“O mijn ziel, u hebt de machtigen vertreden!” (Richteren 5:21, EV)

Dit is één toon van het lied van de strijder; een luide en blijde toon. Het is de juichende roep van overwinning; het lied van triomf; overwinning en triomf; toen de strijd niet alleen voor Israël maar voor God was. Het is het lied van Debora en Barak; een lied geïnspireerd door de Heilige Geest; een lied van de aarde, maar ongetwijfeld beantwoord in de hemel; het lied bij het afleggen van de wapenrusting; het lied van iemand die sterk was in de Heere en in de sterkte van Zijn macht.

We kunnen ons voorstellen dat het uitgesproken werd door Abraham bij zijn terugkeer nadat hij de koningen verslagen had; door Mozes toen hij Farao zag omkomen; door Jozua toen hij Amalek versloeg; door David toen hij Goliath doodde; door Israël in de laatste dag (Jesaja 14:3,4). Het is het lied van iemand die uit zwakheid sterk gemaakt was in de Heere en in de sterkte van Zijn macht.
We kunnen ons voorstellen dat het Christus’ overwinningslied was toen Hij stierf, met “Het is volbracht” op Zijn lippen; of meer nog toen Hij weer opstond uit de dood; of nog meer toen Hij opvoer naar de hoogte en de gevangenis gevangen nam.

We kunnen het opvatten als het lied van de apostelen op de dag van Pinksteren, toen zij, “niet door kracht of geweld,” drieduizend mensen gered zagen; en als het lied van apostelen waar zij ook het evangelie predikten — Efeze, Korinthe, Kolosse, of Rome — dat wonderbare evangelie, dat zich machtig betoonde in hun handen zodat bolwerken neergehaald werden en vijanden ondergingen. Zeker was dit het lied van Paulus toen hij zei: “Ik heb de goede strijd gestreden.”

We kunnen het zien als het lied van de gemeente in de dag van haar komende triomf over al haar vijanden; over de Antichrist, over Babylon, over Satan; wanneer ze opgenomen in de wolken, of staande op de glazen zee zingen: “O mijn ziel, u hebt de machtigen vertreden!”

Het moet het onze zijn (1) dagelijks; (2) in het bijzonder bij bepaalde seizoenen en noodsituaties; (3) aan het einde, zoals Paulus; (4) hierna in de eeuwigheid, als we terugkijken op het verleden, en beter onze eigen onmacht begrijpen, evenals de grootheid van de machten die tegen ons waren opgesteld. Hoe vaak zullen we onszelf erop betrappen dat we dit lied herhalen. Zelfs in het nieuwe Jeruzalem klinkt het lied van de oude profetes: “O mijn ziel, u hebt de machtigen vertreden!”

1. Onze strijd

Het is “een goede strijd”, of preciezer, “een heerlijke strijd”. Het is tegen vijanden van binnen, rondom, beneden; het zelf, het vlees, de wereld, maar in het bijzonder de overheden en machten van het kwaad. “Strijd de goede strijd van het geloof” Het is onze strijd. Het is Gods strijd. Het is de strijd van de gemeente; want wij zijn slechts een onderdeel van een machtig leger van strijders. Het is een strijd waaraan we niet kunnen ontsnappen, behalve door Christus’ troepen te verlaten; want er is geen verlof in deze oorlog. Het is een voortdurende strijd. Het is een levenslange strijd. Het is ernstig en verschrikkelijk; geen kinderspel; het klinkt niet alleen zo en heeft niet alleen de naam van strijd; maar het is een intense werkelijkheid.

Nergens buiten de Schrift vinden we het beter beschreven dan door Bunyan in zijn Christenreis. Hij kende de werkelijkheid en heeft het goed geschilderd. Ons leven is dus een strijd; een strijd die in alles doordringt; omdat bij elke stap onze grote tegenstander klaarstaat om onze voortgang te belemmeren, en om te verhinderen dat we God verheerlijken in elk deel en handeling van het leven. U klaagt over de macht van de zonde. Strijd dan! Over de moeite van geloven. Strijd dan!

2. Onze wapens

We moeten gewapend zijn, zowel voor verdediging als aanval; volledig uitgerust met elk strijdwapen. Een half toegeruste soldaat kan een strijd als deze niet voeren. Er moeten geen gebroken zwaarden, geen verroeste speren, geen verbrijzelde helmen zijn.

(1.) Wat onze wapens niet zijn. Ze zijn niet vleselijk; niet aards; niet zelf-gemaakt, noch door mensen gemaakt. Het zijn niet de wapens van wetenschap, filosofie, of menselijk intellect. Deze baten niets tegen zonde, het vlees, of Satan.

(2.) Wat ze wel zijn. Ze zijn goddelijk en hemels, niet gesmeed en gehamerd op een aards aambeeld. Ze zijn door God gemaakt en door God gegeven. Ze zijn compleet, zowel voor aanval als verdediging. We worden voorzien van een zwaard, schild, sandalen en helm — alles wat nodig is in deze strijd, en beschreven door de apostel (in Efeze 6). Niemand verliest deze strijd door gebrek aan aangeboden wapenrusting.

