Licht en waarheid

Hoe we Jehovah vermoeien (Maleachi 2:17)

Hoofdstuk 83 van 45·6 min leestijd
184%

U vermoeit de HEERE met uw woorden, toch zegt u: Waarmee vermoeien wij Hem? Doordat u zegt: Iedereen die kwaad doet, is in de ogen van de HEERE goed, Híj is hun genegen. Of: Waar is de God van het oordeel? (Maleachi 2:17)

De aanklacht van de profeet tegen Israël luidt dat zij de HEERE vermoeien. Zo had Jesaja lang daarvoor al tegen Achaz gezegd: "Is het u niet genoeg mensen te vermoeien, dat u ook mijn God vermoeit?" (Jesaja 7:13). En terwijl God hun verweet dat zij Hem vermoeiden, ontkent Hij plechtig dat Hij ooit hén vermoeid heeft, en vraagt: Waarmee heb Ik u vermoeid?

De aanklacht luidt niet "tergen", maar "vermoeien". En daar klinkt iets diep ontroerends in door: verdriet, geduld, lankmoedigheid, liefde. Het is de diepe genegenheid van een hart dat zich uitstrekt naar onwaardigen en hen niet wil prijsgeven aan de ondergang die ze verdienen. Een hart dat alle dingen bedekt, alle dingen gelooft, alle dingen hoopt, alle dingen verdraagt, dat niet verbitterd wordt en geen kwaad denkt.

Er zijn veel manieren waarop wij God vermoeien. Bijvoorbeeld door onze:

(a.) Onverschilligheid. Wereldsgezindheid, eigenliefde, ijdelheid en dwaasheid.

(b.) Tegenstand. Afkeer van Hemzelf, van Zijn wet, van Zijn evangelie.

(c.) Onleerzaamheid. Dwaasheid, hardheid van hart, eigenzinnigheid.

(d.) Ongeloof. Wantrouwen tegenover Hemzelf, afwijzing van Zijn liefde.

(e.) Gebrek aan ijver. "Dit deed Ik voor jou — wat doe jij voor Mij?"

(f.) Tegenstrijdigheid. Een leven dat in strijd is met de belijdenis. Een naam, meer niet.

Op al die manieren vermoeien wij God voortdurend. Wij krenken, bedroeven en weerstaan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. God zou aan dat vermoeien in één keer een einde kunnen maken en kunnen weigeren nog langer zo door ons behandeld te worden. Maar Hij heeft een groot geduld. Hij verdraagt veel voordat Hij ingrijpt in Zijn toorn. Hij weet welke vreselijke gevolgen het voor ons zou hebben als Zijn geduld uitgeput raakte en Hij de gerechtigheid en de wraak hun werk liet doen. Daarom wacht Hij, heeft Hij medelijden, smeekt Hij en blijft Hij bij ons aandringen, tot het laatste toe.

De woorden van de profeet: "Och, had u maar acht geslagen op Mijn geboden!" spreken van datzelfde gevoel. En de tranen van onze Heere over Jeruzalem laten allebei zien: Gods onuitsprekelijke geduld, én dat er aan dat geduld eens een einde komt.

Maar laten we letten op het bijzondere soort vermoeien waar de profeet op wijst.

1. Het is een vermoeien met woorden

"U vermoeit de HEERE met uw woorden." Woorden op zichzelf vermoeien God niet. Het zijn aangename klanken. Hij luistert graag naar wat Zijn schepselen zeggen. Alles wat we zien en horen uit de werken van Zijn handen is bedoeld om "goed" te zijn: zonneschijn, sterrenlicht, het groen van de aarde, het blauw van de hemel, de schittering van de oceaan, de muziek van de vogels, de stem van de wind, het rollen van de donder, het geluid van vele wateren. Dit alles hoort bij de dingen die Hij "goed" noemde. Zo is het ook met de menselijke stem en met menselijke woorden. Maar wanneer ze losgemaakt zijn van wat er vanbinnen leeft, zodat ze niet meer de taal van het hart zijn maar alleen van de lippen, of wanneer ze dwaling of leugen uitspreken, hol en zonder betekenis — dan houden ze op goed te zijn. Dan mishagen ze Hem. En als ze telkens weer herhaald worden, vermoeien ze Hem. Praten, praten, alleen maar praten, praat van de lippen. Het kan fatsoenlijke, godsdienstige praat zijn, maar als het niet meer is dan praat, vermoeit het niet alleen mensen, maar ook God. Denk eens aan de talloze miljoenen woorden die elk uur worden uitgesproken door de miljoenen van deze aarde — en ze stijgen allemaal op tot het oor van God! Denk aan alle wanklanken en valse tonen, aan de onreinheid, de dwaasheid, de godslastering en de huichelarij die God elk uur te horen krijgt! O, wat moet Hij vermoeid worden van de woorden van mensen! Wat moet Hij bedroefd zijn over de geluiden van deze aarde!

2. Het is een vermoeien met vragen

Wij zeggen: Waarmee vermoeien wij Hem? Mensen willen niet door God ter verantwoording geroepen worden — en toch durven ze de aanklacht niet ronduit te ontkennen. In plaats van eerlijk schuld te belijden of de beschuldiging vierkant tegen te spreken, spreken ze als Kaïn en vragen: "Ben ik de hoeder van mijn broer?" Waarmee heb ik Hem vermoeid? Wat vermoeit God meer dan zo'n houding van huichelachtig vragen, spitsvondig vragen en vitten, van geveinsde verbazing over wat ze zelf heel goed wisten dat ze deden? Wat een bespotting van God! Dat mensen omhoogkijken naar Zijn gezicht en zeggen: Waarmee hebben wij U vermoeid?

3. Het is een vermoeien door het verschil tussen goed en kwaad te ontkennen

Een van de duidelijkste lessen van heel de Bijbel gaat over het verschil tussen de slechte mens en de goede mens, de slechte daad en de goede daad, de verkeerde opvatting en de juiste. De mens ziet van dat verschil vaak maar weinig; God ziet het scherp. De mens wil dat verschil graag uitwissen of gladstrijken, maar God houdt de lijn in stand: breed, diep en helder, als de grens tussen zee en land. Het vermoeit Hem wanneer mensen volhouden dat het verschil tussen dingen en personen maar klein is. Het vermoeit Hem wanneer ze de morele en geestelijke grenzen proberen weg te poetsen, en het licht duisternis noemen en de duisternis licht. Is dat niet precies hoe onze eigen tijd God vermoeit?

4. Het is een vermoeien door niet te geloven in het komende oordeel

"Waar is de God van het oordeel?" — dat is de vraag van het ongeloof, net als de vraag van de spotters in de laatste dagen: "Waar is de belofte van Zijn komst?" Geen oordeel en geen God van het oordeel: dat is de leus van velen. Ieder mens is dan zijn eigen rechter, rechter over alle waarheid en dwaling, iemand die God de maat neemt en oordeelt over Zijn karakter en Zijn wegen. Dit is niet precies wat de dwaas zegt: "Er is geen God." Maar het komt er vlak bij. Want het betekent dat er geen God is, behalve een god die past bij de filosofie van de mens. Omdat God al zoveel eeuwen niet ingrijpt en verwarring en dwaling laat begaan, trekken mensen de conclusie dat er geen God van het oordeel is. Dit "vermoeit God": dit halve atheïsme, dit misverstaan van Zijn liefde en geduld. Gods lankmoedigheid leidt dan niet tot bekering, maar tot ongeloof.

De Heere zal komen. Misschien komt Hij spoedig. Laten wij klaar zijn. De Rechter staat voor de deur.

Gerelateerde artikelen

Alle