Verbeelding speelt in het denken en voelen van een kind een grotere rol dan bij een volwassene. Wie een kind wijs wil opvoeden, moet daar rekening mee houden. Het hoofd van een kind zit vol beelden waarvan het kind wéét dat ze niet echt zijn — maar daarom zijn ze niet minder levendig en indrukwekkend. Het is dus vaak goed om de verbeelding van een kind vrij spel te geven, terwijl het niet goed zou zijn als het kind iets zegt, of als jij tegen het kind iets zegt, dat niet waar is.
Een kind dat amper oud genoeg is om te praten, merkt al het verschil tussen werkelijkheid en fantasie. Het kan zien dat wat niet echt is, nog geen leugen hoeft te zijn. Daarom begrijpt zelfs een heel jong kind dat "doen alsof" iets anders is dan bedriegen. Een kind op moeders schoot, nog te klein om los te staan, trekt al graag aan een touwtje dat is vastgemaakt aan een stoel vóór haar — en speelt dat hij paardje rijdt. Wordt hij wat ouder, springt hij op een stok en noemt dát paardrijden. Misschien vertelt hij zijn vader of moeder wel over de lange rit die hij aan het maken is. Het is niet alleen níét de taak van ouders om dat kind te vertellen dat de stoel of de stok geen paard is — het zou zelfs oneerlijk en liefdeloos zijn om het kind te laten toegeven dat zijn paard alleen in zijn fantasie bestaat.
Het kind wordt hier om te beginnen al niet bedrogen. Het hoeft dus ook niet uit de droom geholpen te worden. Maar het zou wél verkeerd zijn als ouders hun kind laten vertellen, alsof het echt gebeurd is, dat vader hem heeft meegenomen op een ritje — terwijl er niets van waar is. In dat laatste geval is de uitspraak een leugen. In het eerste geval is het alleen maar een vlucht van de fantasie. En het kind ziet dat verschil net zo goed als de ouders.
Een klein meisje vermaakt zich met het dekken van een tafeltje, met knopen als borden en kopjes. Ze dient brood en cake op, en schenkt thee voor de gasten die ze heeft uitgenodigd. En ze is blij en dankbaar als moeder er hartelijk op ingaat en zegt: "Wat heeft deze thee een fijne smaak." Maar het zou haar pijn doen als moeder koel en hard zei dat het maar een droge knoop was die werd rondgedeeld als kopje thee. De fantasie staat hier veel dichter bij de waarheid dan het kale feit. Er zit geen bedrog in, maar wél de kracht van een ideale werkelijkheid. En juist door de poppen en het andere speelgoed van de kindertijd worden sommige van de zuiverste instincten van het man-zijn en het vrouw-zijn gewekt en gevormd — overal waar een kind goed wordt opgevoed.
Met dit onderscheid voor ogen kan het verhaal van de Kerstman op kerstavond twee kanten op. Het kan een afkeurenswaardige leugen worden — of toelaatbare fantasie. De gedachte achter de Kerstman is deze: in de nacht waarin het heilige Kind Jezus geboren werd, komt er een boodschapper van Hem om goede gaven aan kinderen te brengen. Tot zover is de gedachte waar. Hóé die boodschapper van Jezus komt, en wie hij precies is — dat hoort bij het rijk van de fantasie. Het kind heeft er recht op de waarheid te kennen, en het mag ook een zekere mate van fantasie genieten. Stel dat ouders hun kind de avond tevoren alle kerstcadeaus laten zien, netjes klaargelegd in een la, klaar om straks de kerstkousen te vullen — zodat er geen ruimte overblijft voor het zoete spel van de fantasie. Dat zou niet wijs zijn, en ook niet vriendelijk. Het past niet bij wat God in de natuur van het kind heeft gelegd. Maar het zou óók niet wijs of vriendelijk zijn om het hele verhaal van de Kerstman en zijn rendieren te vertellen alsof het letterlijk waar is. Er zijn kinderen bang gemaakt met de gedachte dat de Kerstman 's nachts door de schoorsteen zou komen, en dat ze geen cadeaus zouden krijgen als ze wakker waren op het moment dat hij kwam. Dat is helemaal verkeerd. Het kind moet de waarheid leren als waarheid — en van de fantasie mogen genieten als fantasie.
Zo is het eigenlijk ook op het terrein van de Bijbel. Zeggen dat Jezus de goede Herder is, is een waarheid brengen in het kleed van een beeld. Een kind moet geholpen worden om te zien wat de waarheid is, en hoe ver het beeld reikt. Anders kan juist dit Bijbelse beeld voor moeilijkheden zorgen. Er zijn kinderen die er werkelijk onder geleden hebben dat ze dachten letterlijk "lammetjes" te moeten zijn in de kudde van de Heiland. Dit besef van de grens tussen fantasie en leugen moet in elke fase van de opvoeding worden vastgehouden. De leugen mag niet worden geduld. De fantasie mag een ruime plaats krijgen.
Deze waarheid geldt ook voor het lezen van sprookjes. Een kind kan goedgekozen sprookjes lezen, in het besef dat ze verzonnen zijn, met minder gevaar voor zijn denken en karakter dan bij het lezen van een godsdienstig verhalenboek dat de werkelijkheid vals kleurt. Bij het sprookje weet hij dat het verhaal van begin tot eind fantasie is. Bij het andere boek kan hij op een dwaalspoor raken, doordat hij gaat geloven dat iets wat verzonnen én vals is, echt gebeurd zou kunnen zijn. Niet het zuiver fantasievolle in de leesstof van een kind richt blijvende schade aan, maar het valse dat zich voordoet als echt.
De verbeelding van een kind kan gerust veel ruimte krijgen: in zijn spel, in zijn spreken en in zijn lezen. Het verschil tussen fantasie en leugen kent hij net zo goed als zijn ouders. Waar hij hulp bij nodig heeft, is het trekken van de grens tussen het valse en het ware in verhalen die over het echte leven lijken te gaan. Gelukkig is het kind dat ouders heeft die dat onderscheid begrijpen — en die klaarstaan om hem daarbij te helpen.