3. Onze kracht

We hebben kracht nodig om de gekregen wapens te gebruiken. Niet de wapens zonder de kracht, noch de kracht zonder de wapens, maar allebei. “Word gesterkt in de Heere en in de sterkte van Zijn macht.” (Efeze 6:10) Onze bekwaamheid is uit God; alle kracht is in de Heere. Wat heb je aan een zwaard en schild als je verlamd bent? We hebben kracht nodig — Gods kracht voor Gods wapenrusting. De volheid van Hem aan wie alle macht is gegeven, staat tot onze beschikking. In deze strijd hoeven we geen gebrek te hebben aan kracht.

4. Onze overwinning

Het is geen nutteloze strijd; geen nutteloos slagveld. Wij gaan uit om te overwinnen! Ja. Ons oog is vanaf het begin gericht op de overwinning. Wij zijn verzekerd van triomf vanaf het moment dat wij het zwaard trekken. Wij worden meer dan overwinnaars gemaakt. Hoe vaak klinken deze woorden in onze oren: “Aan wie overwint…” Wij streven naar dagelijkse overwinning — wij streven naar uiteindelijke overwinning — zoals die van Paulus. Strijd en overwin. Laten we het lied van de strijder zingen: “O mijn ziel, u hebt de machtigen vertreden!”

5. Onze beloning

Iedereen die overwint krijgt een beloning; maar sommige overwinningen zijn moeilijker te behalen; sommige meer of minder compleet. En er is een verschil in de mate van beloning. De zeven beloningen beloofd aan de zeven gemeenten zijn representatieve beloningen. Zij vertegenwoordigen zeven verschillende soorten of standen van heerlijkheid die aan de overwinnaar voorgesteld worden. Toch is de minste beloning al onuitsprekelijk voortreffelijk. Ze is alle strijd, opoffering en verdriet waard.

Broeders, laten we strijden! Laten we streven naar overwinning; naar complete en volmaakte overwinning. Laten we verlangen naar een hoge beloning; laten we niet streven naar een gewone kroon. Onze grote Aanvoerder spreekt tot ons: “Zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij.” Hoe spoedig Hij kan verschijnen weten we niet. En Hij komt met de kroon van gerechtigheid, de kroon van heerlijkheid in Zijn hand voor de Zijnen. Als wij lijden, zullen wij ook met Hem regeren.

“O mijn ziel, u hebt de machtigen vertreden!” (Richteren 5:21, EV)

Dit is één toon van het lied van de strijder; een luide en blijde toon. Het is de juichende roep van overwinning; het lied van triomf; overwinning en triomf; toen de strijd niet alleen voor Israël maar voor God was. Het is het lied van Debora en Barak; een lied geïnspireerd door de Heilige Geest; een lied van de aarde, maar ongetwijfeld beantwoord in de hemel; het lied bij het afleggen van de wapenrusting; het lied van iemand die sterk was in de Heere en in de sterkte van Zijn macht.

We kunnen ons voorstellen dat het uitgesproken werd door Abraham bij zijn terugkeer nadat hij de koningen verslagen had; door Mozes toen hij Farao zag omkomen; door Jozua toen hij Amalek versloeg; door David toen hij Goliath doodde; door Israël in de laatste dag (Jesaja 14:3,4). Het is het lied van iemand die uit zwakheid sterk gemaakt was in de Heere en in de sterkte van Zijn macht.
We kunnen ons voorstellen dat het Christus’ overwinningslied was toen Hij stierf, met “Het is volbracht” op Zijn lippen; of meer nog toen Hij weer opstond uit de dood; of nog meer toen Hij opvoer naar de hoogte en de gevangenis gevangen nam.

We kunnen het opvatten als het lied van de apostelen op de dag van Pinksteren, toen zij, “niet door kracht of geweld,” drieduizend mensen gered zagen; en als het lied van apostelen waar zij ook het evangelie predikten — Efeze, Korinthe, Kolosse, of Rome — dat wonderbare evangelie, dat zich machtig betoonde in hun handen zodat bolwerken neergehaald werden en vijanden ondergingen. Zeker was dit het lied van Paulus toen hij zei: “Ik heb de goede strijd gestreden.”

We kunnen het zien als het lied van de gemeente in de dag van haar komende triomf over al haar vijanden; over de Antichrist, over Babylon, over Satan; wanneer ze opgenomen in de wolken, of staande op de glazen zee zingen: “O mijn ziel, u hebt de machtigen vertreden!”

Het moet het onze zijn (1) dagelijks; (2) in het bijzonder bij bepaalde seizoenen en noodsituaties; (3) aan het einde, zoals Paulus; (4) hierna in de eeuwigheid, als we terugkijken op het verleden, en beter onze eigen onmacht begrijpen, evenals de grootheid van de machten die tegen ons waren opgesteld. Hoe vaak zullen we onszelf erop betrappen dat we dit lied herhalen. Zelfs in het nieuwe Jeruzalem klinkt het lied van de oude profetes: “O mijn ziel, u hebt de machtigen vertreden!”

