Duisternis achtervolgt Zijn vijanden. (Nahum 1:8)
Over Ninevé en Assyrië spreekt deze profeet zijn huiveringwekkende last uit. Die stad en haar inwoners zouden de oordelen van Jehovah dragen. Ze zou van de aarde weggevaagd worden, en zij zouden verdreven worden, achtervolgd door het verderf van de Heere. "De Assyriër" was de grote vijand van Israël, de grote vijand van God; een beeld van de grote vijand van de gemeente in de laatste dagen. De hoofdstad was gewaarschuwd, had zich bekeerd, en was teruggekeerd als de hond naar zijn eigen uitbraaksel. Nu klinkt de laatste stoot op de profetische bazuin: een waarschuwing voor Ninevé, een troost voor Israël. De duisternis is op Ninevé neergedaald, van die dag tot nu, en heeft haar bewoners achtervolgd — een beeld en onderpand van de diepste duisternis tot in eeuwigheid.
Laten we Assyrië nemen als een staaltje van zondaars, en deze voorzegging als een verklaring van Gods manier van omgaan met hen.
1. Een zondaar is een vijand van God
Dat is een sterk woord, een woord dat ernstig nadenken waard is. Het betekent veel. De Schrift spreekt over de zondaar als iemand die God niet liefheeft, die God vergeet, die God ongehoorzaam is, die zich van God afkeert. Maar dit gaat verder dan dat alles: sterker, beslister, verschrikkelijker. Het betekent zulke dingen als deze:
(a.) Hij haat God. Hater van God, zo heet hij; en ook hater van Christus — hater van heel Zijn wezen: Zijn gerechtigheid, Zijn waarheid, Zijn heiligheid, Zijn macht, Zijn soevereiniteit, ja, Zijn liefde.
(b.) Hij probeert God te schaden. Hij zou zijn haat maar al te graag omzetten in daadwerkelijke schade, op elke manier: hij berooft God, hij bespot God, hij probeert Hem van Zijn troon te stoten en zich tegen Hem te verzetten.
(c.) Hij probeert God uit de weg te ruimen. Vijandschap eindigt, als ze haar loop krijgt, in moord. Zo zou de mens, als hij kon, God het leven benemen. Wanneer de dwaas in zijn hart zegt: er is geen God, dan spreekt hij als een moordenaar. Toen de Zoon van God op aarde kwam, rustten ze niet voordat ze Hem hadden gedood. "Kruisig Hem, kruisig Hem" was een kreet waarvan de felle bitterheid en boosaardigheid juist voortkwam uit het vermoeden in de harten van de Joden dat Hij werkelijk de Zoon van God was.
Zo is iedere zondaar een vijand van God: iemand die Hem schaadt, een rebel, een rover, een moordenaar. Alle zonde wijst hierop, en uitgewerkt tot het einde loopt ze hierop uit. En alle ongeloof is een kruisiging van de Zoon van God.
2. God gaat met deze vijanden van Hem afrekenen
Hij is niet onverschillig voor hun vijandschap, Hij is er niet blind voor, Hij is niet van plan eraan voorbij te zien. Maar Hij is geduldig en wil niet dat enigen verloren gaan. Hij wil hun tijd geven om zich te bekeren; Hij probeert hen met deze liefde van Hem te vermurwen. Maar als alles faalt, zal Hij ten slotte opstaan en met hen afrekenen. Ze zullen Zijn kracht en gerechtigheid leren kennen, Zijn toorn en wraak. Duisternis zal Zijn vijanden achtervolgen. Hij gebruikt niet veel woorden en geen grote taal; de dreiging hier is ongetwijfeld zeer beslist, maar ook zeer kalm — en juist door die kalmte des te verschrikkelijker en zekerder. Ze slaat zowel op de tijd als op de eeuwigheid: duisternis nu, duisternis voor eeuwig.
(a.) Er wacht de zondaar duisternis. Het gaat hier niet over vuur of kwelling, het gaat eenvoudig over duisternis. En die duisternis is er op twee manieren. Allereerst het ontbreken van alles wat gezondheid, blijdschap en leven geeft; want zonder licht is er geen leven, geen groen, geen bloei, niet voor de mens en niet voor zijn aarde. Een wereld zonder zon! Hoe troosteloos! En daarnaast de aanwezigheid van dat wat somberheid, onzekerheid, verwarring, schrik en wanhoop voortbrengt. Hoe troosteloos is al een bewolkte dag; hoeveel te meer dagen van eindeloze wolken en duisternis. Geen kennis van de weg, eindeloos tasten, blootgesteld aan gevaren en vijanden. Hoe troosteloos zou het leven zijn met niets dan duisternis! En toch is dat het deel van Gods vijanden! Ze hebben het Licht van de wereld verworpen, en dan moet duisternis hun lot zijn — hetzelfde lot als dat van hem die de vorst van de duisternis is.
(b.) Deze duisternis komt van God. Ze komt niet bij toeval, niet van de mens, niet uit natuurlijke oorzaken. Ze wordt voortgebracht en gezonden door Hem Die zowel licht als duisternis tot Zijn beschikking heeft. Ze komt als straf — vooral voor hun verwerping van het licht. Duisternis is, hoe ze ook komt, treurig; maar als ze van God komt, is ze oneindig verschrikkelijk. Dan moeten we wel dwalen, dan moeten we wel struikelen, dan moeten we wel voor eeuwig ronddolen. O vijand van God, bedenk wat het zal zijn om in duisternis gehuld te worden en voor eeuwig door duisternis achtervolgd te worden.
(c.) Deze duisternis zal hen achtervolgen. Ze zal voor hen zijn als een vijand, of als een roofdier — altijd achter hen aan, uit op hun ondergang. Waar ze ook gaan, deze duisternis zal hun op de hielen zitten, en ze zullen niet ontkomen. Tevergeefs zullen ze naar licht zoeken; dichte duisternis zal hen omhullen. Eeuwige duisternis zal hun deel zijn, de diepste duisternis tot in eeuwigheid. Als een razende wervelwind zal de duisternis hen voor zich uit jagen: "zij zullen het donker in gedreven worden." (d.) Elke vijand van God moet hierop rekenen. Het is een zekerheid. Het is onmogelijk om een vijand van God te zijn en toch aan de duisternis te ontkomen. Hoe snel ze ook vluchten, de duisternis zal hen inhalen als een storm. Hun vijandschap tegen God moet gewroken worden! Want de duisternis komt niet zomaar; ze volgt het spoor van de vijandschap. Ze merkt de vijand, en volgt hem; ze vindt hem en achtervolgt hem.









