‘Het einddoel nu van het gebod is liefde die voortkomt uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof’ (1 Timotheüs 1:5).
Geloof in Gods genade drijft de zondige machten uit die een obstakel vormen voor de liefde.
Als we ons schuldig voelen, hebben we de neiging om ons te wentelen in ik-gerichte neerslachtigheid en zelfmedelijden. Dan zijn we niet in staat om de nood van anderen te zien, laat staan om ons over hen te bekommeren. Of we doen schijnheilig om onze schuld te verdoezelen, wat de doodsteek betekent voor oprechtheid in onze relaties met mensen om ons heen. Of we praten over de fouten van andere mensen om daarmee onze eigen schuld te bagatelliseren.
Hetzelfde geldt voor angst. Als we daar last van hebben, zullen we in de kerk niet zo snel op een vreemde af stappen, terwijl die misschien wel graag door iemand aangesproken zou worden. Of we staan niet open voor zendingswerk op een afgelegen plek, omdat het te gevaarlijk klinkt. Of we verspillen geld aan overdreven veel verzekeringen, of al onze aandacht wordt opgeslokt door allerlei fobieën, waardoor we vooral met onszelf bezig zijn en geen oog hebben voor de behoeften van anderen.
Als we hebzuchtig zijn, besteden we misschien geld aan luxe spullen – geld dat ook gebruikt had kunnen worden voor de verspreiding van het Evangelie. We nemen geen risico’s, want we willen onze kostbare bezittingen en onze financiële toekomst niet op het spel zetten. We zijn gericht op dingen in plaats van op mensen, of we zien mensen vooral als kruiwagens die ons materieel voordeel kunnen brengen.
Geloof in toekomstige genade jaagt schuld, angst en hebzucht ons hart uit en maakt zo ruimte voor liefde.
Geloof drijft de schuld uit, omdat het zich richt op de hoop dat de dood van Christus genoeg is om onze vrijspraak en gerechtigheid te garanderen, nu en tot in eeuwigheid (Hebreeën 10:14).
Geloof drijft de angst uit, omdat het vertrouwt op de belofte: ‘Wees niet bevreesd, want Ik ben met u, wees niet verschrikt, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand, die gerechtigheid werkt’ (Jesaja 41:10).
Geloof drijft de hebzucht uit, omdat het erop vertrouwt dat Christus een grotere schat is dan alle rijkdommen die de wereld te bieden heeft (Mattheüs 13:44).
Steeds weer geldt: Christus wordt meer verheerlijkt als wij meer vreugde vinden in Zijn toekomstige genade dan in de beloften van de zonde.
Beschikbaar gesteld door DesiringGod.org