1. Onze strijd

Het is “een goede strijd”, of preciezer, “een heerlijke strijd”. Het is tegen vijanden van binnen, rondom, beneden; het zelf, het vlees, de wereld, maar in het bijzonder de overheden en machten van het kwaad. “Strijd de goede strijd van het geloof” Het is onze strijd. Het is Gods strijd. Het is de strijd van de gemeente; want wij zijn slechts een onderdeel van een machtig leger van strijders. Het is een strijd waaraan we niet kunnen ontsnappen, behalve door Christus’ troepen te verlaten; want er is geen verlof in deze oorlog. Het is een voortdurende strijd. Het is een levenslange strijd. Het is ernstig en verschrikkelijk; geen kinderspel; het klinkt niet alleen zo en heeft niet alleen de naam van strijd; maar het is een intense werkelijkheid.

Nergens buiten de Schrift vinden we het beter beschreven dan door Bunyan in zijn Christenreis. Hij kende de werkelijkheid en heeft het goed geschilderd. Ons leven is dus een strijd; een strijd die in alles doordringt; omdat bij elke stap onze grote tegenstander klaarstaat om onze voortgang te belemmeren, en om te verhinderen dat we God verheerlijken in elk deel en handeling van het leven. U klaagt over de macht van de zonde. Strijd dan! Over de moeite van geloven. Strijd dan!

2. Onze wapens

We moeten gewapend zijn, zowel voor verdediging als aanval; volledig uitgerust met elk strijdwapen. Een half toegeruste soldaat kan een strijd als deze niet voeren. Er moeten geen gebroken zwaarden, geen verroeste speren, geen verbrijzelde helmen zijn.

(1.) Wat onze wapens niet zijn. Ze zijn niet vleselijk; niet aards; niet zelf-gemaakt, noch door mensen gemaakt. Het zijn niet de wapens van wetenschap, filosofie, of menselijk intellect. Deze baten niets tegen zonde, het vlees, of Satan.

(2.) Wat ze wel zijn. Ze zijn goddelijk en hemels, niet gesmeed en gehamerd op een aards aambeeld. Ze zijn door God gemaakt en door God gegeven. Ze zijn compleet, zowel voor aanval als verdediging. We worden voorzien van een zwaard, schild, sandalen en helm — alles wat nodig is in deze strijd, en beschreven door de apostel (in Efeze 6). Niemand verliest deze strijd door gebrek aan aangeboden wapenrusting.

3. Onze kracht

We hebben kracht nodig om de gekregen wapens te gebruiken. Niet de wapens zonder de kracht, noch de kracht zonder de wapens, maar allebei. “Word gesterkt in de Heere en in de sterkte van Zijn macht.” (Efeze 6:10) Onze bekwaamheid is uit God; alle kracht is in de Heere. Wat heb je aan een zwaard en schild als je verlamd bent? We hebben kracht nodig — Gods kracht voor Gods wapenrusting. De volheid van Hem aan wie alle macht is gegeven, staat tot onze beschikking. In deze strijd hoeven we geen gebrek te hebben aan kracht.

4. Onze overwinning

Het is geen nutteloze strijd; geen nutteloos slagveld. Wij gaan uit om te overwinnen! Ja. Ons oog is vanaf het begin gericht op de overwinning. Wij zijn verzekerd van triomf vanaf het moment dat wij het zwaard trekken. Wij worden meer dan overwinnaars gemaakt. Hoe vaak klinken deze woorden in onze oren: “Aan wie overwint…” Wij streven naar dagelijkse overwinning — wij streven naar uiteindelijke overwinning — zoals die van Paulus. Strijd en overwin. Laten we het lied van de strijder zingen: “O mijn ziel, u hebt de machtigen vertreden!”

5. Onze beloning

Iedereen die overwint krijgt een beloning; maar sommige overwinningen zijn moeilijker te behalen; sommige meer of minder compleet. En er is een verschil in de mate van beloning. De zeven beloningen beloofd aan de zeven gemeenten zijn representatieve beloningen. Zij vertegenwoordigen zeven verschillende soorten of standen van heerlijkheid die aan de overwinnaar voorgesteld worden. Toch is de minste beloning al onuitsprekelijk voortreffelijk. Ze is alle strijd, opoffering en verdriet waard.

Broeders, laten we strijden! Laten we streven naar overwinning; naar complete en volmaakte overwinning. Laten we verlangen naar een hoge beloning; laten we niet streven naar een gewone kroon. Onze grote Aanvoerder spreekt tot ons: “Zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij.” Hoe spoedig Hij kan verschijnen weten we niet. En Hij komt met de kroon van gerechtigheid, de kroon van heerlijkheid in Zijn hand voor de Zijnen. Als wij lijden, zullen wij ook met Hem regeren.

Horatius Bonar (1808-1889) was een prediker en dichter die verschillende boeken heeft geschreven om twijfelende zielen te leiden tot geloofszekerheid en prachtige liederen zoals “Ik hoorde Jezus’ zachte stem.” Deze reflecties zijn onderdeel van de serie “Licht en waarheid.”