Aanwijzingen voor de vorming van kinderen

Straf een kind nooit uit boosheid

Hoofdstuk 20 van 30·11 min leestijd
68%

Boos zijn is niet altijd verkeerd. Een ouder kan boos worden zonder te zondigen. En de meeste ouders wórden ook boos, of dat nu hoort of niet. Kinderen kunnen soms erg uitdagend zijn, en ouders raken soms erg uitgedaagd. Het is ook niet altijd verkeerd om een kind te straffen. Een kind heeft straf soms nodig, en dan kan het de plicht van een ouder zijn om het te straffen. Maar het is altijd verkeerd om een kind te straffen uit boosheid. Hoe groot de noodzaak van straf ook is, een ouder mag een kind nooit straffen zolang hij boos is.

Dit is een regel die, strikt genomen, geen uitzondering kent. En toch wordt waarschijnlijk negen van de tien keer dat ouders hun kinderen straffen, gestraft uit boosheid. Het is een van de dingen die kinderen onterecht moeten ondergaan door het verkeerde gedrag van hun ouders.

Boosheid is heet bloed. Boosheid is hartstocht. Boosheid is op dat moment een emotie die de overhand heeft: ze richt de blik op het ene punt waartegen ze zich keert, en al het andere raakt vergeten. Maar straffen is een rechterlijke daad. Het vraagt om een heldere geest, een koel hoofd en een eerlijke afweging van alle kanten van de zaak. Boosheid gaat niet samen met een eerlijk oordeel. Daarom is niemand in staat om eerlijk te oordelen zolang hij boos is.

Stel dat de boosheid op zich terecht is. Dan kan de aandrang van de boze ouder de goede kant op gaan, en kan de straf die hij wil opleggen passend zijn. Maar diezelfde aandrang kan net zo goed wijzen op een straf die helemaal niet verdiend is. In elk geval is hij op dat moment niet in de gemoedstoestand om te beoordelen of zijn aandrang verstandig is. Het is zijn plicht om te wachten tot hij de zaak rustig kan bekijken, in een ander licht dan waarin zijn verhitte hoofd haar nu ziet. Geen rechter is zijn ambt waard als hij handelt op de ingeving van zijn eerste indruk, zonder de tijd te nemen om te zien wat er voor de andere kant te zeggen is. En geen ouder handelt zoals het hoort als hij meteen tot straf overgaat zolang hij in een boze bui is.

In het gedrag van veel kinderen zit van alles wat tot boosheid prikkelt — zeker bij een ouder met een fel karakter, die snel opvliegt. Een kind is ongehoorzaam op een punt waar het keer op keer op zijn plicht is gewezen; het maakt ruzie met zijn speelkameraadjes of is brutaal tegen wie voor hem zorgt; het is voortdurend prikkelbaar, of het geeft toe aan een aanval van onbeheerste woede; het vernielt roekeloos spullen, of het brengt zichzelf en anderen in gevaar; het grist een speeltje weg bij een klein broertje, of het grijpt zijn moeder in de haren; het gebruikt vuile taal, of het roept dreigementen van wraak; het beantwoordt een aangeboden kus met een klap of een kras. Zulk gedrag zou zelfs een heilige boos maken — laat staan de gemiddelde ouder, die geen heilige is. En dan, terwijl de ouder boos is en straf op zijn plaats lijkt, komt de verleiding om meteen te straffen. Maar aan die verleiding mag je nooit toegeven. En wie er wel aan toegeeft, doet dat niet zonder zonde.

Misschien is er in zo'n geval wel straf nodig. Maar wil die straf echt rechtvaardig zijn — en ook als rechtvaardig worden gezien — dan moet hij goed overwogen zijn. En hij moet zó worden gegeven dat duidelijk is dat hij niet voortkomt uit een opwelling. Een ouder zou nooit een straf moeten geven die hij niet ook zou geven als hij koel en kalm en weloverwogen was, en nadat hij er rustig met het kind over had gepraat, op een moment dat het kind er goed voor openstaat. Of de straf die hem terecht lijkt zolang hij nog boos is, ook de straf is die hij in koelere, kalmere ogenblikken passend zou vinden — dat kun je beter beoordelen nadat je er vanuit beide gemoedstoestanden naar hebt gekeken, dan ervoor.

'Wat?' vroeg een ouder verbaasd, in een gesprek met mij over juist dit onderwerp. 'Zegt u dat ik mijn jongen nooit mag straffen zolang ik boos op hem ben? Maar dan zou ik hem bijna nooit straffen. Het is juist als ik uur na uur op hem zit te wachten — terwijl ik hem keer op keer gezegd heb dat hij 's avonds op tijd binnen moet zijn — dat ik hem flink wil aanpakken zodra hij eindelijk thuiskomt. Als ik dan niets tegen hem zou zeggen, maar het tot de volgende ochtend zou laten rusten, dan zou ik er een nachtje over slapen en al mijn boosheid kwijt zijn, en dan zou hij helemaal niet gestraft worden.' En die vader sprak met die woorden voor heel wat ouders, als het gaat om het straffen van een kind uit boosheid. De straf die het kind krijgt, is het gevolg van de drift van de ouder, niet van zijn rechtsgevoel. En het kind weet dat, of de ouder het nu doorheeft of niet.

