Licht en waarheid

Goddelijke liefde en de afwijzing daarvan door de mens (Jeremia 8:6-7)

Hoofdstuk 65 van 45·7 min leestijd
144%

Goddelijke liefde en de afwijzing daarvan door de mens (Jeremia 8:6-7)

Ik heb er acht op geslagen en geluisterd: zij spreken wat juist niet behoorlijk is. Er is niemand die berouw heeft over zijn slechtheid door te zeggen: Wat heb ik gedaan? Eenieder keert zich af en draaft maar door, als een paard dat zich in de strijd stort. Zelfs een ooievaar in de lucht kent zijn vaste tijden, tortelduif, zwaluw en kraanvogel nemen de tijd van hun aankomst in acht, maar Mijn volk kent niet het recht van de HEERE. (Jeremia 8:6-7)

De profeet voorspelt het oordeel over het opstandige Israël. Hij schildert de rampen die boven Jeruzalem hingen als het zwaard van de verderfengel — verdriet op verdriet, schrik op schrik, dood op dood.

Door deze diepe duisternis heen schieten lichtstralen, telkens als God Zijn liefde noemt — en wat blinken die woorden van liefde fel door dat verschrikkelijke donker heen! Maar Israël dooft al die stralen. Het volk wil er niets van weten, het heeft de duisternis liever dan het licht. Het zegt: "Duisternis, wees jij mijn licht; kwaad, wees jij mijn goed; nacht, wees jij mijn dag." En uiteindelijk geeft God het volk over aan zijn ondergang: "De HEERE heeft verworpen en verlaten de generatie van Zijn verbolgenheid" (Jeremia 7:29).

Laten we nu naar de twee kanten van het beeld kijken — de goddelijke kant en de menselijke kant, het hart van God en het hart van de mens, Gods houding tegenover de mens en de houding van de mens tegenover God. Want wat hier voor Israël staat geschreven, is ook voor ons geschreven. Gods liefde en de afwijzing van die liefde door de mens — dat zijn de twee punten.

1. Gods liefde "Ik heb er acht op geslagen en geluisterd: zij spreken wat juist niet behoorlijk is." Hij spreekt als Iemand die op de uitkijk staat naar het goede, niet naar het kwade — als de vader van de verloren zoon die met spanning uitkijkt of zijn zoon terugkomt. Het tafereel doet ons denken aan Christus' woorden: "Och, dat u ook nog op deze uw dag zou onderkennen wat tot uw vrede dient!" (Lukas 19:42). Het doet ons denken aan: "Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraïm?" (Hosea 11:8); aan: "Want zo dikwijls als Ik tot hem spreek, denk Ik nog voortdurend aan hem" (Jeremia 31:20). Het vertelt ons over Gods sterke verlangen om de zwakste zucht van de terugkerende zondaar te horen — Zijn verlangen om één woord van herinnering te krijgen van Zijn vervreemde zonen en dochters. Het vertelt ons ook over Gods teleurstelling als Hij niets van ons hoort — over het zwijgen van de mens, de afstand en de weigering om terug te keren.

God is niet onverschillig over hoe een mens ervoor staat, over het gevaar en de ellende waarin hij zit. Hij zegt niet wat wij zeggen: "Het is zijn verlies, niet het mijne" of: "Hij heeft het aan zichzelf te danken — laat hem het maar dragen." Zulke harde woorden komen nooit over de lippen van onze liefdevolle God. Hij verliest ons nooit uit het oog. Hij heeft medelijden met ons, Hij verlangt naar ons, Hij hunkert ernaar de zoekende stem te horen en de voetstap van wie terugkeert. En als Hij die niet hoort, dan "bedroeft het Hem in Zijn hart" (Genesis 6:6). Zijn hart keert zich in Hem om, al Zijn medelijden is opgewekt (Hosea 11:8).

Hij staat aan onze deur te luisteren, om het zachtste woord of de stilste zucht op te vangen. Elke dag luistert Hij — Hij luisterde vanmorgen toen je opstond, Hij luistert nu! Wat een vreugde zou het Hem geven om van iemand van jullie te horen: "Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan" (Lukas 15:18). Wil je Hem die vreugde niet geven? Wil je Hem bedroeven met je zwijgen? Zal Zijn lankmoedig geduld je niet laten smelten?

