U hebt de dag gebracht die U aangekondigd hebt. (Klaagliederen 1:21)
Dit is de stem van het geloof — verdrietig geloof, maar nog steeds geloof. Geloof dat uitziet naar de komende dag van recht en waarheid. Jeruzalem was gevallen, haar zonen waren als gevangen weggevoerd, haar muren en poorten lagen in puin, haar straten waren rood van het bloed, haar vijanden vierden feest. En erger dan dat alles: haar eigen zonden waren tot de hemel opgeklommen en hadden deze vreselijke wraak over haar gebracht. Te midden van dit alles zit Jeremia te treuren. Overal om hem heen is duisternis. Er is maar één lichtpunt, en dat ligt in de verre toekomst: de komst van de dag die God had "aangekondigd" of opgeroepen. Want hij kijkt op naar God als de rechtvaardige Rechter, de wreker van het onrecht dat Israël is aangedaan en ook de bestraffer van haar zonden. Hij troost zich met de gedachte dat God "een dag vastgesteld heeft, waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen" (Handelingen 17:31). Dit is Jeremia's enige hoop, de enkele lichtstraal te midden van diepe somberheid.
Zo is het ook met ons, vandaag. We worden bedrukt door het kwaad om ons heen. De goddelozen overwinnen. De goeden zijn weinig in aantal, en hun naam wordt als kwaad weggeworpen. Het aantal slechte mensen en verleiders neemt steeds meer toe. Wij zijn machteloos te midden van al die zonde, godslastering en uitdaging van God. Wat is dan onze troost? Dat God de dag zal brengen die Hij heeft "aangekondigd". Dat de dag van de mens en de dag van Satan niet voor eeuwig zullen duren, maar dat de dag van God ophanden is — want "Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven" (Hebreeën 10:37). We hebben ons uiterste best gedaan om de stroom van ongerechtigheid te stuiten, om de zaak van God hoog te houden, om de banier van de waarheid op te heffen. En als we voelen dat we volkomen machteloos staan tegenover de machten van aarde en hel, dan roepen wij de belofte in herinnering dat God een dag heeft vastgesteld om alles recht te zetten. Wij vallen terug op dit zekere woord en troosten ons met de gedachte dat de zaak in werkelijkheid van God is en niet van ons, en dat Hij haar te zijner tijd zal verdedigen. Daardoor kunnen wij onze ziel in geduld bezitten.
Door Zijn profeet Amos spreekt God over deze dag — en over degenen die ernaar uitzien (Amos 5:18): "Wee hun die verlangend uitzien naar de dag van de HEERE! Wat zal voor u die dag van de HEERE zijn? Duisternis zal hij zijn en geen licht!" Het is alsof Hij zegt: jullie weten niet wat jullie doen. Waarom verlangen jullie naar die dag? Het is duisternis, en geen licht. En dit is inderdaad één verschrikkelijke kant van de komende dag. Hij moet niet verlangd, maar gevreesd worden. Maar er is ook een andere kant: een dag waarnaar je wél mag verlangen en die je niet hoeft te vrezen. Laten we spreken over de redenen waarom een gelovige de dag van het oordeel en de rechterstoel zou moeten verlangen, en met een rustig opgeheven hart, met verlangen, tegen God zou moeten zeggen: "U zult de dag brengen die U hebt aangekondigd." Op de woorden van Christus over Zijn komst zou hij dan moeten antwoorden: "Amen. Ja, kom, Heere Jezus!" (Openbaring 22:20).
1. God zal niet langer worden buitengesloten uit Zijn eigen wereld
Nu wordt Hij uitgesloten. Jehovah is niet de god van deze wereld. De mens sluit Hem buiten, en doet dat al vanaf het begin. "Wijk van ons," — dat is de bijna unanieme stem van de wereld. Voor zover de wil van het individu of de gezamenlijke wil van de mensheid het kan, is God buitengesloten. Maar wanneer de dag komt die God heeft aangekondigd, zal God ingrijpen. Hij zal binnenkomen en Zich tonen. Hij zal "Zijn grote kracht ter hand nemen en Koning worden" (Openbaring 11:17). Wat zal het een wereld zijn, wanneer God niet langer wordt buitengesloten! Tevergeefs proberen mensen Hem te verbannen. Ze kunnen het korte tijd doen, maar de dag van God komt. Hij zal de lang gesloten poorten van de wereld openbreken en overwinnend binnenkomen.
2. Christus zal niet langer worden verloochend en gelasterd
De bijzondere vijandschap van de mensheid is gericht geweest tegen de Zoon, de Christus van God — tegen Hem in Wie God Zich op een bijzondere manier openbaart. Het is Hem Die mensen verloochenen en lasteren. Een Christus in een of andere vorm willen ze nog wel toelaten, maar niet de Christus van God. De christus van Socinus, of Strauss, of Renan, of Colenso, die wordt geduld; maar wat daarboven uitgaat, daar spotten ze mee en knarsen ze hun tanden. Hoe vaak is onze ziel bedrukt en is ons hart bijna gebroken, bij de klanken van godslastering en uitingen van haat tegen Christus. Dan vallen wij terug op de belofte van de komende dag, wanneer Christus verhoogd zal worden en Zijn Naam zal worden geëerd! O, wat een dag om naar uit te zien, wanneer het zo zal zijn! Heere, haast de dag die U hebt aangekondigd.
