De morgen van vreugde

Het Koninkrijk

Hoofdstuk 10 van 12·18 min leestijd
85%

Waarheen de “veel verdrukkingen” ons leiden, is een koninkrijk (Handelingen 14:22). Tot dit koninkrijk wordt ons “in rijke mate de toegang” verleend (2 Petrus 1:11) — een ingang die op zichzelf inderdaad niet vreugdevol is, maar zwaar, en toch in zijn uitkomst heerlijk.

Tot nu toe was het middernacht en woestijn; nog even, en het zal morgen zijn en koninkrijk. Want “in de morgen” zullen de rechtvaardigen “heersen” (Psalm 49:15). Zoals de nacht de tijd was van verdrukking en “verslijten,” zo is de morgen de tijd van heersen, de tijd waarin “Zijn recht aan het licht” wordt gebracht (Zefanja 3:5). Wanneer “de Rechtvaardige heerst over de mensen,” zal Hij zijn “als het licht van de morgen, wanneer de zon opgaat, een morgen zonder wolken” (2 Samuël 23:3, 4). De tijd dat “de Heere zal helpen” is wanneer “de morgen aanbreekt” (Psalm 46:6); tegen de avond is er verschrikking, maar “voor de ochtend aanbreekt, is hij er niet meer” (Jesaja 17:14). De heerschappij van de antichrist is voorbij, en de heerschappij van Christus begint. Het koninkrijk van de onrechtvaardigen wordt aan stukken gebroken, en het koninkrijk van de rechtvaardigen rijst op in zijn plaats. Lucifer, de namaak “lichtdrager,” de valse “zoon van de dageraad,” verdwijnt van de hemel, en “het ware licht,” de “blinkende Morgenster,” neemt zijn plaats in aan het firmament, onbewolkt en nooit ondergaand in Zijn heerlijkheid. “Het koningschap en de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder heel de hemel zullen gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste” (Daniël 7:27). De vermoeide klacht van de gemeente is niet langer “Hoe lang nog, o Heere,” maar “De HEERE regeert, laat de aarde zich verheugen!” (Psalm 97:1). Haar gebed “Uw Koninkrijk kome” wordt ingeruild voor de dankzegging van de “luide stemmen in de hemel”: “De koninkrijken van de wereld zijn van onze Heere en van Zijn Christus geworden”; “Wij danken U, Heere, God de Almachtige, Die is en Die was en Die komt, omdat U Uw grote kracht ter hand hebt genomen en Koning geworden bent”; “Halleluja, want de Heere, de almachtige God, is Koning geworden” (Openbaring 11:15, 17; 19:6).

Waarheen wij ons haasten is niet slechts een erfenis, maar een koninklijke erfenis — een koninkrijk. Datgene waarvoor wij lijden is een kroon. “Als wij volharden, zullen wij ook met Hem regeren.” Zoals wij werkelijk mede-lijders zijn geweest, zo zullen wij werkelijk mede-regeerders zijn. Het lijden was echt; zo zal ook het regeren echt zijn. Dit is “de vergelding van het loon” waar wij naar uitzien als wij “liever met het volk van God slecht behandeld worden dan voor een ogenblik het genot van de zonde te hebben” (Hebreeën 11:25). Dit is “het betere en blijvende bezit” waarvoor wij bereid zijn “veel strijd in het lijden te verdragen” (Hebreeën 10:32, 34). Dit is de som van al het zwoegen en verdriet op aarde — de uitkomst van een levenslange strijd met vermoeidheid, onrecht en zonde.

