Niet alleen het werkelijke leven van een mens, maar ook zijn werkelijke geschiedenis begint bij zijn bekering. Tot die tijd is hij een wezen zonder geschiedenis. Hij heeft geen verhaal te vertellen. Hij is slechts deel van een wereld die in het boze ligt, en er is niets aan hem dat het waard is om opgetekend te worden.
Maar vanaf het moment dat hij wedergeboren wordt en daarmee uit de massa wordt gehaald, ontvangt hij een persoonlijkheid én een waardigheid die hem geschikt maken om een geschiedenis te hebben — een geschiedenis die God als zodanig kan erkennen en die God Zelf zal optekenen. Vanaf die tijd heeft hij een verhaal te vertellen, wonderbaar en goddelijk; een verhaal waarnaar engelen luisteren, en waarover in de hemel vreugde is.
In die brede oceaan zijn miljoenen druppels — en toch vormen ze één vermengde massa vloeistof. Geen enkele druppel heeft een geschiedenis. Er kan een geschiedenis zijn van de oceaan, maar niet van haar afzonderlijke druppels. Maar kijk — jouw druppel begint zich los te maken uit de massa. Hij vat een zonnestraal en stijgt op in het uitspansel. Daar fonkelt hij in de regenboog of straalt hij in de kleuren van de zonsondergang. Nu heeft hij een geschiedenis. Vanaf het moment dat hij uit de massa kwam en een eigen persoonlijkheid kreeg, had hij een verhaal te vertellen — een eigen verhaal, een verhaal van pracht en schoonheid.
In die enorme blokken nog ongebroken steen liggen wat een verschillende vormen verborgen! Wat een mogelijkheden voor beelden of bouwwerken zijn daarin verscholen! Toch hebben ze geen geschiedenis. Ze kúnnen er geen hebben. Ze zijn slechts onderdeel van een lelijk blok, waarin geen enkele lijn of bocht van schoonheid te zien is. Maar dan klinkt het geluid van hamers. De mens heft zijn beitel op. Eén blok wordt afgehouwen. Opnieuw heft hij zijn beitel op, en het blok begint vorm aan te nemen — totdat, slag na slag erop neerkomt en hand na hand het glad maakt en vormgeeft en het volmaakte beeld van het menselijk lichaam tevoorschijn komt.
En het lijkt alsof de hand van de kunstenaar alleen maar bezig is geweest om de stenen omhulsels van die mooie gestalte af te wikkelen, en haar uit de slaap van haar marmeren graf te wekken. Vanaf het moment dat de beitel dat stuk steen raakte, begon zijn geschiedenis.
Zo is het ook met een heilige. Vanaf het moment dat de hand van de Geest op hem wordt gelegd om het proces van afzonderen te beginnen, vanaf dat moment begint zijn geschiedenis. Hij ontvangt dan een bewuste, onderscheiden persoonlijkheid, die hem geschikt maakt om een geschiedenis te hebben — een geschiedenis die geheel wonderbaar is; een geschiedenis waarvan de bladzijden in de hemel zowel geschreven als gelezen worden; een geschiedenis die in haar goddelijke glans zich uitstrekt over de eeuwigheid. Zijn ware waardigheid begint nu pas. Hij wordt geschikt om een plek in het verhaal in te nemen. Elke gebeurtenis in zijn leven wordt het waard om opgetekend te worden. "De rechtvaardige zal eeuwig in gedachtenis blijven" (Psalm 112:6).
Op aarde is deze geschiedenis er één van lijden en oneer, net als die van de Meester; maar hierna, in het koninkrijk, is het een geschiedenis van heerlijkheid en eer. "De hele tijd," zegt Howe, "is God vanaf de eerste bekering van de ziel met haar bezig geweest — werkend, vormend, polijstend. Hij verspreid Zijn eigen heerlijkheid over haar. Hij legd haar in en maakt haar glanzend met heerlijkheid. Nu eindelijk wordt het hele werk geopenbaard, het gordijn wordt opzij geschoven, en de gezegende ziel ontwaakt." Dan begint er een nieuw tijdperk in haar geschiedenis.
Hoe die geschiedenis eruit zal zien, weten wij nu niet. Dat zij wonderbaar zal zijn, weten wij; hoe wonderbaar, kunnen wij ons niet voorstellen. Dat zij heel anders zal zijn dan onze huidige, weten wij; en toch blijft zij niet los van die huidige geschiedenis staan, maar is eraan verbonden — sterker nog, ze ontspringt eruit als haar wortel of zaad.
