maakt het noodzakelijk dat de vrouw zichzelf verdedigt; de manier waarop Jezus handelt maakt dat niet nodig; want degenen tot wie Hij spreekt voelen dat hun onwaardigheid geen belemmering vormt voor Zijn genade, en dat het erkennen van hun onwaardigheid die genade in het minst niet verandert. De woorden en daden van Jezus zetten hen niet aan tot zelfverdediging, zoals Eli’s woorden dat deden. Hoe groot is het verschil tussen deze heilige man van Israël en Hem die “De Heilige van Israël” is!
Maar er is een vergelijking of gelijkenis evenals een contrast. Eli vertegenwoordigt, hoewel onvolmaakt, de betere Hogepriester; Degene die kan meevoelen met onze zwakheden, die medelijden kan hebben met de onwetenden, die een barmhartige en getrouwe hogepriester is in de dingen die God betreffen, en die altijd leeft om voor ons te pleiten. Dit zal duidelijk worden als we over de volgende dingen nadenken: (1.) de toenadering tot de hogepriester; (2.) het antwoord; (3.) het vertrouwen; (4.) de troost.
1. De toenadering
Hanna handelt rechtstreeks met Eli. Ze is in de tabernakel van Jehovah; ze heeft toegang tot Zijn altaar; ze spreekt met de hogepriester van aangezicht tot aangezicht. Ze doet twee bijzondere verzoeken, (1.) beschouw mij niet als een dochter van Belial – behandel mij niet als een zondaar; (2.) laat mij genade vinden in uw ogen.
Dit zijn onze twee bijzondere verzoeken in onze omgang met de betere Hogepriester: behandel mij niet als een zondaar, laat mij genade bij U vinden. Vergeving en genade, dat is wat we nodig hebben, en dat is waarvoor we naar de Priester gaan; want hij is de Hogepriester van de goede dingen die komen zullen. Laten we direct met hem omgaan. Laten we onze hele zaak in Zijn handen leggen. Wij wenden ons tot Hem als de Zoon van God, als de Priester, de God-mens die op de genadetroon zit. Hij wacht op ons; laten wij Hem verwachten. Hij is onze Eli, onze Aäron, onze Melchisedek; alle volheid is bij Hem. Hij stelt die volheid voor ons ter beschikking. Hoewel we zondaars zijn! Laten we bedenken dat we te maken hebben met Iemand die de ergste zaak kan behandelen en kan opkomen voor de grootste van de zondaren.
2. Het antwoord
Zijn antwoord is: “Ga in vrede, en de God van Israël zal u geven wat u van Hem gebeden hebt.” Hij spreekt vrede tot haar. Ze was zwaar gekweld en het stormde in haar hart; ze had vrede nodig, en het is met vrede dat hij begint.
Zo begint ook onze Eli met vrede; Hij heeft vrede gemaakt, en Hij spreekt tot ons de vrede die hij heeft gemaakt – “Ga in vrede,” zegt Hij tegen iedereen die tot Hem komt, want “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” (Johannes 6:37) Van dit antwoord is iedeereen verzekerd die tot Hem komt. Hij vraagt geen rituelen of ceremonies van degenen die tot Hem komen. Hij geeft wat gevraagd wordt; Hij stuurt niemand met lege handen weg.
Laten we geloven dat we hebben wat we Hem vragen. En dan, alsof Hij tot ons spreekt over de Vader, zegt hij: “Jehovah zal je verhoren, en je verlangens vervullen.” We horen Zijn stem niet; maar net zo zeker als Eli tot Hanna spreekt en haar gebed verhoort, zo spreekt Hij tot ons en doet voor ons buitengewoon overvloedig boven alles wat wij vragen.
Iedereen die naar onze Hogepriester gaat, is volkomen verzekerd van een antwoord, ja, van een genadig antwoord. Hij stuurt niemand onbevredigd weg. Vrede en genade van de God van Israël, dat zijn de dingen die Hij geeft. Hanna ging ongevraagd naar Eli, maar wij gaan uitgenodigd; het is onze hemelse Priester die zegt: Kom tot Mij!
