Aanwijzingen voor de vorming van kinderen

Het verdriet van kinderen

Hoofdstuk 23 van 30·7 min leestijd
77%

De beproevingen en het verdriet van kinderen en jonge mensen hebben van ouders en leerkrachten niet altijd de erkenning gekregen die ze verdienen. Het is zelfs gebruikelijk om over de kinderjaren te spreken als een tijd die volkomen vrij is van zorgen en verdriet, en om jongens en meisjes in het algemeen te zien als gelukkiger en onbezorgder dan ze in hun latere leven ooit kunnen hopen te zijn. Geen vergissing kan groter zijn dan deze. De donkere kant van het leven wordt het eerst gezien. De lichtere kant komt daarna.

"Maar de mens wordt voor de moeite geboren, zoals vonken uit het vuur omhoogvliegen" (Job 5:7). Het eerste geluid van een kinderstem is huilen, en dat huilen wordt nog vele keren herhaald voordat het kind voor het eerst lacht. Hoe gemakkelijk zelfs de braafste baby huilt, kan elke moeder beamen. Het is het troosten van een huilend kind, niet het meegenieten met een lachend kind, dat de vaardigheid en het geduld van een trouwe verzorgster op de proef stelt. Pas wanneer het kind gevormd en geoefend wordt om zijn neiging tot huilen te overwinnen en gelukkig te zijn in zijn eigen kleine wereld, wordt het een blij en vrolijk kind.

Elke last van het leven — en de lasten van het leven lijken talrijk — drukt het zwaarst op de natuur van een kind. Een kind krijgt meer verzoeken geweigerd dan toegestaan. Het wordt dagelijks, bijna elk uur, teleurgesteld. De baby kan niet bij de maan, mag niet aan papa's scheermes komen, niet op de spiegel slaan, de theepot niet omtrekken en niet naar het vuur kruipen. Het oudere kind mag niet alles eten wat het wil, niet op elk moment naar buiten, en papa en mama niet altijd naast zich hebben. Dan komen de schooltaken waar het tegen opziet, en de jaloezie en onaardigheid van speelkameraden om verdriet over te hebben. En hoe meer een jong mens van het leven en de wereld leert kennen — de onvermijdelijke worstelingen met verzoeking, en het onrecht dat in zo veel gevallen geleden moet worden — hoe moeilijker het wordt om alleen de lichtere kant van het menselijk bestaan te zien, en zich dapper en opgewekt te houden onder alles wat somber maakt en neerdrukt. Er staan meer wolken aan de hemel van de aprilmaand van het leven dan aan die van zijn augustus.

Naarmate jonge mensen ouder worden, worden ze minder gevoelig voor kleine tegenslagen en beheersen ze zich beter. Ze schieten niet meteen vol wanneer hun plannen doorkruist worden, of wanneer ze niet alles kunnen doen of krijgen wat ze zouden willen, of wanneer hun vrienden anders blijken dan ze hadden gehoopt. Ze leren over hun moeiten na te denken, te letten op wat het leven aan de andere kant weer goedmaakt, en te erkennen dat veel dingen waarnaar ze verlangd hebben niet goed voor hen geweest zouden zijn als ze ze gekregen hadden — en dat de tijd in elk geval veel van hun beproevingen zal verzachten. Zo lijken de moeiten van het leven lichter en de vreugden groter — al zijn ze misschien niet inniger — voor rijpere geesten dan voor de jeugd. Zelfs wanneer volwassenen veel zwaarder lijden dan kinderen ooit kunnen, raken ze juist door het voortduren van hun verdriet in zekere mate gehard, en dragen ze als een kleinigheid wat hen een paar jaar eerder verpletterd zou hebben.

Maar wat vergeten mannen en vrouwen hun vroegere ervaringen en de stormen in hun kinderhart, wanneer ze verder en verder van hun kindertijd af komen te staan! Ze herinneren zich niet meer hoe diep hun verdriet was toen ze klein waren. Ze zijn grotendeels vergeten hoe zwaar de lasten van het leven in hun vroege jaren leken. Ze weten zeker dat veel dingen die hen nu dwarszitten, vroeger geen vat op hen hadden. Het lijkt hun zelfs dat de kleine beproevingen van kinderen óók voor kinderen niet groot kunnen aanvoelen. En zo denken ze, terwijl ze de kleintjes in hun vrolijkste momenten gadeslaan, dat de kindertijd de leeftijd is zonder verdriet en zorgen. Ze zouden zelfs wel weer jong willen zijn, om geen uren van beproeving en verdriet meer te kennen zoals die hun nu zo vaak overkomen.