Beproeving zien als een voorbereiding op het koninkrijk is al veel; haar zien als een ingang tot het koninkrijk is nog meer. Aan het einde van de donkere laan van de tijd staat het paleis, het koninklijke huis! Aan de rand van ons woestijnpad ligt het koninkrijk! De laan mag onder onze voeten oneffen zijn, aan alle kanten vol doornen, en somber boven ons hoofd; de woestijn mag “woest en huilend” zijn — toch zijn het doorgangen, ingangen; ze duren niet eeuwig, en hun einde is vreugde. Ze brengen ons binnen in een staat waarin in één ogenblik het bittere verleden wordt uitgewist, zodat het “niet meer in gedachtenis zal komen, niemand zal er meer aan denken.” Zo lijkt verdrukking aan de ene kant een pad of een poort omheind met braamstruiken, waar je moeilijk doorheen komt; en aan de andere kant is het de triomfboog van de overwinnaar, waaronder wij het koninkrijk binnentreden. Terwijl wij er doorheen gaan kunnen wij het lied zingen van Hem die deze weg lang geleden voor ons ging: “Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden” (Romeinen 8:18).

De gedachte aan het koninkrijk bemoedigt ons, en de verdwaalde lichtstralen ervan die het geloof ons geeft zijn als de lichtjes uit het raamkozijn van een geliefd huis, die door het struikgewas flikkeren voor het vermoeide oog van een in het donker verdwaalde reiziger. Ja, wij zijn erfgenamen van niets minder dan een koninkrijk — hoe weinig wij daar op dit moment ook op lijken, en hoe hoogmoedig het ook mag klinken om zoveel op te eisen en zo hoog te mikken. Koninklijke gewaden zullen binnenkort al onze armzaligheid bedekken; en onder de heerlijkheid van een troon zullen wij al onze armoede, schaamte en verdriet begraven.

Maar dit is nog niet alles. De vele voortreffelijkheden van dat koninkrijk, zoals de profeten en apostelen ze ons bekend hebben gemaakt, passen juist bij onze situatie en vormen een tegenstelling met onze huidige toestand. Die passendheid — die tegenstelling — maakt de gedachten aan het koninkrijk dubbel kostbaar en troostend.

1. Het is het Koninkrijk van God (1 Korinthe 6:9)

De koninkrijken van mensen zijn voorbijgegaan — die koninkrijken waaronder Gods heiligen vertrapt zijn. En nu is alles wat van de mens was verdwenen, en er blijft niets over dan wat van God is! De heerlijkheid van het koninkrijk bestaat juist hierin, dat het geheel en al van God is. Het moet daarom volmaakt en gezegend zijn — heel anders dan wat onze ogen ooit gezien hebben. Als het slechts een hervorming van menselijke koninkrijken was, of slechts een troonswisseling, dan zou het vooruitzicht maar een twijfelachtige troost bieden. Maar het is een volledig voorbijgaan van het oude en een nieuw maken van alle dingen. Het is de terugkeer van God naar Zijn eigen wereld — en o, wat zal die terugkeer voor ons uitwerken! Zijn herkroning is wat wij verlangen; want alleen daarin ligt de zekerheid van blijvendheid en bestendigheid, waar geen vijand tegenop kan. Het was naar die herkroning dat Jezus uitzag toen Hij op het punt stond het kruis op te klimmen, en waarover Hij tweemaal sprak aan de paastafel (Lukas 22:16, 18) — alsof juist dit “de vreugde was die Hem in het vooruitzicht was gesteld,” omwille waarvan Hij “het kruis verdroeg en de schande verachtte” (Hebreeën 12:2). Het is die herkroning waar ook wij naar uitzien als de dag van onze triomf, want dan zullen wij “stralen als de zon in het Koninkrijk van onze Vader” (Mattheüs 13:43).