3. Het vertrouwen
Hanna ging weg. Ze kwelde, noch ergerde, noch beledigde Eli met een tweede of derde verzoek. Ze nam hem op zijn woord, zoals de koninklijke hoveling, die tot Jezus kwam vanwege zijn zoon. Zo moeten wij met onze Eli omgaan. Neem Hem op Zijn woord. Vertrouw Hem. Doe recht aan Zijn trouw en eerlijkheid. Laten we niet op rituelen en ceremonies staan, of naderen in angst en twijfel; maar geloven dat Hij de beloner is van degenen die Hem zoeken.
Laten we onszelf niet misleiden en Hem bespotten door te zeggen: Ik wantrouw Hem niet, ik wantrouw alleen mezelf. Dit is absurd. Je wantrouwt Hem werkelijk, en wel op grond dat je niet volledig voldoet aan Zijn voorwaarden (alsof Hij voorwaarden stelt!); terwijl Hij je opdraagt Hem te vertrouwen juist zoals je bent.
Als je geloof niet goed genoeg is, kom ermee zoals het is. Als je manier van komen onvolmaakt is, voeg dat toe aan het aantal van je zonden, en vertrouw nog steeds. Laat niets in jezelf wantrouwen veroorzaken, zolang het waar is dat Jezus Christus in de wereld is gekomen om zondaars te redden. “zij hebben vertrouwd en U hebt hen bevrijd.” is een waarheid voor ons nu (Psalm 22:5).
4. De troost
Ze ging niet alleen weg, maar zij at, en haar gezicht was niet meer bedroefd (letterlijk, niet meer wat het was). Diep was haar verdriet geweest; nu verdween het, bij de genadige stem van de hogepriester.
Zo leren we wat het is dat een onrustige ziel verlicht. Het is de stem van de Hogepriester: “Ga in vrede.” We hebben een Hogepriester met wie we al onze problemen kunnen delen, een grotere dan Aäron of Eli; en we weten, zelfs zekerder dan Hanna toen ze Eli’s stem hoorde, dat Zijn woorden tot elke ziel die tot Hem komt zijn: “Ga in vrede.”
Hij is niet “strikt,” noch wacht Hij om de kwaliteit of uitnemendheid van onze manier van naderen te onderzoeken. Het moment dat onze woorden, “O God, wees mij genadig,” tot Hem komen, komt Zijn antwoord neer. “Ga in vrede.” Laten we hiervan zeker zijn; laten we geloof hechten aan Zijn beloften, ook al zien we Zijn gezicht niet, of horen we Zijn stem niet.
Ons verlangen zal worden vervuld. Hij kan Zichzelf niet verloochenen. Hij kan Zijn priesterschap niet onteren noch Zijn beloften verbreken. Zo zeker als we vragen, zo zeker zal Hij antwoorden. Hoe lang moeten we wachten voordat we Hem geloven? Hoeveel tekenen moeten we vragen voordat we zeker zijn dat Hij zal doen wat Hij heeft gezegd? Waarom volharden we in twijfels, die ervan uitgaan dat Hij niet trouw is aan Zijn woord, en die hun zondigheid verbergen in de naam van nederigheid, en onder het voorwendsel dat, aangezien we niet weten of we juist hebben gevraagd, we niet kunnen weten of hij zal antwoorden totdat hij heeft geantwoord.
Laten we oppassen voor het Farizeïsme dat altijd om een teken vraagt voordat het de Zoon van God vertrouwt.
Toen antwoordde Eli en zei: Ga in vrede, en de God van Israël zal u geven wat u van Hem gebeden hebt. (1 Samuël 1:12-18)
Hier zien we een aardse hogepriester die omgaat met iemand die verdrietig is; en in de manier waarop hij met haar omgaat zien we zowel een contrast als een vergelijking met de hemelse Hogepriester.
Het contrast komt duidelijk naar voren. Eli toont, ten eerste, gebrek aan kennis; want hij spreekt vanuit een vergissing – in onwetendheid over de persoon en de toestand van degene die hij aanspreekt. Ten tweede, gebrek aan barmhartigheid; want hij beschuldigt haar meteen van dronkenschap. Ten derde, gebrek aan geduld en voorzichtigheid; want hij wacht niet om navraag te doen. Ten vierde, gebrek aan tederheid; want hij spreekt zowel hardvochtig als overhaast.