Waarde is betrekkelijk; dat geldt ook voor verlies, en voor verdriet. De één hecht grote waarde aan wat de ander volstrekt waardeloos vindt. De één treurt om een verlies waar de ander zich niet druk om zou maken. Wat een kind kostbaar vindt, kan voor de vader van het kind niets betekenen; maar het verlies ervan kan voor het kind een even groot verdriet zijn als voor de vader het verlies van iets wat in zíjn ogen onnoemelijk veel belangrijker is. Het breken van een geliefd stuk speelgoed kan, vanuit het kind gezien, een even grote ramp zijn als het failliet gaan van vaders bedrijf vanuit de vader gezien. En de tijdelijke afkeuring die een kind van zijn speelkameraden krijgt om een kleine misstap, kan hem een even bitter verdriet bezorgen als de veroordeling door het publiek zijn vader zou doen, wanneer diens gedrag hem blijvend in opspraak had gebracht.

Een klein meisje schrok van wat er aan de familietafel verteld werd over een buurman bij wie rovers het zilverwerk hadden gestolen. "Mama," fluisterde ze, "nemen rovers ook póppen mee?" Haar poppen waren de schat van dat kind. Als díé gevaar liepen, had het leven nieuwe verschrikkingen voor haar. "Nee, lieverd," zei haar mama, "rovers willen geen poppen. Waarom zouden ze die meenemen?" "Ik dacht dat ze ze misschien wilden hebben voor hun kleine meisjes," was het antwoord — waaruit blijkt dat poppen, in de schatting van het kind, ook waarde hadden voor de kinderen in het huis van een rover. Met de verzekering dat haar poppen veilig waren, was dat kleine meisje minder bang voor nachtelijke inbraken. Wat betekende, in haar ogen, het verlies van het familiezilver, of van kleren en juwelen, als de poppen maar ongedeerd bleven! De waardebepaling van een kind kan onjuist zijn; maar het verdriet van het kind om verliezen, gemeten naar die waardebepaling, is even echt als het verdriet van wie ook.

Het moet wel een zware druk van verdriet en beproeving op het hart en het gemoed van een kind zijn, die het ertoe brengt zichzelf het leven te benemen; en toch komt dit bij kinderen lang niet zo zelden voor als velen zouden denken. De jaarlijkse officiële statistieken van zelfdoding in Frankrijk laten onder de ongelukkige slachtoffers een aanzienlijk percentage kinderen zien. In Engeland worden jaar na jaar honderden gevallen gemeld. In Amerika is het niet anders. Maand na maand berichten de kranten over kinderen die zichzelf het leven benamen als gevolg van een zware beproeving of een groot verdriet.

"Vergeef me dat ik een einde aan mijn leven maak," schreef een slimme, aanhankelijke jongen in een briefje aan zijn vader, vlak voor de noodlottige daad. "Ik ben het leven moe," voegde hij eraan toe. En alles rond zijn dood liet zien dat die jongen de daad had beraamd met een koel hoofd en een pijnlijk hart. Trouwens, de meeste volwassenen kunnen zich uit de herinneringen aan hun vroegere leven wel ervaringen voor de geest halen van teleurstelling, van verdriet of van een gevoel van onrecht, waardoor het leven hun voor dat moment niet langer de moeite waard leek — en de gedachte aan een einde aan hun beproeving door de dood niet volkomen verschrikkelijk. Heel kinderlijk was dit alles natuurlijk; maar juist dat is de les ervan voor ouders: kinderverdriet is heel echt en heel zwaar — voor kinderen.

Eén duidelijke les uit deze feiten over het verdriet van kinderen is dat de jeugd de troost en de vreugde van het christelijk geloof voor het leven van nú even zeker nodig heeft als ouderen de christelijke hoop voor het leven dat komt. De zekerste manier om zelfs een kind de lichtere kant van dit leven te laten zien, is hem ertoe te brengen zijn vertrouwen te stellen op een almachtige Heiland, Die hem liefheeft en Die alle dingen voor hem doet meewerken ten goede, als hij zich maar aan Zijn zorg toevertrouwt en trouw wandelt in Zijn dienst. De uitnodigingen en de beloften van de Bijbel zijn precies wat kinderen nodig hebben om hun geluk en hoop te geven, voor nu en voor later.

Gerelateerde artikelen

Alle