2. Het is het Koninkrijk van Christus (Kolossenzen 1:13)

Dit verzekert ons dat wij ons daar thuis zullen voelen. Het is geen vreemde die ons naast Zich op de troon zal zetten, maar onze naaste bloedverwant — de Mens die voor ons stierf. Het zijn de doorboorde handen die de scepter voeren. Dat past precies bij ons. Want hier zijn wij vreemden, en vooral in de hoven en paleizen van de aarde voelen wij ons niet thuis. Maar dan zal het anders zijn. Hier staan wij buiten de koninkrijken van de wereld. Die behoren toe aan de “vorst van deze wereld,” niet aan Christus, en dus ook niet aan ons. Zij heten ons niet vriendelijk welkom. Zij hebben geen eerbewijzen voor ons. Zij laten ons buiten staan. Zij zijn voor ons wat Pilatus, Herodes en Annas voor Jezus waren; zij laten ons onrecht en klappen overkomen, of kijken op zijn minst toe terwijl wij “verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of zwaard” ondergaan. Veel van de verdrukking van de gemeente komt doordat de koninkrijken van deze wereld niet van Christus zijn. Maar in de toekomende eeuw zal Christus regeren, en alles zal aan Hem onderworpen zijn. Hij die regeren zal, weet wat het is om door de wereld gehaat te worden, en weet daarom hoe Hij in Zijn koninkrijk aan ons zal vergoeden al de haat waarmee wij gehaat zijn en al het verdriet dat ons hier heeft gebogen. En dit is duidelijk ook waar het Christus om gaat in wat Hij tegen Zijn discipelen zegt (Lukas 22:28-30). Want na te hebben gezegd “U bent het die steeds bij Mij gebleven bent in Mijn verzoekingen,” voegt Hij eraan toe: “En Ik beschik u het Koninkrijk, zoals Mijn Vader dat aan Mij beschikt heeft, opdat u eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk en op tronen zit en de twaalf stammen van Israël oordeelt.” Zo verbindt Hij het huidige lijden voor Christus met het toekomstige regeren mét Christus — het volharden bij Hem in de beproeving nu, en het delen met Hem in Zijn eigen koninkrijk straks, wanneer Hij terugkomt om de kroon te ontvangen.

3. Het is een koninkrijk dat niet van deze wereld is (Johannes 18:36)

De woorden “niet van deze wereld” betekenen letterlijk “niet uit deze wereld, niet aan deze wereld ontleend” — net zoals wanneer Christus zegt: “U bent van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld” (Johannes 8:23). Deze wereld is geheel en al slecht en staat onder de macht van de boze. Haar gebied ligt onder een vloek. Zij wordt “de tegenwoordige slechte wereld” genoemd (Galaten 1:4). Zij ligt in het boze (1 Johannes 5:19). Haar koninkrijken worden vergeleken met afzichtelijke roofdieren (Daniël 7). Satan en zijn legermachten zijn “de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk” (Efeze 6:12). Alles wat tot haar behoort is dus onheilig. Nu, het komende koninkrijk is niet uit haar materiaal gevormd en behoudt dus ook geen enkele gelijkenis met haar. Tussen de koninkrijken van deze wereld en het koninkrijk van de wereld die komen gaat, bestaat geen verwantschap en geen gelijkenis. Van “deze wereld” wordt gezegd dat zij de Geest verwerpt, ja zelfs Hem niet kan ontvangen (Johannes 14:17); maar dat koninkrijk zal vol zijn van de Geest, want “de Geest zal van omhoog worden uitgegoten, en de woestijn zal tot een vruchtbaar veld worden” (Jesaja 32:15). Over deze wereld is satan koning; over dat rijk is Christus Koning. Deze wereld kent God niet, niet de Vader en niet de Zoon; maar in dat rijk “zullen allen Hem kennen, van klein tot groot.” In deze wereld is alles duisternis; in dat rijk is alles licht. Deze wereld moet worden bestreden en overwonnen; dat rijk mag worden liefgehad en genoten. Zo is het koninkrijk waarvan wij erfgenamen zijn, even ongelijk aan deze wereld als Eden ongelijk was aan de woestijn. En juist dat maakt het zo begerenswaardig. Als het ook maar iets van het kwaad van deze wereld had behouden, als het enkel een herbouw was geweest van haar vleselijke constructie, als het ook maar iets van haar bedorven eigenschappen in zich had opgenomen, dan zou onze troost bij het vooruitzicht op de komst ervan, en bij het rekenen op de wisseling, maar armzalig zijn. Maar het is niet van deze wereld — en dat is onze vreugde. Wij hebben genoeg gezien van deze wereld om te verlangen dat ze vergaat, en om een koninkrijk welkom te heten waarin geen spoor of smet van haar te vinden is.

