Kerst is voor de kleintjes een dag boven alle dagen, vanwege de cadeaus die deze dag hun brengt. Maar kerstcadeaus hebben in kinderogen meer of minder waarde, wanneer de gever er zichzélf meer of minder in meegeeft. Het is niet zo dat kinderen hun cadeaus verstandelijk op waarde schatten, zoals ouderen doen, naarmate ze erin aflezen hoeveel liefdevolle moeite de gever in de voorbereiding heeft gestoken. Maar wél is het zo dat voor kinderen de kerstcadeaus op zichzelf minder waard zijn dan de spanning rond de manier van geven — door moeite die werkelijk de gever zélf vertegenwoordigt, of de kinderen dat op dat moment nu beseffen of niet.
De kerstsok en de kerstboom geven meerwaarde aan de cadeaus die ze verbergen. En boom noch sok kan voor de kerstmorgen worden klaargemaakt zonder geduldige, liefdevolle arbeid van de ouders, in de nacht ervoor. En hoe meer er — naast de schitterende versierde boom en de veelbelovende vorm van de bollende sok — te raden en te zoeken valt voordat de kinderen hun kerstdeel gevonden en veroverd hebben, hoe leuker de kinderen het vinden. En hoe meer waarde het voor hen krijgt.
Het kost tijd, werk en handigheid om voor de kinderen het beste van een kerstmorgen te maken. Maar het loont om dat voor de lieverds te doen zolang ze nog kind zijn. Ze vergeten het nooit meer; het blijft hun hele leven een kostbare herinnering. Het is een van de middelen in de opvoeding die ouders graag ten goede zouden moeten gebruiken.
Er zou één goede man genoemd kunnen worden die de kunst om kerst voor kinderen heerlijk te maken tot volmaaktheid heeft gebracht. Zelf heeft hij geen kinderen. Daarom heeft hij het tot zijn levenstaak gemaakt om de kinderen van anderen gelukkig te maken. Het verhaal van de vrolijke, steeds wisselende kerstvondsten in zijn huis zou een boekje kunnen vullen. Zijn kerstplannen zijn nooit twee keer hetzelfde. Daarom zeggen de kinderen die hij om zich heen verzamelt naar waarheid: "Zoiets als dít is er nog nooit geweest." Neem één kerstfeest als voorbeeld. Deze kindervriend was er weken van tevoren druk mee. Geld gaf hij ruimhartig uit, maar daar bleef het niet bij. Dag en avond werkte hij, met de hulp van een liefdevolle zus, om alles precies naar zijn zin te krijgen — en dat was beslist ook naar de zin van de kinderen. Eindelijk was het kerstavond. En de kinderen waren er ook: neefjes en nichtjes, en verdere familie, verzameld in zijn huis om te wachten op de dag waar ze zo op hoopten.
Eindelijk kwam de kerstmorgen. Wakend en slapend hadden de kinderen gedroomd van de heerlijkheden die komen zouden, want ze wisten uit het verleden genoeg om er zeker van te zijn dat er iets goeds voor hen klaarlag. Niemand versliep zich die morgen. Volgens afspraak verzamelden ze zich in de ontbijtkamer. Hun kousen hingen aan de schoorsteenmantel — maar slap en leeg. Nergens was een verdacht pakje of doosje te zien. Eerst werd het ontbijt afgewerkt, zodat de morgen vrij was voor echt plezier. Toen kon de dag pas goed beginnen. Ieder ging naar zijn of haar sok. Er zat niets in dan een kaartje, hangend aan een draadje dat over de rand van de schoorsteenmantel kwam. Op dat kaartje stond op rijm de oproep om de draad te volgen, waar hij ook heen ging — ongeveer zo:
"Charley, lieverd, volg maar je neus, en laat je neus dit draadje gaan; volg het door het hele huis — aan het eind zie je iets moois staan."
Elke sok vertelde hetzelfde verhaal, in wisselende vorm. En elk kind stond daar met een dun draadje in de hand, zich afvragend waar het heen zou leiden, wachtend op het teken om te beginnen. Op het startsein gingen ze er allemaal tegelijk vandoor.
