Menig vader die zijn kind niet zou slaan, vindt het heel gewoon om boos tegen hem uit te vallen. En een moeder die boos uitvalt, geldt niet altijd als de strengste en onrechtvaardigste van alle moeders. Toch is het, terwijl het soms goed is om een kind te slaan, nooit goed om boos tegen een kind uit te vallen. Boos uitvallen is eigenlijk nooit op zijn plaats — niet in de omgang met een kind, en in geen enkele andere taak in het leven.
Boos uitvallen — van oudsher "kijven" genoemd — betekent: iemand met luid, heftig taalgebruik overvallen en uitschelden. Het woord "kijven" lijkt van oorsprong verwant aan blaffen of janken. Van het allereerste gebruik af heeft het een slechte naam gehad. In het oude recht geldt "een notoire kijfster" als een vorm van openbare overlast, waartegen een geplaagde buurt de hulp van het gezag kan inroepen. Dat is vandaag de dag nog zo, net als vroeger. En het is nu even waar als toen John Skelton het vier eeuwen geleden opschreef:
"Een lasterende tong, een tong die kijft, sticht meer onheil dan ooit te zeggen blijft."
Boos uitvallen is altijd een uiting van een verkeerde gesteldheid en van een gebrek aan zelfbeheersing. Dat is net zo goed het geval wanneer een lieve moeder boos tegen haar kind uitvalt omdat het met opzet zijn speelgoed kapotmaakt, of omdat het zijn derde broek op één ochtend vuilmaakt door te spelen in de goot waar het niet bij mocht komen, als wanneer de ene marktvrouw op een straathoek de andere staat uit te schelden. In beide gevallen zit de kern ervan in de stortvloed van hete woorden waarmee sterke gevoelens worden geuit — gevoelens die heel natuurlijk zijn, maar die beter in toom gehouden zouden moeten worden. De woorden zelf mogen in de twee gevallen heel verschillend zijn, maar de geest en de manier lijken sterk op elkaar. Het is in het ene geval net zo goed boos uitvallen als in het andere; en boos uitvallen is nooit op zijn plaats.
Als een kind iets verkeerds heeft gedaan, moet er met het kind gepraat worden. Maar geen enkele ouder zou met een kind moeten praten zolang hij niet in een gewone toon kan spreken, met zorgvuldig afgewogen woorden. Als de ouder in de verleiding komt om snel te praten, of om het ene woord na het andere te stapelen zonder ze te wegen, of om zijn opwinding te tonen, dan is zijn eerste taak om zichzelf volledig in de hand te krijgen. Zolang dat niet is gelukt, heeft het geen zin dat de ouder ook maar iets aan opvoeding probeert te doen. Wie zichzelf niet beheerst, verliest op dat moment volledig de macht om anderen te leiden. Dat geldt op het ene terrein net zo goed als op het andere.
Het voortreffelijke boek van meneer Hammond over "het africhten van honden", dat in dit boek al eerder ter sprake kwam, zegt precies op dit punt tegen de hondentrainer: "Je moet volkomen kalm blijven en geen enkel teken van boosheid of ongeduld laten merken; want als je je humeur niet de baas bent, ben jij niet degene die een hond moet africhten." "Sta jezelf onder geen beding toe," zegt deze leermeester, "om tegen je leerling anders te spreken dan op je gewone toon." En omdat hij beseft hoe lastig het is, voegt hij eraan toe: "Oefen een onvermoeibaar geduld; en als je merkt dat de spanning op je zenuwen wat oploopt, laat hem dan meteen met rust en wacht tot je weer volkomen kalm bent voordat je de les hervat." Dat is goede raad voor wie een hond wil africhten — of een kind; want zowel bij het africhten van een hond als bij het opvoeden van een kind is boos uitvallen — luid en opgewonden praten — nooit op zijn plaats.
Wanneer je een kind iets opdraagt of het terechtwijst, geldt: hoe minder woorden en hoe kalmer uitgesproken, hoe beter. Een kind leert al gauw dat boos uitvallen minder betekent dan rustig praten; het vindt zelfs een zekere voldoening in het zwijgend afwachten tot degene die boos uitvalt, de overtollige drift die zich zo uit, heeft afgeblazen. Er zijn inderdaad momenten waarop het nuttig is om méér woorden te gebruiken: om een kind de aard en de gevolgen van zijn misstap uit te leggen, en de redenen waarom het de volgende keer anders moet handelen. Maar zulke woorden moeten altijd zacht worden uitgesproken, met een beheerste ernst. Boos uitvallen — snel uitgesproken verwijten en protest, vol vertoon van sterke gevoelens — is nooit op zijn plaats als middel om een kind op te voeden en te leiden.
De meeste ouders — zelfs de zachtere en liefdevollere — vallen meer of minder vaak boos tegen hun kinderen uit. Een kind kan maar zelden zeggen: "Mijn ouders vallen nooit boos tegen me uit." Menig kind wordt goed opgevoed ondanks dat er boos tegen hem wordt uitgevallen. Menige ouder is een goede ouder, ook al valt hij boos tegen zijn kinderen uit. Maar geen enkel kind is ooit geholpen of gebaat bij het boze uitvallen dat het over zich heen krijgt; en geen enkele ouder helpt zijn kind ooit, of doet het goed, door boos tegen hem uit te vallen. Boos uitvallen is niet altijd verwoestend, maar het is altijd misplaatst.
Als boos uitvallen al enig goed effect heeft, dan is dat effect op degene die boos uitvalt, en niet op degene tegen wie boos wordt uitgevallen. Boos uitvallen is de uitbarsting van een sterk gevoel dat, onder de druk van een prikkel van buitenaf, om de overhand vecht. Het doet nooit goed aan degene tegen wie het gericht is, en evenmin aan wie er van buitenaf naar staan te kijken — hoeveel lichamelijke opluchting het ook mag geven aan wie zich eraan overgeeft. Als boos uitvallen voor een ouder dan toch onvermijdelijk is, laat die ouder zich op slag helemaal alleen opsluiten in een kamer waar hij dat kan doen zonder iemand kwaad te doen. Maar laten we onthouden dat boos uitvallen, als onderdeel van de opvoeding, nooit, nóóit op zijn plaats is.