2. De afwijzing van die liefde door de mens Dit wordt heel sterk en op verschillende manieren in onze tekst beschreven.

(1) De verkeerde woorden. Hij hoorde wel woorden van hen, maar niet de woorden die Hij wilde horen — misschien woorden van trots, van eigengerechtigheid, van godslastering, van wereldsgezindheid, van begeerte. Niet de woorden van de verloren zoon: "Ik zal opstaan", die als enige liefelijk in Zijn oren zijn. Misschien de zelfgenoegzaamheid van de Farizeeër: "O God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen" (Lukas 18:11), of: "Wij zijn ongebonden" (Jeremia 2:31), of: "De tempel van de HEERE is dit" (Jeremia 7:4). Maar niet: "O God, wees mij, de zondaar, genadig" (Lukas 18:13). "Zij spreken wat juist niet behoorlijk is."

(2) De onbekeerlijkheid. "Er is niemand die berouw heeft over zijn slechtheid door te zeggen: Wat heb ik gedaan?" Hun hart was verhard. Goedheid én strengheid hadden beide gefaald. Er was geen besef van zonde, geen schaamte over het kwaad, geen vrees voor het gevaar. Israël had het onbekeerlijke hart. En zo is ook het hart van velen onder ons. Het hart van ons volk, mogen we wel zeggen — sterker nog, het hart van onze wereld. O, ik zou willen dat we het niet hoefden zeggen: het hart van de gemeenten. Onbekeerlijkheid! Hoe verschrikkelijk is de toestand van iemand op wie deze beschrijving past! Heb jij berouw over je weg, mens? Zeg jij met een verbitterde ziel: "O wat, wat heb ik gedaan!"?

(3) De roekeloosheid. "Eenieder keert zich af en draaft maar door, als een paard dat zich in de strijd stort." Hij is blind, dolblind, zowel voor het gevaar als voor de zonde. Razend stort hij zich verder in het kwaad: van zonde naar zonde, van begeerte naar begeerte. Hij druft alles aan, daagt God uit, trotseert Zijn toorn, slaat Zijn dreigingen in de wind, bespot Zijn oordelen, stormt tegen Zijn schild aan en spot met Zijn hel. Wat een roekeloosheid is er onder ons! Roekeloosheid in zonde, in misdaad, in zelfgenot, in plezier, in begeerte. Volkomen uitdagen van God — brutaal, schaamteloos lef dat door niets ontmoedigd raakt; dat spot met oordelen, met verdriet, met beproevingen, met preken, met predikanten — en zich verder in het kwaad stort en zo "toorn opstapelt tegen de dag van de toorn" (Romeinen 2:5).

(4) De stompzinnigheid. "Zelfs een ooievaar kent zijn vaste tijden", enzovoort. We wilden bijna van een dierlijke domheid spreken, maar God wil ons vertellen dat het iets ergers is dan dat. Dieren en vogels gehoorzamen aan de wetten die hun gegeven zijn en houden zich aan hun vaste seizoenen; ze keren terug wanneer het seizoen hen roept. Maar de mens onderscheidt niets, let op niets — tijden, wetten, seizoenen, instincten, hij gaat aan alles voorbij. Hij heeft geen verstand. Hij heeft zijn oog en oor gesloten, zijn hele verstand heeft het vermogen verloren om iets waar te nemen — niet alleen wat zijn plicht is, maar zelfs wat hem bedreigt. "Mijn volk kent niet het recht van de HEERE." Hun hart is vet geworden (Mattheüs 13:15). Ze zakken zelfs lager dan de dieren die vergaan.

En toch laat God ons niet aan ons lot over. Hij zegt niet: "Laat hem met rust" in de zin van: laat hem maar verloren gaan. Hij strekt Zijn handen naar ons uit, Hij buigt Zich over ons, Hij is lankmoedig en "wil niet dat enigen verloren gaan" (2 Petrus 3:9); Hij luistert en luistert. Zoals Hij doet aan de deur van de heilige (Maleachi 3:16), zo doet Hij ook aan de deur van de zondaar. Wat zal Hij horen? Efraïm die zichzelf beklaagt? Of de woorden van ongeloof, onbekeerlijkheid en zonde?

Gerelateerde artikelen

Alle