Ons huidige leven is de ondergrondse fase van de plant; ons toekomstige leven het uitlopen, bloeien en vrucht dragen. Maar de plant is dezelfde, en de toekomst is voor heel haar voortreffelijkheid en schoonheid afhankelijk van het heden. De nacht is niet het sluiten van de dag, maar de dag is het opengaan van de nacht. De dag is slechts de nacht die in bloei staat — de geopende kelken van een donkere, onaanzienlijke knop, die in zich heerlijkheden draagt waarvan wij hier nog geen glimpen opvangen. Het is somber sentiment én valse filosofie om te zeggen, zoals iemand in onze tijd gedaan heeft: "De nacht is edeler dan de dag; de dag is slechts een bonte sluier die kort wordt uitgespreid over de oneindige boezem van de nacht, die haar zuiver doorzichtige, eeuwige diepten voor ons verbergt." De nacht is op zijn best slechts de schoonheid van de dood; de dag, van het leven. En het is het leven, niet de dood, dat schoon is. En als het leven op aarde, in al zijn vormen en ontvouwingen, zo bijzonder schoon is, wat zal het dan niet zijn hierna, wanneer het zich ten volle ontvouwt en heel het bestaan vervult — met een intensiteit die wij nu niet kennen, alsof het bijna zichtbaar wordt door de nieuwe heerlijkheid die het dan over heel de schepping zal verspreiden.
"Wijzen zullen eer ontvangen" (Spreuken 3:35). "Laten Zijn gunstelingen om die eer opspringen van vreugde" (Psalm 149:5). Zij zijn "voorwerpen van Zijn ontferming, die Hij van tevoren bereid heeft tot heerlijkheid" (Romeinen 9:23). Waartoe wij geroepen zijn, is "Zijn eeuwige heerlijkheid" (1 Petrus 5:10). Wat wij ontvangen is "de zaligheid in Christus Jezus, met eeuwige heerlijkheid" (2 Timotheüs 2:10). Tot heerlijkheid is God "veel kinderen aan het brengen" (Hebreeën 2:10), zodat zoals Hij door Wie wij hierin worden gebracht "met heerlijkheid en eer gekroond" is, ook wij dat zullen zijn (Hebreeën 2:9). Wij mogen "ons verheugen met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (1 Petrus 1:8). Wij zijn niet alleen "getuige van het lijden van Christus", maar ook "deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden" (1 Petrus 5:1). Daarom luidt het woord van bemoediging zo: "Verblijd u naar de mate waarin u gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, opdat u zich ook in de openbaring van Zijn heerlijkheid mag verblijden en verheugen" (1 Petrus 4:13).
En de belofte luidt niet alleen "als wij volharden, zullen wij ook met Hem regeren", maar ook: "als wij althans met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden" (Romeinen 8:17).
Deze heerlijkheid is dus ons deel. Het is dat "betere ding" dat God voor ons heeft bereid, om welke reden Hij Zich niet schaamt om onze God genoemd te worden. Dit is de heerlijkheid die al het huidige lijden in de schaduw stelt en het voor eeuwig zal doen vergeten.
Heerlijkheid is de samengevoegde essentie van al wat heilig, voortreffelijk en schoon is. Want alles wat bestaat heeft delen die meer en delen die minder volmaakt zijn. En zijn heerlijkheid is dat wat het meest volmaakt is — waaraan natuurlijk ook het minder volmaakte, naar zijn mate, heeft bijgedragen. Het licht is de heerlijkheid van de zon. De doorzichtigheid is de heerlijkheid van de stroom. De bloem is de heerlijkheid van de plant. De ziel is de heerlijkheid van de mens. Het gezicht is de heerlijkheid van het lichaam. En deze heerlijkheid is op een wonderlijke manier veelzijdig: "De glans van de zon is verschillend, en de glans van de maan is verschillend, en de glans van de sterren is verschillend, want de ene ster verschilt in glans van de andere ster" (1 Korinthe 15:41).
