Een kind heeft meeleven bijna net zo hard nodig als liefde. Toch worden er tien kinderen door hun ouders liefgehad tegenover één kind dat ook het meeleven van zijn ouders krijgt. Elke ouder zal toegeven dat liefde voor zijn kinderen een plicht is; maar slechts af en toe is er een ouder die beseft dat hij ook met zijn kinderen hóórt mee te leven. Je kunt gerust zeggen: onder de kinderen die niet te lijden hebben onder echte hardheid van hun ouders, is er geen grotere oorzaak van ongeluk dan het ontbreken van ouderlijk meeleven. En omgekeerd is het zonder twijfel waar dat niets een ouder zoveel invloed op zijn kind geeft om het karakter en de levensgewoonten van dat kind te vormen, als meeleven met dat kind — meeleven dat hij ook laat merken.
Liefde kan helemaal van één kant komen. Ze kan gegeven worden zonder dat ze beantwoord of gewaardeerd wordt. Ze kan er niet in slagen degene te raken of te veranderen naar wie ze uitgaat. Maar meeleven is van nature een kracht die twee kanten op werkt. Het kán niet van één kant komen. Vanaf het eerste begin is het een antwoord op de gevoelens of de noden van een ander. Het bouwt op de genegenheid, de verlangens, het lijden of het gemis die de ander al ervaart. Daarom is meeleven zeker van een dankbare ontvangst bij degene die het opriep. Liefde kan aangeboden worden voordat erom gevraagd of naar verlangd wordt. Meeleven is in zichzelf het antwoord op een roep om precies dat. Liefde kan zelfs onwelkom zijn. Meeleven is bij voorbaat verzekerd van een welkom.
In zijn vreugde net als in zijn verdriet wil een echt kind iemand die zijn gevoelens déélt, meer dan iemand die ze stuurt. Is een kind gevallen en heeft het zich pijn gedaan, dan is het meer geholpen met woorden vol duidelijk meeleven dan met de boodschap dat het niet moet huilen, of dat het maar een schrammetje is. De liefde die zich toont in het teder verbinden van de wond, heeft in zo'n geval minder vat op het kind dan het meeleven dat zijn pijn ten volle erkent — en dat zijn worsteling om zijn gevoel de baas te blijven opmerkt en prijst. Het is werkelijk gemakkelijker om een kind op zo'n moment te troosten, en het macht over zichzelf te geven, door te laten merken dat je met hem meevoelt en hoe je wilt dat hij zich voelt, dan door hem te vertellen — hoe liefdevol ook — wat hij moet doen en hoe. En zo is het ook bij een kind in tijden van vreugde, net als in elke tijd van verdriet. Het wil dat je meeleeft in zijn blijdschap, meer dan dat je er liefdevol je goedkeuring aan geeft dat hij nu net op deze manier plezier maakt.
Herbert Spencer, die zo weinig ophad met de fijnere gevoelens van de menselijke natuur als een verstandig waarnemer van kinderen zich maar kan veroorloven, legt juist nadruk op dit verlangen van een kind naar meeleven op het gebied van de verstandelijke ontwikkeling. "Wat is er duidelijker," vraagt hij, "dan het verlangen van kinderen naar meeleven in wat hun geest bezighoudt? Let op hoe het kindje dat op je knie zit, het speelgoedje dat het vasthoudt voor je gezicht duwt, zodat jij er ook naar kijkt. Zie hoe het, wanneer het met een natte vinger een piepend geluid op tafel maakt, zich omdraait en je aankijkt; het doet het nog eens, en kijkt je wéér aan. Zo zegt het zo duidelijk als het maar kan: 'Hoor eens, een nieuw geluid.' Kijk hoe de oudere kinderen de kamer binnenkomen met: 'Mama, kijk eens wat een raar ding.' 'Mama, kijk eens.' 'Mama, moet je dit zien.' En ze zouden die gewoonte volhouden, als de dwaze mama niet zei dat ze haar niet zo moesten lastigvallen. Zie hoe elk kleintje, buiten met het kindermeisje, naar haar toe rent met de nieuwe bloem die het geplukt heeft — om te laten zien hoe mooi die is, en om háár ook te horen zeggen dat hij mooi is. Luister naar de gretige woordenstroom waarmee elk jochie vertelt over al het nieuws dat hij heeft gezien, als hij maar iemand kan vinden die met een beetje belangstelling luistert."
