Wee u, Jeruzalem, moet u niet rein worden? Hoelang zal dat nog duren? (Jeremia 13:27)
We blijven niet stilstaan bij Jeruzalem en haar afval, waar dit vers vooral op wijst, maar gaan meteen door naar de toepassing van deze woorden op de mens in het algemeen.
1. De onreinheid van de mens
De onreinheid waarover hier wordt gesproken, is geestelijke onreinheid. Ze slaat vooral op ontrouw aan God — op de begeerte en losbandigheid van de ziel, op haar voorkeur voor een andere echtgenoot, op haar verlangen naar een andere liefde dan die van God. Het was vanwege dit geestelijke overspel dat God Israël en Jeruzalem zo vaak aanklaagde. Het is hierom dat Hij ook de gemeente aanklaagt, en hierom dat Hij het hele mensengeslacht aanklaagt. Wij zijn ontrouw aan God!
(1) In ons hart. God hoort daar de eerste plaats te hebben. Maar Hij heeft de laatste — als Hij überhaupt nog ergens een plek heeft. Hij is buitengesloten uit onze liefde. We houden van anderen, maar niet van God. Van de wereld, maar niet van God. Van vrienden, maar niet van God. Van geld, maar niet van God. O mens, je hart is ontrouw aan God — ontrouw in alles wat het beweegt.
(2) In ons leven. Zoals het hart is, zo is het leven; zoals de innerlijke mens is, zo is de uiterlijke. God heeft geen plaats in ons leven. Hij wordt overal buitengesloten, weggedrukt in een hoek. Het leven wordt aan andere doelen gewijd. Het is ontrouw aan Hem. Woord, daad, planning, gedrag, werk, opleiding — heel ons leven, in alles wat we doen en in alles waarvan we genieten, is ontrouw aan God.
(3) In onze godsdienst. De godsdienst van een mens is vaak het meest onware en holle deel van zijn leven. Daarin is hij ontrouwer aan God dan in welk ander gedeelte van zijn handelen ook. In zijn godsdienst doet hij alsof hij God het dichtst nadert — en juist daarin is hij vaak het verste van Hem af. Daarin lijkt hij op Jeruzalem dat geestelijk overspel pleegde: valse goden aanbidden terwijl je doet alsof je de ware aanbidt.
Zo staat de mens dus tegenover God! Alles is leugen, ontrouw en losbandigheid. Geen deel van hem is rein.
2. Gods verlangen dat wij rein zijn
"U vindt vreugde in waarheid in het binnenste" (Psalm 51:8). Hij is trouw aan ons, en Hij wil dat ook wij trouw aan Hem zijn. God is niet onverschillig over onze ontrouw, alsof het Hem niets zou aangaan. Hij behandelt het ook niet als een loutere belediging, of alleen maar als een zonde waar Hij toornig om is en die Hij veroordeelt en wreken zal. Hij wil ons hart, ons hele onverdeelde hart. Hij wil het helemaal voor Zichzelf. Hij wil het vullen. Hij is een na-ijverig God (Exodus 20:5). En meer dan dat: Hij heeft medelijden met ons, om de ellende die onze ontrouw over ons brengt. Hij ziet hoe we er niets bij winnen en alles bij verliezen — en Hij heeft medelijden met ons, Hij verlangt naar ons. Om ons eigen bestwil verlangt Hij ons trouw aan Hem te zien. Zo is de God met Wie wij te maken hebben. Hij is Iemand die een diepe en liefdevolle belangstelling heeft voor wat goed voor ons is, en Die zelfs medelijden met ons heeft wanneer Hij ons oordeelt.
3. Zijn dringende oproep aan ons
"Moet u niet rein worden? Hoelang zal dat nog duren?" Dit zijn ernstige woorden — woorden met een plechtige en dringende oproep aan ons. Zijn medelijden blijft niet werkeloos. Hij komt naar ons toe. Hij spreekt ons aan. Hij strekt Zijn handen naar ons uit. Wil je? Wil je niet? Wanneer zal het gebeuren? Moet het niet nú gebeuren? Kunnen woorden krachtiger zijn, persoonlijker, helderder en directer? Iedereen moet voelen dat hij persoonlijk wordt aangesproken — héél dringend aangesproken; gesmeekt, dringend gevraagd, vermaand. Hij wil dat wij gereinigd worden — dat wij ons bekeren, Zijn aangezicht zoeken, Hem onze trouwe liefde geven. En Hij wil dit direct, er is geen dag te verliezen. De tijd die voorbij is, is genoeg geweest — sterker nog, te lang. Hij dringt bij ons aan met Zijn plechtige, dringende, liefdevolle nú! Geen uitstel, geen treuzelen, geen aarzeling. Geef je ongeloof op — en geef het nú op. Geef je afgoderij op — en geef die nú op. Keer je tot Mij, en keer je nú. Heb Mij lief — en heb Mij nú lief.
Onze weigering
De tekst gaat ervan uit dat wij weigeren. De mens wijst God af, weigert om Hem zijn hart te geven en houdt bewust vol in zijn huichelarij, oneerlijkheid en ontrouw. Zoveel uiterlijkheid als je maar wilt, dat geeft hij wel — maar verder gaat hij niet. Woorden geeft hij, maar meer ook niet. Offers, plechtigheden, wierook, muziek, gebogen knieën, een vrome stem en toon — dat alles wil hij geven, maar niet zijn hart. Dat weigert hij bewust. Hij weigert God lief te hebben, God te vertrouwen, God te gehoorzamen, God iets anders te geven dan de dienst van de uiterlijke mens — van de lippen, de knie, het lichaam.
Gods veroordeling
"Wee u, Jeruzalem!" Dit was het woord dat onze Heere koos toen Hij Zijn wee uitsprak over de steden van Galilea (Mattheüs 11:21). Wat zit er veel in dat wee opgesloten! Het is het wee van God! Hij meent wat Hij zegt. Zijn dreigingen zijn niet leeg. Hij zal Zijn wraak uitvoeren op de dag van de wraak.
Wee ieder die God niet liefheeft, die het schepsel meer liefheeft dan de Schepper, die zijn hart aan de wereld heeft gegeven in plaats van aan God.
Wee hem die ontrouw is aan God, die Hem aanbidt met zijn uiterlijke mens maar zijn innerlijke mens voor Hem achterhoudt.
Wee hem wiens godsdienst niets dan ontrouw is, die juist in de daden waarmee hij God dient laat zien dat hij God niet wil.
En toch — Hij die "wee" uitspreekt, roept ook "kom" (Mattheüs 11:21, 28). En tussen deze twee in staan de mensenkinderen. Dit zijn de twee woorden die Hij luid laat klinken over ons, om ons Zijn diepe ernst te laten voelen en Zijn onuitsprekelijke liefde.