Wat werkelijk heerlijk is, is hier zo verborgen, zo aangetast, zo vermengd met wanstaltigheid en bederf, dat de Schrift er altijd over spreekt alsof de hele heerlijkheid nog in het verschiet ligt — alsof er nog niets van geopenbaard is. Zo werd Hij Die "de afstraling van Gods heerlijkheid" is (Hebreeën 1:3), toen Hij naar de aarde kwam, niet erkend als de Bezitter van zulke heerlijkheid. Zij was verborgen; zij straalde niet. Weinig ogen zagen ook maar enige heerlijkheid in Hem; niemand zag de omvang of de grootheid ervan. Zelfs bij Hem werd nog niet duidelijk wie Hij was en wat Hij zijn zou wanneer Hij komt om "verheerlijkt te worden in Zijn heiligen" (2 Thessalonicenzen 1:10).
Alles wat heerlijk is — zichtbaar of onzichtbaar, stoffelijk of onstoffelijk, natuurlijk of geestelijk — moet zijn geboorteplek in God hebben. "Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid" (Romeinen 11:36).
Alle heerlijke dingen komen uit Hem voort en hebben hun zaden, hun edelstenen of hun patronen in Hemzelf. Wij zeggen van die bloem: "wat mooi"; maar het type van haar schoonheid — de schoonheid waarvan zij de zwakke uitdrukking is — is in God. Wij zeggen van die ster: "wat helder"; maar de helderheid die zij vertegenwoordigt of openbaart, is in God. Zo is het met elk voorwerp boven en beneden. En zo zal het in het bijzonder te zien zijn in de heerlijke dingen die ons in het koninkrijk van God zullen omringen. Van elk ding daar — zoals van de stad zelf — zal gezegd worden: "Zij had de heerlijkheid van God" (Openbaring 21:11).
Heerlijkheid is dus ons erfdeel. Het beste, het rijkste, het helderste, het schoonste van alles wat in God is — van het goede, het rijke, het heldere, het schone — zal van ons zijn. De heerlijkheid die de hemel boven vult, de heerlijkheid die zich uitspreidt over de aarde beneden, zal van ons zijn. Maar al zal "de heerlijkheid van het aardse" van ons zijn, in een werkelijke zin zal toch "de heerlijkheid van het hemelse van ons zijn." Door het geloof hebben wij al onze plaats ingenomen tussen de hemelse dingen, omdat God ons "met Hem opgewekt heeft en met Hem in de hemelse gewesten heeft gezet in Christus Jezus" (Efeze 2:6). Zo hebben wij het hemelse al als ons eigendom opgeëist. En als opgewekten met Christus "bedenken wij de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn" (Kolossenzen 3:2). Een verre heerschappij zal van ons zijn; we zullen omringd zijn door alle tinten en soorten van heerlijkheid die kring na kring zich uitstrekken over heel het universum. Maar het is de hemelse heerlijkheid die zo werkelijk de onze is, als verlosten en opgestanen — en in het midden van die hemelse heerlijkheid zal het familiehuis zijn, de woonplaats en het paleis van de gemeente: ons ware thuis voor de eeuwigheid.
Alles wat ons wacht is heerlijk. Er ligt een erfenis voor ons gereed, en die is "een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkbare erfenis" (1 Petrus 1:4). Er ligt een rust voor ons gereed, een sabbatsrust (Hebreeën 4:9); en deze "rustplaats zal heerlijk zijn" (Jesaja 11:10).
Het koninkrijk dat wij opeisen is een heerlijk koninkrijk. De kroon die wij zullen dragen is een heerlijke kroon. De stad waar wij wonen zal een heerlijke stad zijn. De kleren die ons bekleden zullen kleren zijn "tot heerlijkheid en tot sieraad". Onze lichamen zullen heerlijke lichamen zijn, gevormd naar de gelijkenis van Christus' "verheerlijkt lichaam"(Filippenzen 3:21). Ons gezelschap zal dat van de verheerlijkten zijn. Onze liederen zullen liederen van heerlijkheid zijn. En van het gebied dat wij zullen bewonen wordt gezegd dat "de heerlijkheid van God het verlicht, en het Lam is haar lamp" (Openbaring 21:23).
De hoop op deze heerlijkheid bemoedigt ons. Vanonder een hemel van nacht uit kijken wij uit naar deze beloofde taferelen van zegen, en we worden vertroost. Onze donkere gedachten worden zachter, zelfs als ze niet helemaal opgeklaard zijn. Want de dag is nabij, de vreugde is nabij, de strijd loopt ten einde, de tranen zullen worden afgedroogd, de schande zal in de heerlijkheid verdwijnen, en wij zullen "smetteloos gesteld worden voor Zijn heerlijkheid, in grote vreugde" (Judas 1:24).