4. Het is een rechtvaardig koninkrijk

“Het Koninkrijk van God bestaat niet uit eten en drinken” — dat wil zeggen: het is geen vleselijk koninkrijk, opgebouwd uit uiterlijke plichtplegingen en zinnelijke lekkernijen — “maar uit gerechtigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest”; dat is een rechtvaardig, vredig, vreugdevol koninkrijk, bewoond en doordrongen van de Heilige Geest, zodat alles wat ertoe behoort zelf ook zo moet zijn (Romeinen 14:17). Het is een koninkrijk waarvan het gebied de “nieuwe aarde is, waar gerechtigheid woont” (2 Petrus 3:13). De “onrechtvaardigen zullen het niet beërven” (1 Korinthe 6:9); alleen de heiligen zullen het bezitten (Daniël 7:18). De “scepter van dit koninkrijk is een scepter van rechtvaardigheid” (Psalm 45:7). Hij die hem voert is de rechtvaardige Koning (Jesaja 32:1); “en in Zijn dagen zal de rechtvaardige tot bloei komen” (Psalm 72:7). Het is een “krans der rechtvaardigheid” die voor ons is weggelegd (2 Timotheüs 4:8). En dan zal “de vrucht van de gerechtigheid vrede zijn, en de uitwerking van de gerechtigheid: rust en veiligheid tot in eeuwigheid” (Jesaja 32:17). De gerechtigheid van dit koninkrijk maakt het onuitsprekelijk aantrekkelijk voor wie is uitgeput geraakt door de ongerechtigheid van een onrechtvaardige wereld. De gedachte dat “de morgen” dat rechtvaardige koninkrijk zal inluiden, troost ons te midden van de wolken en de dikke duisternis van deze nacht van wenen.

5. Het is een koninkrijk van vrede

De oorlog heeft tegen die tijd zijn loop voltooid; de speren zijn gebroken en omgesmeed tot ploegscharen; strijd en haat zijn gevlucht. De storm is tot kalmte gekomen en de gekwelde zee is stil. Een heilige rust ademt over de aarde. “De bergen zullen voor het volk vrede dragen en de heuvels, met gerechtigheid; … er zal grote vrede zijn, tot de maan er niet meer is” (Psalm 72:3-7). “Op David, op zijn nageslacht, op zijn huis en op zijn troon zal voor eeuwig vrede zijn van de HEERE” (1 Koningen 2:33). Veel waarlijker dan in de dagen van Salomo zal er “vrede aan alle zijden, van rondom” zijn (1 Koningen 4:24); ja, de Heere God zal rust geven van rondom, zodat er “geen tegenstander en geen dreiging van kwaad” meer zal zijn (1 Koningen 5:4). Overal zal het opschrift van Gideons altaar staan: “Jehovah-Shalom” (Richteren 6:24). “Je zult vrede hebben met de wilde dieren van de aarde” (Job 5:23), want “een wolf zal bij een lam verblijven, een luipaard bij een geitenbok neerliggen, een kalf, een jonge leeuw en gemest vee zullen bij elkaar zijn, een kleine jongen zal ze drijven. Koe en berin zullen samen weiden, hun jongen zullen bij elkaar neerliggen. … Men zal geen kwaad doen en geen verderf aanrichten op heel Mijn heilige berg” (Jesaja 11:6 e.v.). Het zuchten van de schepping zal dan voorbij zijn, en haar verlossing voltooid. Alles zal vrede zijn; want de grote Vredevorst is gekomen. Zijn naam is Koning van Salem, dat wil zeggen: Koning van de vrede (Hebreeën 7:2). Hij wordt “Vredevorst” genoemd, en “aan de uitbreiding van deze heerschappij en aan de vrede zal geen einde komen” (Jesaja 9:5, 6).