Maar hoeveel ouders zijn er niet die eerder speelgoed voor hun kinderen kopen dan dat ze delen in de vreugde van hun kinderen over dat speelgoed; die hun kinderen eerder aan het leren zetten dan dat ze deel hebben aan de verrassingen en de blijdschap van hun kinderen over wat ze ontdekken; die eerder elk verlies van hun kinderen zo goed mogelijk vergoeden dan dat ze mét hun kinderen om die verliezen treuren. En wat een verlies aan invloed betekent dat voor die ouders als ouders — dit gebrek aan meeleven met hun kinderen als kinderen. Toch zijn er ook ouders die in alles met hun kinderen meeleven. Het gevolg is dat zij hun kinderen praktisch kunnen vormen en leiden zoals zij dat willen. Want waar volkomen meeleven is tussen twee mensen, daar is de sterkste van de twee vanzelf de sturende kracht voor allebei.
Om met een ander mee te leven moet je je in zijn plaats kunnen verplaatsen, met je denken en met je gevoel. Je moet voor dat moment zijn gezichtspunt innemen, en zien wat hij ziet — en zóáls hij het ziet, terwijl je vandaar de wereld inkijkt. Het is niet zo dat jouw kijk vanaf het begin de zijne is; maar zíjn kijk moet de jouwe zijn op het moment dat je begint met je poging om hem je meeleven te tonen. In veel verhoudingen in het leven zou meeleven tussen twee mensen onmogelijk zijn, door verschillen in smaak en aard en manier van denken. Maar bij ouder en kind ligt dat anders: de ouder hoort in staat te zijn de denkwijze en de gevoelswereld van het kind te leren kennen, zodat hij op elk moment met het kind kan meeleven.
Hoe het kind zich zou móéten voelen, is één ding. Hoe het kind zich wérkelijk voelt, is iets heel anders. Het eerste weet de ouder misschien beter dan het kind; maar het tweede weet het kind beter dan de ouder. Zolang een ouder niet heeft geleerd hoe het kind ergens tegen aankijkt, kan hij niet zó naast het kind gaan staan in diens kijk op de zaak, dat hij zijn vertrouwen wint en samen met hem toewerkt naar een juistere kijk. Wie op een afstand blijft staan en het kind vertelt hoe het hoort te denken en te voelen, ontmoedigt het misschien alleen maar, omdat het merkt hoe ver het van de juiste maatstaf af staat. Maar wie naast het kind gaat staan en het wijst op de weg die het moet gaan, zal het eerder aanmoedigen tot eerlijke pogingen in die richting — totdat het gaat denken en voelen zoals zijn ouders het graag zien.
Een ouder mist een kans om meer invloed op zijn kind te krijgen, wanneer hij geen meeleven toont met dat kind in zijn plezier en zijn gewone bezigheden. Als de ouder werkelijk altijd bereid zou zijn belangstelling te tonen voor het spel, de vriendschappen en het schoolwerk van zijn kind, dan zou hij vergroeien met het leven van zijn kind op al deze terreinen. Dan zou het kind er bijna net zoveel plezier in hebben om die dingen naderhand met zijn ouder door te praten als om ze eerst zelf te beleven. Maar als de ouder nergens in lijkt te delen van wat het kind meemaakt, dan raakt het kind in zoverre noodgedwongen van zijn ouder afgesloten — en moet het daar zijn leven leven alsof het geen ouders had.