Het was een bijzonder oud huis, rijk ingericht met kunstschatten en snuisterijen uit de hele wereld. De ontbijtkamer had zware panelen van gesneden hout en was behangen met oude wandtapijten. De draadjes die de kinderen volgden, liepen achter de grote Zwitserse klok langs, onder het wandtapijt door, voorbij de salon met zijn wandpanelen van Cordoba-leer, een ontvangkamer vol schilderijen in — en klommen daar naar het plafond, omhoog door een daklicht van gekleurd glas. Toen de kinderen dát zagen, renden ze door de hal met zijn marmeren vloer de brede, glanzend gewreven notenhouten trap op, naar de gang erboven. Daar haalden ze hun draadjes op, en begon de jacht opnieuw.
Vanaf dit nieuwe beginpunt ging elk draadje een eigen kant op. Ze liepen her en der, en de kinderen volgden — bijna ademloos van de spanning van het jagen en verwachten. Langs de wanden van de gang, onder rijen oosterse tegels, Italiaans majolica en Sèvres-porselein door, achter oude schilderijen langs, dwars door de goedgevulde bibliotheek, kasten vol vistuig en jachtspullen in en uit, door kamers met Turkse matten en rijk Perzisch borduurwerk, omhoog naar de derde verdieping, en langs de onderkant van de trapleuning weer naar beneden. Telkens wezen de draadjes de weg, en de kinderen volgden. Het was een heerlijk uur voor jong en oud.
Na een poosje kwamen de draadjes weer op één punt samen. Ze liepen onder een gesloten deur door, achter in een gang, waar een bordje elk kind opriep te wachten tot allen bij elkaar waren. Eén voor één kwamen ze aan, met stralende gezichten en bonzende harten. De deur ging open. Daar, midden in de kamer, stonden zeven reusachtige kartonnen kerstlaarzen — elk zo groot als een flinke emmer, of groter — met de namen van de kinderen erop, en tot overlopens toe gevuld. Elk kind greep een laars en haastte zich, zoals opgedragen, terug naar de ontbijtkamer.
Toen kwamen er nieuwe verrassingen. Iedereen ging samen op de vloer zitten. Er werd maar één pakje tegelijk opengemaakt, zodat ze allemaal ten volle van elke onthulling konden genieten. En op menig pakje stonden onverwachte aanwijzingen. Een kind haalde een pakje uit haar kerstlaars, en vond onder het eerste papier een geschreven mededeling dat het pakje aan haar nichtje moest worden doorgegeven. Even later kreeg dat nichtje de aanwijzing om een ander pakje door te geven aan een derde uit het gezelschap. En zo ging de morgen voorbij. Wat waren die kinderen gelukkig! Wat een herinneringen voor het leven werden er toen voor hen gemaakt! En wat genoten de goede oom en tante van die morgen — van het geluk dat zíj hadden bereid!
Er zaten sierlijke en passende cadeaus in die kerstlaarzen. Maar de bekoring van die dag lag in de geheimzinnigheid van die speurtocht door dat prachtige huis, en in de spanning van het lange verwachten en verwonderen. Die kinderen raken nooit uitgenoten over die morgen. De mooiste cadeaus die ze toen kregen, hadden meerwaarde omdat hun gulle gever zoveel van zichzélf had gelegd in de voorbereiding en de uitdeling. En dit is maar één voorbeeld van een waarheid die geldt voor heel het terrein van het blij maken van kinderharten — met kerst of op welke dag ook. Het maakt daarbij niet uit of het gezin ruim heeft of krap zit, of de cadeaus talrijk zijn of weinig, kostbaar of goedkoop.
Wie kinderen gelukkig wil maken, moet vóór hen doen en mét hen doen — niet alleen maar aan hen geven. Hij moet zichzelf meegeven met zijn gaven. Zo volgt hij, in zekere mate, de liefde na van Hem Die Zichzelf aan ons gaf. Hij wordt geraakt door onze vreugden zowel als door onze noden. En bij alles wat Hij geeft, stelt Hij ons nog iets beters in het vooruitzicht dat voor ons bewaard wordt: dat wat alle kennis en begrip te boven gaat, maar wat onze hoop en ons verlangen volkomen zal vervullen, wanneer wij het eindelijk mogen bezitten.