Met wat een verlangen in ons hart zien wij uit naar de komst van dat koninkrijk, zo anders dan wat deze onrustige aarde van het begin af aan heeft gekend. Elk nieuw verdriet wekt het verlangen op. Elke nieuwe strijd maakt ons blij bij de gedachte dat er zulk een koninkrijk voor ons weggelegd is. Hoe zouden wij ons, zonder dit vooruitzicht, “ergeren aan de kwaaddoeners”; en hoe snel zou ons geduld bezwijken! Maar met onze ogen gericht op dit koninkrijk van vrede kunnen wij “roemen in de verdrukking,” kunnen wij de bitterste beker drinken, de zwaarste storm trotseren en het ruwste tumult verdragen. En wanneer het rumoer van de wereld op zijn luidst klinkt, kunnen wij “ons hoofd opheffen, omdat onze verlossing nabij is.”

6. Het is een koninkrijk dat niet kan wankelen (Hebreeën 12:28)

Alle andere koninkrijken zijn niet alleen gewankeld, maar aan stukken geschud. Het grote Babel, “de trots van de koninkrijken,” was niet meer dan een zandhoop, opgeworpen door de ene vloed en neergeworpen door de volgende. Zo is het met alle andere gegaan, groot en klein. Een voor een zijn ze omvergeworpen en vermorzeld, of zijn ze afgebrokkeld en als kaf van de zomerdorsvloer weggewaaid. Maar het koninkrijk waar wij op uitzien is “het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus” (2 Petrus 1:11). Het blijft voor eeuwig. Noch geweld noch tijd kunnen het aantasten. Het rijst op uit de puinhopen van de huidige wereldrijken, maar is aan geen van alle gelijk. De dingen die kunnen vergaan of verteren worden “geschud,” opdat zij worden afgeschud, en opdat wat niet geschud kan worden zal blijven. En zo komt het onwankelbare koninkrijk tevoorschijn — het koninkrijk waarin geen zonde binnenkomt; waarin verandering geen plaats heeft; waarin de vloek niet binnenvreet; waarvan wijsheid en heiligheid de sterke pilaren zijn; waar wanorde niet bestaat; waar de orde triomfeert; en waarvan de heerlijkheid nooit verflauwt. Het is een vreugde voor ons, in zo’n wereld van instabiliteit en schokken, om aan zo’n koninkrijk te denken. Heen en weer geslingerd door de veranderingen in de koninkrijken die wij hier bewonen, afgemat door het vallen en opkomen, het neerhalen en opbouwen, verlangen wij naar een koninkrijk dat ons rust geeft — een koninkrijk dat niet kan wankelen. Uit deze onzekerheid en wispelturigheid komen zoveel van onze smarten voort! Want wat is er zo verdrietig, zo misselijkmakend, als de gedachte dat elke vierkante centimeter grond onder ons verschuift, dat elke steun waarop wij leunen afbreekt, dat elke tak waar wij ons aan vastklampen afknapt? Wanneer wij ’s avonds de gordijnen dichtschuiven, weten wij niet welke verandering, welk verlies, welk verdriet ons de volgende morgen zal begroeten. Of ook al gaan wij ’s morgens licht en onbezwaard op pad, wij huiveren bij de gedachte wat voor wolken zich boven onze woning kunnen hebben samengetrokken voordat de avond valt. Zo vergankelijk, zo wisselvallig is de aarde met haar koninkrijken! Wat een vreugde om over die alle heen te zien, en dwars door hun schaduwen het eeuwige koninkrijk te aanschouwen! Ja, om verzekerd te zijn dat dit koninkrijk nabij is, en dat Hij “bij Wie geen verandering is of schaduw van omkering,” ons binnenkort zal welkom heten in zijn onveranderlijke rust; en dat Hij die “gisteren en heden Dezelfde is en tot in eeuwigheid,” ons zal doen zitten op de eeuwige troon.