Hoe groot is het contrast in al deze opzichten tussen de aardse en de hemelse Hogepriester. Vergelijk dit tafereel met dat van de vrouw van Sichar, of de vrouw die betrapt was op overspel. Wat een contrast tussen Eli en de Heere! Hoe anders gaat Jezus om met een zondaar dan de manier waarop Eli dat doet!
De manier waarop Eli handelt maakt het noodzakelijk dat de vrouw zichzelf verdedigt; de manier waarop Jezus handelt maakt dat niet nodig; want degenen tot wie Hij spreekt voelen dat hun onwaardigheid geen belemmering vormt voor Zijn genade, en dat het erkennen van hun onwaardigheid die genade in het minst niet verandert. De woorden en daden van Jezus zetten hen niet aan tot zelfverdediging, zoals Eli’s woorden dat deden. Hoe groot is het verschil tussen deze heilige man van Israël en Hem die “De Heilige van Israël” is!
Maar er is een vergelijking of gelijkenis evenals een contrast. Eli vertegenwoordigt, hoewel onvolmaakt, de betere Hogepriester; Degene die kan meevoelen met onze zwakheden, die medelijden kan hebben met de onwetenden, die een barmhartige en getrouwe hogepriester is in de dingen die God betreffen, en die altijd leeft om voor ons te pleiten. Dit zal duidelijk worden als we over de volgende dingen nadenken: (1.) de toenadering tot de hogepriester; (2.) het antwoord; (3.) het vertrouwen; (4.) de troost.
1. De toenadering
Hanna handelt rechtstreeks met Eli. Ze is in de tabernakel van Jehovah; ze heeft toegang tot Zijn altaar; ze spreekt met de hogepriester van aangezicht tot aangezicht. Ze doet twee bijzondere verzoeken, (1.) beschouw mij niet als een dochter van Belial – behandel mij niet als een zondaar; (2.) laat mij genade vinden in uw ogen.
Dit zijn onze twee bijzondere verzoeken in onze omgang met de betere Hogepriester: behandel mij niet als een zondaar, laat mij genade bij U vinden. Vergeving en genade, dat is wat we nodig hebben, en dat is waarvoor we naar de Priester gaan; want hij is de Hogepriester van de goede dingen die komen zullen. Laten we direct met hem omgaan. Laten we onze hele zaak in Zijn handen leggen. Wij wenden ons tot Hem als de Zoon van God, als de Priester, de God-mens die op de genadetroon zit. Hij wacht op ons; laten wij Hem verwachten. Hij is onze Eli, onze Aäron, onze Melchisedek; alle volheid is bij Hem. Hij stelt die volheid voor ons ter beschikking. Hoewel we zondaars zijn! Laten we bedenken dat we te maken hebben met Iemand die de ergste zaak kan behandelen en kan opkomen voor de grootste van de zondaren.
2. Het antwoord
Zijn antwoord is: “Ga in vrede, en de God van Israël zal u geven wat u van Hem gebeden hebt.” Hij spreekt vrede tot haar. Ze was zwaar gekweld en het stormde in haar hart; ze had vrede nodig, en het is met vrede dat hij begint.
Zo begint ook onze Eli met vrede; Hij heeft vrede gemaakt, en Hij spreekt tot ons de vrede die hij heeft gemaakt – “Ga in vrede,” zegt Hij tegen iedereen die tot Hem komt, want “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” (Johannes 6:37) Van dit antwoord is iedeereen verzekerd die tot Hem komt. Hij vraagt geen rituelen of ceremonies van degenen die tot Hem komen. Hij geeft wat gevraagd wordt; Hij stuurt niemand met lege handen weg.
Laten we geloven dat we hebben wat we Hem vragen. En dan, alsof Hij tot ons spreekt over de Vader, zegt hij: “Jehovah zal je verhoren, en je verlangens vervullen.” We horen Zijn stem niet; maar net zo zeker als Eli tot Hanna spreekt en haar gebed verhoort, zo spreekt Hij tot ons en doet voor ons buitengewoon overvloedig boven alles wat wij vragen.