3. Het kwaad zal niet langer de overhand hebben
Gods wil zal geschieden op aarde, zoals in de hemel. De wereld zal niet langer zijn wat ze nu is. Satan zal niet langer heersen als "de god van deze eeuw" (2 Korinthe 4:4), als de "aanvoerder van de macht in de lucht" (Efeze 2:2); hij zal van zijn troon worden gestoten en gebonden worden. De antichrist zal geen macht meer hebben, maar verslagen worden. Ongerechtigheid zal niet meer overstromen. De vloek zal voorbijgaan, en de schepping zal worden verlost. De klacht van de prediker (Prediker 1:8) zal niet meer worden gehoord: "Alle dingen zijn zo vermoeiend", "ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid". De mens zal het licht geen duisternis meer noemen en de duisternis geen licht, en evenmin het kwade goed of het goede kwaad (Jesaja 5:20). De dwaas zal niet langer edelmoedig worden genoemd, en van de bedrieger zal niet meer worden gezegd dat hij vrijgevig is (Jesaja 32:5). De gevolgen van de val zullen verdwijnen, en alle dingen zullen nieuw worden gemaakt (Openbaring 21:5).
4. Dwaling zal plaatsmaken voor waarheid
De eerste zonde was tegelijk een dwaling én een ongehoorzaamheid. De mens liet duistere en onware gedachten over God binnenkomen. Sindsdien heeft de dwaling de aarde overstroomd als een vloed. Ze heeft zich uitgebreid, vertakt en vermenigvuldigd. Uit Gods boek van de waarheid hebben mensen (op verdraaide manieren) ontelbare dwalingen en leugens afgeleid. Sommige van de ergste onwaarheden zijn zogenaamd afgeleid uit het Boek van de waarheid. Sterker nog: mensen roemen in dwaling, mits die slim of ernstig is. Ze noemen het speculatie, filosofie, vrij denken. En toch is alle dwaling zonde. En we vinden dwaling overal — in de wereld én in de gemeente. God wordt erdoor onteerd. Zijn Zoon wordt verloochend. Zijn Boek wordt opzij gezet of verkeerd uitgelegd. Maar wanneer de dag van de mens voorbij is en de dag van God komt, dan zal de dwaling verdwijnen en de waarheid opbloeien. Valse wetenschap, ijdele filosofie, onreine literatuur zullen niet meer bestaan. Echte kennis zal de aarde bedekken en de zielen van mensen vullen. Dan zal de waarheid worden gewaardeerd en verhoogd, wanneer Hij Die de waarheid is en de Ware, zal regeren. Zijn troon zal de troon van de waarheid zijn; Zijn kroon de kroon van de waarheid. Zijn licht zal de duisternis op de vlucht jagen. Elke leugen en elke onwerkelijkheid zal verdwijnen. Alles zal echt en waar zijn.
5. De heiligen van God zullen niet meer worden belasterd
Altijd is hun deel geweest: haat, minachting, verdraaiing. Allerlei kwaad is over hen gesproken en geschreven, zowel tijdens hun leven als na hun dood. Ze zijn behandeld als het uitschot van alles. Maar wanneer die dag komt die God heeft aangekondigd, zal dit allemaal omgekeerd worden. Hun levens zullen worden herschreven — en dat door een goddelijke hand. Daar geen verdraaiing, geen leugen. De eenzijdige of kwaadwillige geschiedenissen die hen belasterd hebben, zullen verdwijnen. God Zelf zal hun ware karakter bekendmaken en de edele daden of offers die zij brachten, en die de wereld ontkende of waarmee zij spotte. Wij zullen nieuwe en edele boekdelen van "helden van het geloof" krijgen — van heiligen en martelaren van wie de namen de wereld nooit in haar geschiedenisboeken heeft opgenomen. Wat een dag van het rechtzetten van onrecht en van het opkomen voor wie onrecht is aangedaan, zal de dag van God zijn! Laten we dan geduldig zijn onder de laster van kwade mensen. Laten ongelovige geschiedschrijvers onze edelste mannen besmeuren — onze Hervormers, onze Covenanters. Laten ze Knox en Calvijn belasteren, of Melville en Rutherford, of Whitefield en de evangelisten van zijn tijd. De dag van eerherstel komt. De leugens zullen niet voor altijd op hun nagedachtenis blijven liggen. God Zelf zal hun verdediging op Zich nemen, tot beschaming van hun lasteraars. Wat een dag voor het opklaren van karakters, en voor het plaatsen van gebeurtenissen, woorden en daden in hun juiste licht. Dan zal de leugen worden weerlegd, en de aanklacht voor het oog van het hele universum worden ontkracht. "Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon, in het Koninkrijk van hun Vader" (Mattheüs 13:43).
Laten wij dan rusten in hoop. Laten wij geduldig zijn. Laten wij onrecht en smaad zachtmoedig dragen. "Wie gelooft, zal zich niet weg haasten" (Jesaja 28:16). Dit is nacht — maar de morgen komt. Laten wij ons verheugen in het vooruitzicht ervan, en ons werk doen zonder ons iets aan te trekken van de huidige kritiek en smaad. Wij zien uit naar het "goed gedaan" van de grote Meester en Rechter. Hij staat voor de deur.