Dan zal de vrucht van geduld en geloof zichtbaar worden, en de hoop waaraan we ons zo lang hebben vastgeklampt, zal ons niet beschaamd doen staan. Dan zullen wij juichen en prijzen. Dan zullen wij gewroken worden over de dood, de pijn en de ziekte. Dan zal elke wond meer dan genezen worden. Egypte maakt ons niet langer tot slaaf. Babylon voert ons niet meer in gevangenschap. De Rode Zee is overgestoken, de woestijn is doorkruist, de Jordaan ligt achter ons, en wij zijn in Jeruzalem! "Er zal geen enkele vervloeking meer zijn" (Openbaring 22:3) — "en daar zal geen nacht zijn" (Openbaring 22:5). "De tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen" (Openbaring 21:3); in die tent woont Hij, en wij wonen met Hem.
Het is "de God van alle genade" Die "ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus". En "als de Opperherder verschijnt, zullen wij de onverwelkbare krans van de heerlijkheid verkrijgen" (1 Petrus 5:4, 10). En dat "na een korte tijd van lijden", waarin wij door dat lijden zijn "toegerust, bevestigd, versterkt en gefundeerd". In het lijden verliezen we dus niets. Het bereidt ons voor op de heerlijkheid. En de hoop op die heerlijkheid — samen met de wetenschap dat we onder Gods tucht door gaan en dat er een proces van voorbereiding in ons gaande is — draagt ons; sterker nog, leert ons "te roemen in de verdrukkingen" (Romeinen 5:3). Dit is troost — sterker nog, dit is geluk. Vreemd in de ogen van de wereld, maar niet vreemd in de onze! Alles wat de wereld heeft, is slechts een armzalige nabootsing van geluk en troost; onze troost is echt, ook nu al — hoeveel te meer hierna! Een korte vertraging en een hevige strijd doen niets af van het gewicht van de komende heerlijkheid. Sterker nog, ze voegen er iets aan toe. En zij is het wachten waard, het lijden waard, het strijden waard. Zij komt zo zeker, en is zo zegenrijk wanneer zij komt.
"De volle massa van heerlijkheid," zegt Howe, "ligt nog in het verschiet; wij zijn nog niet zo hoog als de hoogste hemelen." Dit alles hangt boven ons; het nodigt ons om verder te gaan, het wakkert ons aan en maakt ons los van de tegenwoordige dingen, zodat de pijn van verlies, ziekte of rouw zachter op ons valt — en eerder de neiging heeft om ons minder ijdel en lichtzinnig te maken, en juist meer ernst te geven.
"Opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen" — zo bad de Heere voor de Zijnen. Hier komt het op aan. Er zullen andere heerlijkheden zijn, zoals we gezien hebben; maar dit is alles. Dit is het uiterste dat zelfs "de Heere der heerlijkheid" voor hen vragen kon. Hierna kon Hij niets meer vragen; verder kon Hij niet gaan. En ons antwoord hierop is: "Toon mij Uw heerlijkheid"; ja, en het blijde vertrouwen waarin wij rusten is dit: "Ik echter zal in gerechtigheid Uw aangezicht aanschouwen; ik zal, wanneer ik ontwaak, verzadigd worden met Uw beeld" (Psalm 17:15).
Dit is ons verlangen. Een goddelijk en gezegend verlangen, waarin geen trots, geen aanmatiging en geen overdrijving is! Niets minder dan het rechtstreekse, volle zien van de heerlijkheid in mensengedaante kan ons verzadigen. Leeggemaakt van onszelf voor de oneindige Majesteit, ons bewust dat we zelfs niet de plek van een dienaar waardig zijn — voelen wij ons toch onweerstaanbaar getrokken naar de binnenste kring en het centrum, en zijn wij met niets minder tevreden dan de volheid van Hem Die alles in allen vervult.
"Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die U Mij gegeven hebt" (Johannes 17:22). Niet minder dan dit, in soort én in omvang, is de heerlijkheid die voor ons gereed ligt — naar de belofte van de Heere. De heerlijkheid die Hem werd gegeven, draagt Hij over aan hen! Zij "hebben deel aan Christus gekregen", en alles wat Hij heeft is van hen. Sterker nog, Hij zegt: "Ik heb hun gegeven", alsof het al van hen is door Zijn gift — net zo werkelijk als het van Hem is door de gift van de Vader. Hij ontvangt het van de Vader met enkel het doel om het direct aan hen door te geven! Zo kunnen zij zelfs hier al zeggen: "Deze heerlijkheid is nu al van mij, en ik moet leven als iemand aan wie zo'n oneindige heerlijkheid toebehoort." "Wij allen die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid" (2 Korinthe 3:18). Zorgen maken of moedeloos zijn is een trieste tegenstrijdigheid bij iemand die — zelfs onder de zwaarste druk — kan zeggen: "Ik reken erop dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden." Kijk je naar het lijden op zichzelf, dan lijkt het soms overweldigend; leg je het naast de eeuwige heerlijkheid, dan verdwijnt het.
"De rijkdom van Zijn heerlijkheid," zegt de apostel ergens (Romeinen 9:23); "de rijkdom van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen," schrijft hij ergens anders (Efeze 1:18). Vreemde uitdrukkingen zijn dat! Zij voeren ons omhoog naar een hoogte van zulke oneindige heerlijkheid en vreugde, dat we ons verbijsterd voelen en overweldigd. Zoals er "rijkdom van genade" is, en "rijkdom van ontferming", en "rijkdom van liefde", en "rijkdom van wijsheid", zo is er ook "rijkdom van heerlijkheid".
Heerlijkheid in overvloed — zoveel dat ze ons werkelijk rijk zal maken. Heerlijkheid die zich verspreidt over heel onze erfenis, zodat wij "alles zullen hebben en overvloed". Sterker nog: deze heerlijkheid is wat God Zijn rijkdom noemt, wat Hij rekent als de volmaaktheid van Zijn erfenis — de kern van haar schoonheid en haar zegen.
"De vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God," schrijft de apostel (Romeinen 8:21) — en daarmee zegt hij dat er een heerlijkheid is die het bijzondere eigendom van de heiligen is, een heerlijkheid waarvan zij kunnen zeggen "die is van ons", en die zo onderscheiden wordt van de heerlijkheid van alle andere schepsels. Deze heerlijkheid draagt vrijheid in zich. Zij maakt vrij wie haar bezitten. Bederf had ketenen en slavernij meegebracht; heerlijkheid brengt goddelijke vrijheid mee! Het is niet de vrijheid die de heerlijkheid brengt; het is de heerlijkheid die de vrijheid brengt. Gezegende vrijheid! Vrijheid van elke slavernij! Niet alleen de slavernij van bederf, zonde en dood, maar ook de slavernij van het verdriet! Want is verdriet niet een slavernij? Zijn zijn ketenen niet scherp en zwaar? Van deze slavernij van verdrukking maakt de heerlijkheid ons eeuwig vrij. Het is de laatste boei — op die van het graf na — die van onze gekneusde leden wordt afgeslagen. Maar als zij wordt verbroken, dan is zij voor eeuwig verbroken!
En deze vrijheid die de heerlijkheid ons brengt, zal zich uitstrekken tot de onbewuste schepping om ons heen. Wíj brachten die schepping in slavernij, beladen met oneer en uitgeleverd aan het bederf. Zij zucht en kreunt nu onder deze zware slavernij. Maar omdat zij onze slavernij heeft gedeeld, zal zij ook onze vrijheid delen. Dezelfde heerlijkheid die ons vrijheid brengt, zal de onderdrukte en onteerde schepping in dezelfde gezegende vrijheid binnenleiden!
O verlangde voleinding! O vreugdevolle hoop! O welkome dag, wanneer de Brenger van deze heerlijkheid zal verschijnen en de stem uit de hemel zal klinken: "Zie, Ik maak alle dingen nieuw" (Openbaring 21:5).
Het is niet alleen vrijheid die deze heerlijkheid in zich draagt, maar ook kracht. Want er staat geschreven: "met alle kracht bekrachtigd, overeenkomstig de sterkte van Zijn heerlijkheid" (Kolossenzen 1:11). Deze heerlijkheid heeft, ook nu al, een kracht die energie geeft, waarmee wij worden bekrachtigd "om met blijdschap in alles te volharden en geduld te oefenen". Zo zijn wij, "roemend in de hoop op de heerlijkheid van God" (Romeinen 5:2), uitgerust voor allerlei verdrukking en lijden. Hoewel deze heerlijkheid nog onder de "niet geziene" dingen valt, werpt zij niet alleen een glans vooruit die ons pad verlicht, maar laat zij ook een kracht neerdalen waarmee wij "met volharding de wedloop kunnen lopen die voor ons ligt" (Hebreeën 12:1). En zo "wandelen wij in een onheilige wereld waardig voor God, Die ons roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid" (1 Thessalonicenzen 2:12). Het gebed wordt zo in ons vervuld: "De God nu van alle genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, Hij Zelf moge u — na een korte tijd van lijden — toerusten, bevestigen, versterken en funderen" (1 Petrus 5:10).