Iedereen die naar onze Hogepriester gaat, is volkomen verzekerd van een antwoord, ja, van een genadig antwoord. Hij stuurt niemand onbevredigd weg. Vrede en genade van de God van Israël, dat zijn de dingen die Hij geeft. Hanna ging ongevraagd naar Eli, maar wij gaan uitgenodigd; het is onze hemelse Priester die zegt: Kom tot Mij!
3. Het vertrouwen
Hanna ging weg. Ze kwelde, noch ergerde, noch beledigde Eli met een tweede of derde verzoek. Ze nam hem op zijn woord, zoals de koninklijke hoveling, die tot Jezus kwam vanwege zijn zoon. Zo moeten wij met onze Eli omgaan. Neem Hem op Zijn woord. Vertrouw Hem. Doe recht aan Zijn trouw en eerlijkheid. Laten we niet op rituelen en ceremonies staan, of naderen in angst en twijfel; maar geloven dat Hij de beloner is van degenen die Hem zoeken.
Laten we onszelf niet misleiden en Hem bespotten door te zeggen: Ik wantrouw Hem niet, ik wantrouw alleen mezelf. Dit is absurd. Je wantrouwt Hem werkelijk, en wel op grond dat je niet volledig voldoet aan Zijn voorwaarden (alsof Hij voorwaarden stelt!); terwijl Hij je opdraagt Hem te vertrouwen juist zoals je bent.
Als je geloof niet goed genoeg is, kom ermee zoals het is. Als je manier van komen onvolmaakt is, voeg dat toe aan het aantal van je zonden, en vertrouw nog steeds. Laat niets in jezelf wantrouwen veroorzaken, zolang het waar is dat Jezus Christus in de wereld is gekomen om zondaars te redden. “zij hebben vertrouwd en U hebt hen bevrijd.” is een waarheid voor ons nu (Psalm 22:5).
4. De troost
Ze ging niet alleen weg, maar zij at, en haar gezicht was niet meer bedroefd (letterlijk, niet meer wat het was). Diep was haar verdriet geweest; nu verdween het, bij de genadige stem van de hogepriester.
Zo leren we wat het is dat een onrustige ziel verlicht. Het is de stem van de Hogepriester: “Ga in vrede.” We hebben een Hogepriester met wie we al onze problemen kunnen delen, een grotere dan Aäron of Eli; en we weten, zelfs zekerder dan Hanna toen ze Eli’s stem hoorde, dat Zijn woorden tot elke ziel die tot Hem komt zijn: “Ga in vrede.”
Hij is niet “strikt,” noch wacht Hij om de kwaliteit of uitnemendheid van onze manier van naderen te onderzoeken. Het moment dat onze woorden, “O God, wees mij genadig,” tot Hem komen, komt Zijn antwoord neer. “Ga in vrede.” Laten we hiervan zeker zijn; laten we geloof hechten aan Zijn beloften, ook al zien we Zijn gezicht niet, of horen we Zijn stem niet.
Ons verlangen zal worden vervuld. Hij kan Zichzelf niet verloochenen. Hij kan Zijn priesterschap niet onteren noch Zijn beloften verbreken. Zo zeker als we vragen, zo zeker zal Hij antwoorden. Hoe lang moeten we wachten voordat we Hem geloven? Hoeveel tekenen moeten we vragen voordat we zeker zijn dat Hij zal doen wat Hij heeft gezegd? Waarom volharden we in twijfels, die ervan uitgaan dat Hij niet trouw is aan Zijn woord, en die hun zondigheid verbergen in de naam van nederigheid, en onder het voorwendsel dat, aangezien we niet weten of we juist hebben gevraagd, we niet kunnen weten of hij zal antwoorden totdat hij heeft geantwoord.
Laten we oppassen voor het Farizeïsme dat altijd om een teken vraagt voordat het de Zoon van God vertrouwt.
Horatius Bonar (1808-1889) was een prediker en dichter die verschillende boeken heeft geschreven om twijfelende zielen te leiden tot geloofszekerheid en prachtige liederen zoals “Ik hoorde Jezus’ zachte stem.” Deze reflecties zijn onderdeel van de serie “Licht en waarheid.”