“De hemel,” zei een oude schrijver, “is een gezelschap van edele wagers voor Christus”; en wij mogen eraan toevoegen: en van “edele lijders.” Van zulken is het Koninkrijk der hemelen! Het is in dat koninkrijk dat wij zullen rusten van onze arbeid en het einde zullen vinden van al ons lijden. Wij zullen ontdekken dat wij niet te veel gewaagd hebben, niet te veel gewerkt, niet te veel geleden. De heerlijkheid van het koninkrijk zal alles goedmaken.

“Wees niet bevreesd, kleine kudde, want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven.” Samen met “de Koning der ere” zullen wij onze plaats innemen op de troon, op die dag waarop Hij “de geringe uit het stof verheft en uit het vuil de arme verhoogt, om hen bij edelen te doen zitten en hen een erezetel te laten verkrijgen”; wanneer de goddelozen zwijgen in de duisternis en de tegenstanders van de Heere verbrijzeld worden; wanneer “de HEERE zal rechtspreken over de einden der aarde; Hij zal Zijn Koning kracht geven, en de hoorn van Zijn Gezalfde opheffen” (1 Samuël 2:8-10).

“Uw Koninkrijk kome!” Dat is de zuchtende kern van onze gebeden. Moe van het bestuur van de mens, verlangen wij naar dat van God. Tot op het bot ziek van de taferelen van kwaad in deze wereld — de mens die de mens berooft, de mens die de mens tot slaaf maakt, de mens die de mens verwondt, de mens die de mens bedriegt, de mens die de mens vertrapt — verlangen wij naar het oprichten van de rechtvaardige troon. O, wat zal dat een wereld zijn, wanneer de wil en het bestuur van de mens zullen worden ingeruild voor het bestuur en de wil van Christus; wanneer Gods wil “geschiedt, zoals in de hemel, zo ook op de aarde”!

Het is onze vreugde om te bedenken dat dit koninkrijk nabij is; en dat er geen eeuwen van zonde en onrecht meer in het vooruitzicht liggen, niet voor de gemeente en niet voor de aarde. Juist die nabijheid is onze troost. De hoop dát het komen zal bemoedigt ons; maar de gedachte dat het spóedig komt bemoedigt ons nog meer. Want zowel geloof als hoop worden gevoed door de gedachte aan nabijheid. Wij mopperen niet om het uitstel en worden niet moedeloos of terneergeslagen. En toch lijken onze gevoelens in sommige opzichten wel op wat iemand uit een vroegere tijd zo beschreef:

… Zo traag is deze dag, als de nacht voor een feest is voor een ongeduldig kind dat nieuwe kleren heeft en ze nog niet mag dragen …

Ons bruidsgewaad ligt klaar, en wij verlangen het aan te doen. Ons priesterlijk en koninklijk kleed ligt eveneens klaar, en wij verlangen ernaar daarvoor deze rouwgewaden van armoede, schande en weduwschap in te ruilen. En toch: “door uw volharding zult u uw leven verkrijgen.”

Wij kijken dagelijks uit naar een koninkrijk, en heffen ons hoofd op, wetend dat onze verlossing nabij is. Het zal niet uitblijven. De tekenen van zijn nadering vermenigvuldigen zich. De schaduwen trekken nog voortdurend langs de grijze kliffen heen en weer, maar hun toenemende snelheid wijst op een ingrijpende verandering die op handen is. Koninkrijken rijzen nog op en vallen weer neer; maar de diepe kracht van de trillingen — de kortheid zowel als de plotselinge heftigheid van het schommelen — kondigt een crisis aan. Op dat beslissende moment komen de bewegingen van de wereld tot stilstand. Dan, aangeraakt door een goddelijke hand, beginnen zij opnieuw. Een betere regeringsorde vangt aan. Satan is gebonden (Openbaring 20:1-3). “De onderdrukker is opgehouden” (Jesaja 14:4). Hij die “volken sloeg in verbolgenheid” is zelf geslagen (Jesaja 14:6). De slecht bestuurde wereld juicht. “Nu komt heel de aarde tot rust en stilte. Men breekt uit in gejuich” (Jesaja 14:7). De gezalfde Koning is verschenen. Het grote koninkrijk is gekomen!

Gerelateerde artikelen

Alle