"Christus onder u, de hoop op de heerlijkheid" (Kolossenzen 1:27). Een inwonende Christus is onze garantie, ons onderpand, onze hoop op de heerlijkheid. Wij hebben Hem en daarmee alles wat van Hem is, of het nu in het heden of in de toekomst is. Hij is de schakel die het hier en het hierna verbindt. Wij stierven met Hem, wij gingen met Hem in het graf, wij stonden met Hem op, en ons leven is nu met Hem verborgen in God. Maar "wanneer Christus geopenbaard zal worden, Die ons leven is, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid" (Kolossenzen 3:4).
De vreugde waarmee wij ons verheugen, is een "onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (1 Petrus 1:8) — meer letterlijk: een "verheerlijkte vreugde". Een vreugde zoals Paulus had toen hij werd opgenomen in het paradijs. Een vreugde zoals die van Johannes toen hij in zijn visioen de hemelse stad kreeg te zien.
Een vreugde waarvan de gedachten aan heerlijkheid de kern uitmaken; een vreugde die de ziel die haar bezit doet voelen alsof zij al door heerlijkheid omringd wordt — alsof zij is "genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van engelen" (Hebreeën 12:22).
"Het Evangelie van de heerlijkheid van Christus," zegt de apostel (2 Korinthe 4:4); en nogmaals: "het Evangelie van de heerlijkheid van de zalige God" (1 Timotheüs 1:11). Of meer letterlijk: "het evangelie van de heerlijkheid van Christus"— dat wil zeggen: "het goede nieuws over de heerlijkheid van Christus" en "het goede nieuws over de heerlijkheid van de zalige God." Zoals het "evangelie van het koninkrijk" — het goede nieuws over "het koninkrijk" — wordt gepredikt, zo is dit het goede nieuws over "de heerlijkheid". Dit goede nieuws heeft God naar deze wereld gestuurd, en stuurt Hij nog steeds. Door het te geloven en het getuigenis van God over de heerlijkheid aan te nemen, worden wij er deelgenoten van — en blijven wij dat, als wij "het beginsel van de vaste grond van het geloof tot het einde toe onwrikbaar vasthouden"(Hebreeën 3:14). Dit goede nieuws past volkomen op onze toestand, hoe verdrietig of zondig die ook is, en het laat licht in onze ziel schijnen, zelfs in haar donkerste en moedeloosste uren.
"Onze lichte verdrukking, die van korte duur is, brengt in ons een allesovertreffend eeuwig gewicht van HEERLIJKHEID teweeg" (2 Korinthe 4:17). Heerlijkheid is dus niet alleen de uitkomst van de verdrukking, maar in een zekere zin ook haar opbrengst. De verdrukking is de bodem, en heerlijkheid is de bloesem en de vrucht. De bodem is ruw en onaanzienlijk, maar de opbrengst is volkomen. Het mag vreemd lijken dat uit zo'n akker zo fris groen en zo'n goddelijke vrucht opkomt. Toch weten wij dat het zo is. Wat hebben wij veel te danken aan die onwaarschijnlijke bodem! Niet alleen werken alle dingen mee ten goede voor ons (Romeinen 8:28), zij werken net zo werkelijk mee tot heerlijkheid.
Het geloof grijpt dit aan en waardeert de verdrukking — sterker nog: het roemt erin. Het ziet de vreugde zo helder dat het de droefheid uit het oog verliest, behalve voor zover die droefheid bijdraagt aan de vreugde. Het is zo opgeslokt in de heerlijkheid, dat het de schande vergeet, behalve voor zover zij de moeder en voorloper is van de heerlijkheid.
Het is uiterst nodig dat we deze vooruitzichten beseffen, deze glimpen die God ons gegeven heeft van wat wij nog zullen zijn. Het is niet alleen geoorloofd om dat te doen voor de verlichting van een belaste geest, maar het is ook uiterst belangrijk voor de gezondheid van onze ziel, voor onze groei in genade, en om met blijde energie verder te kunnen op de weg van dienstbaarheid aan God en behulpzaamheid voor onze medeheiligen of medemensen.