Nog meer kansen om zijn kind goed te doen verspeelt een ouder, als hij niet meeleeft met zijn kind in diens zwakheden, dwaasheden en misstappen. Het zit in de aard van elk kind om te verlangen naar meeleven juist op het punt waar het dat het hardst nodig heeft. Wanneer het verkeerd heeft gedaan, of slechte gedachten heeft toegelaten, of de kracht van een verzoeking voelt, dan wendt het zich graag tot iemand die sterker en beter is dan hijzelf, om zijn fouten en mislukkingen te belijden. Komt het kind op zo'n moment bij zijn ouders en wordt het ontvangen met merkbaar meeleven, dan wordt het met nieuw vertrouwen naar zijn ouders toe getrokken. Maar wordt het zonder meeleven ontvangen, en krijgt het alleen te horen hoe fout het bezig is, of hoe vreemd het toch is dat het zó ver kon afdwalen — dan wordt het teruggeworpen op zichzelf, om zijn bitterste levensstrijd helemaal alleen uit te vechten. En er wordt een nieuwe muur opgetrokken tussen het kind en zijn ouders: een muur die geen ouderliefde kan wegnemen, en die door geen ouderlijke waakzaamheid of zorg nog tot een zegen kan worden voor kind of ouder.
Het is iets groots wanneer een ouder zó met zijn kind meeleeft, dat het kind hem vrijuit zijn slechtste gedachten of grootste mislukkingen kan vertellen, zonder angst dat het die ouder zal schokken — en dat daardoor het vertrouwen van het kind weer verkilt. Het is iets groots wanneer een ouder zó meelevend over zijn kind denkt, dat wanneer het per ongeluk een breekbaar aandenken heeft gebroken dat de ouder bijzonder dierbaar was, hij meer bewogen is door het verdriet van het kind over het ongelukje dan door het verlies van het kostbare kleinood. Er bestaat geen invloed op kinderen die zó groot is als de invloed die uit zulk meeleven voortkomt.
Er zit waarheid in de opmerking van Herbert Spencer dat "moeders en vaders door hun kinderen maar al te vaak worden gezien als vriend-vijanden", en dat ouders er veel beter aan doen hun kinderen te láten merken dat ze "hun beste vrienden" zijn, dan het erbij te laten dat ze het alleen maar zéggen. Het zou zo moeten zijn dat kinderen voelen: bij niemand anders vind ik zulk begripvol meeleven — in mijn plezier, in mijn verdriet en in mijn moeiten — als ik bij mijn ouders zeker weet te vinden. In sommige gezinnen is het zo. En overal waar het zo is, hebben de ouders een invloed op en met hun kinderen die anders onmogelijk zou zijn. Aan de andere kant zijn er ouders die hun kinderen grenzeloos liefhebben, die zouden sterven om hun welzijn te bevorderen — en die toch niet werkelijk met hun kinderen meeleven. Juist door dat gemis aan meeleven blijven de diepste vertrouwelijkheden van hun kinderen voor hen gesloten, en kunnen ze hen niet leiden zoals ze zo graag zouden willen.
De kracht van het meeleven is niet helemaal een kwestie van aanleg. Ze hangt voor een groot deel af van oefening. Een ouder die van zichzelf niet meelevend is, kan zichzelf volhardend trainen in de gewoonte van meeleven met een kind dat zelf ook niet meelevend is. Dat doet hij door zijn plicht te erkennen om te leren hoe het kind denkt en voelt, en door te zien wat er te winnen valt wanneer hij in liefdevolle tederheid naast dat kind gaat staan, om het tot een betere manier van denken en voelen te brengen. Maar als ouder en kind niet met elkaar meeleven, dan zal zelfs de beste en meest onzelfzuchtige liefde die de ouder zijn kind kan geven, voor de opvoeding onvruchtbaar blijven — vergeleken met wat er mogelijk was geweest als die liefde door meeleven was geleid.