De Man van smarten had vreugde voor Zich liggen. En om die vreugde verdroeg Hij het kruis en verachtte Hij de schande (Hebreeën 12:2). Hij had die vreugde nodig, en wij ook. Want "Hij Die heiligt en zij die geheiligd worden, zijn allen uit Eén" (Hebreeën 2:11). Hij vond er kracht in om het kruis te dragen en de schande te verdragen. Zo mogen ook wij dat — want zoals het pad dat Hij ging hetzelfde is als wat ons is gegeven te gaan, zo is de kracht te vinden waar onze Voorloper haar vond. Er ligt vreugde voor ons gereed, net als voor Hem; een vreugde die niet alleen op de Zijne lijkt, maar Zijn eigen vreugde is (Johannes 17:13). Dat maakt ons bereid om het kruis te dragen in al zijn gewicht en scherpte. Sterker nog: het maakt het kruis zo licht dat we vaak de druk ervan niet voelen. Wij kunnen roemen in zowel het kruis als de schande. We hebben er minder van dan Hij had, en we hebben al Zijn troost, al Zijn vreugde, ten volle.
Wanneer wij dit uit het oog verliezen, krijgt zelfzuchtige zwaarmoedigheid vaak vat op ons. Wij broeden op onze smarten totdat ze ons helemaal in beslag nemen, en sluiten al het andere uit. Wij maken ze groter; we spreiden ze uit en bekijken ze van alle kanten om er de donkerste kant van te ontdekken.
Wij rekenen onszelf het volhouden tot eer aan, en zo voeden wij onze trots en eigendunk. Wij tobben eronder, en tegelijk worden we ijdel doordat we het voorwerp zijn van zo veel medeleven — doordat zo veel ogen op ons gericht zijn en zo veel troostende woorden tot ons gericht worden.
Niets is ongezonder dan deze toestand van de ziel; niets staat verder af van wat God van een heilige verwacht. Het sluit ons op in de kleine kring van het ik. Het versmalt ons zicht en vervormt het tegelijk. Het bederft onze geestelijke smaak, het laat onze geestelijke toon zakken, het verschrompelt en verdroogt ons geestelijke leven. Het maakt ons ongeschikt voor alle taken van rustige en zachte liefde — sterker nog, het verhindert ons het juiste vervullen van eenvoudige en gewone plichten. Het is op zichzelf een zware ziekte, en de bron van talloos veel andere ziektes.
Om deze ongezonde neiging tegen te gaan, zoekt God ons uit onszelf te trekken. Hij doet dat door het kruis voor ons op te heffen, opdat wij erop zien en genezen worden — maar Hij doet het ook door de kroon en de troon te tonen. Het kruis doet de natuurlijke zorg van de mens voor zichzelf niet verdwijnen, maar maakt onze gedachten daarvan los, door ons aan dat kruis Eén te tonen aan Wie wij ons zelf met al zijn belangen veilig kunnen toevertrouwen, en in Wiens doorboorde handen het veel beter verzorgd zal zijn dan in onze eigen handen. Zo doet het zien van de heerlijkheid het ik ook niet teniet, maar slokt het op en verheft het — door ons het koninkrijk te openbaren waarin God zo'n gezegende en blijvende voorziening voor ons heeft getroffen, dat het meer dan dwaasheid lijkt om over onszelf te tobben en het ik tot voorwerp van onze droevige en angstige zorg te maken. Als wij toch even zeker en even goedkoop heerlijkheid krijgen als de lelies hun kleding of de raven hun voedsel — waarom dan zo bezorgd over onszelf? Of waarom überhaupt aan onszelf denken — behalve om eraan te denken en ons erin te verheugen dat God al onze zorgen voor de eeuwigheid in Zijn eigen hand heeft genomen?
Zo lokt God ons weg van onze smarten door ons iets anders te geven om over na te denken — iets dat onze gedachten meer waardig is. Hij trekt ons weg uit het heden, waar alles donker en onaanzienlijk is, en lokt ons in de toekomst, waar alles helder en schoon is. Hij neemt ons bij de hand en leidt ons, als een vader zijn kind, uit het sombere gebied waar wij verdrietig ronddwalen — met onze blik op de grond, alleen gericht op het voeden van onze smarten — naar velden waar alles fris en Eden-gelijk is. Zodat, voor we het beseffen, vreugde — of in elk geval de zwakke weerschijn ervan — onze harten binnen is geslopen en onze zware ogen heeft opgeheven.
Hij wil niet dat wij voortdurend op het kerkhof blijven, of blijven zitten op de graszode waaronder onze geliefde begraven ligt — alsof het graf waar wij ons aan vastklampen onze hoop is, en niet de opstanding daar voorbij. Hij wil dat wij eruit komen. En als Hij ons heeft weggelokt van dat schouwspel van de dood, gebiedt Hij ons om omhoog te kijken — Hij verwijt ons ons ongeloof en onze dwaasheid, en zegt tegen ons: "Degenen van wie je houdt, zijn daar. Nog even, en Hij die hun leven is en het jouwe, zal verschijnen, en jullie zullen elkaar opnieuw ontmoeten — om elkaar te omarmen, niet als een huilende, ziekelijke medesterveling, maar als een verheerlijkte heilige, vrijgemaakt van pijn en zonde."
Niets is gezonder en weldadiger voor de ziel dan deze verwachtingen van de morgen, en van de morgen-heerlijkheid. Het zijn geen luchtkastelen — behalve in de zin waarin het geloof "een vaste grond is van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet". Ze leiden het hemelse leven door ons hele wezen heen — ze laten aan de ene kant onze flauwe polsslag sneller kloppen, en aan de andere kant onze koortsige polsslag rustiger en gelijkmatiger gaan. Ze werken als regelaars van de ziel in haar wilde en wisselvallige bewegingen, en laten ons niet te diep wegzakken en ook niet te hoog opvliegen. Ze brengen onze uiterste impulsen tot rust, door als tegenwicht te dienen tegen het gewicht van het verdriet dat ons zo verplettert.
Ze trekken ons weg van het ik en het zelfgepieker; ze verruimen onze meelevende kring; en ze duwen het hek van afsluiting naar achteren — dat hek dat wij in tijden van lijden zo gauw om ons heen optrekken. Ze houden zuivere sentimentaliteit tegen, en verbieden ons om in de stroom van verdriet te wentelen om de luxe van het verdriet zelf. Ze verbieden ziekelijke somberheid, die het gezelschap graag schuwt en de eenzaamheid kiest. Zij vullen ons met energie om het werk aan te kunnen, en met standvastige moed om de gevaren van de nacht te trotseren. Zij bezielen ons met het rustige maar onverzettelijke vertrouwen van de hoop — een hoop die uitbreidt en helderder wordt naarmate haar voorwerp nadert.
De morgen! Dat is ons wachtwoord. Onze morgen- en avondzang zijn ervan vervuld. Hij geeft kleur aan het leven — kleur aan wat kleurloos is, frisheid aan wat verwelkt is. Hij is de uitkomst en het einddoel van onze hoop. Niets anders zal volstaan voor ons of voor onze wereld — een wereld waarover de duisternis dikker wordt naarmate de jaren verstrijken. Sterren kunnen helpen om de hemel iets minder somber te maken; maar zij zijn de zon niet. En bovendien hebben wolken hen nu zo omhuld dat ze niet meer zichtbaar zijn. Het uitspansel is bijna zonder ster. Toortsen en bakens helpen niet. Ze maken geen indruk op de duisternis; die is zo diep, zo werkelijk, zo tastbaar. Wij zouden alles voor verloren kunnen opgeven — als ons niet verzekerd was dat er een zon is en dat zij snel zal opgaan.
De pelgrimstocht van de gemeente is bijna ten einde. En toch is zij niet minder pelgrim nu het einde nadert. Sterker nog, juist meer. De laatste etappe van de reis is voor haar de meest sombere. Haar pad loopt door de dichtste duisternis die de wereld tot nu toe gekend heeft. Het lijkt alsof we onze weg nu alleen nog kunnen vinden bij het flikkerende licht van branden. Het is het geluid van vallende koninkrijken dat ons verder leidt. Het zijn de stukken van gebroken tronen die over ons pad liggen die ons verzekeren dat onze route de juiste is, en dat haar einde nabij is — dat einde: de morgen met haar liederen; en in die morgen: een koninkrijk; en in dat koninkrijk: heerlijkheid; en in die heerlijkheid: de eeuwige rust, de eeuwigheidssabbat.