Hoeveel draaien om de oren, hoeveel rukken aan de schouders, hoeveel klappen en meppen en vonnissen die kinderen nu van hun ouders krijgen, zouden er nooit komen als de ouders die maar niet gaven zolang ze boos waren, maar wachtten tot ze zelf weer kalm en rustig waren voordat ze besloten of ze het wel of niet zouden doen! Het is voor een ouder beslist niet gemakkelijk om zich in zijn boosheid altijd te beheersen en niet te handelen naar de aandrang die de boosheid hem ingeeft. Maar wie zichzelf niet in de hand heeft, is wel de laatste die anderen in de hand zou moeten nemen. Pas wanneer een ouder zichzelf volledig in de hand heeft, zou hij zijn kind erop mogen aanspreken en als een rechter onderzoeken en behandelen wat het verkeerd heeft gedaan.

Natuurlijk zijn er gevallen waarin ouders meteen moeten ingrijpen om het gedrag van hun kind te stoppen of in toom te houden — of de ouder nu opgewonden is of kalm. Maar in zulke gevallen is dat ingrijpen, hoe krachtig of streng ook, geen straffen maar beschermen. Een kind trekt misschien gedachteloos aan het puntje van het tafelkleed, met de kans dat het al het serviesgoed over zich heen trekt, tot de gloeiend hete theepot aan toe. Of het brengt zichzelf in gevaar door naar een brandende lamp of een open scheermes te grijpen. Dan is er geen tijd te verliezen. Als het kind niet naar een enkel woord luistert, moet je snel en beslist optreden. Een korte tik op de vingers is dan misschien wel het zekerste middel om het voor een ongeluk te behoeden.

Zo kan een dwars kind in een driftbui ook iets willen gooien naar een kostbare spiegel, of naar het hoofd van een speelkameraadje. Dan is er geen moment te verliezen. Boos of niet boos, de ouder moet misschien de opgeheven arm van het kind grijpen om bezit of leven te redden. In zo'n geval is verstandig handelen geboden, hoe de gemoedstoestand van wie ingrijpt ook is. Maar dat is het optreden van een ordebewaarder, niet van een rechter. De ouder neemt op dat moment de plaats in van de agent op straat, niet van de rechter op zijn stoel. De vraag of het kind voor zijn daad gestraft moet worden, komt later. En ook dat moet wachten tot er geen boosheid meer in het hart van de ouder is.

Boosheid, in de zin van vlammende verontwaardiging, kan — zoals al gezegd is — bij gelegenheid een passende uiting van ouderlijk gevoel zijn. Maar dat geldt alleen in die hoogst uitzonderlijke gevallen waarin een kind alle gewone grenzen van wangedrag overschrijdt en zich schuldig maakt aan iets waarvan het zelf weet dat het ontoelaatbaar is. Dr. Bushnell zegt hierover: 'Er zijn af en toe gevallen, bij het schandalige en schokkende wangedrag van een jongen, waarin een uitbarsting nodig is; waarin de vader God het best weerspiegelt door een geweldige uitbarsting van verontwaardigd, gekwetst gevoel, en op slag een wreker wordt, zonder enig overleg of enige voorbereiding.' Maar dit staat helemaal los van de vraag naar straf als straf.

Een kind voelt het verschil tussen straf die uit boosheid wordt gegeven en straf die uit een puur rechterlijke houding wordt gegeven. En het beoordeelt degene die straft daar ook naar. Op een zendingsschool in de stad, vele jaren geleden, zat een wilde groep jongens die er alles aan leek te doen om hun leraren boos te maken en te tarten. Ingrijpen was daar onvermijdelijk, want keer op keer probeerde een jongen een leraar aan te vallen, en er was kracht nodig om de leraren voor ernstig letsel te behoeden. Maar zelfs als die leraren kracht moesten gebruiken, was het de liefde die hen dreef. En de jongens leken dat heel goed te begrijpen.

Maar er kwam een moment dat de jonge leider van die school — die al vaak een leerling met kracht in bedwang had gehouden — zo openlijk voor gek werd gezet, met de grove koppeling van de naam van een lerares aan de zijne om hem belachelijk te maken, dat zijn zelfbeheersing hem even in de steek liet. Dat was duidelijk te merken toen hij de schuldige met ongewone heftigheid beetpakte. Meteen deinsde de jongen verbaasd terug, met de verwijtende uitroep: 'Trumbull, je bent kwaad; en dat is verkeerd.' Die woorden leerden die jonge leider een les die hij nooit meer is vergeten. Ze lieten hem zien dat zijn gezag over die ruwe jongens een morele kracht was, en dat het stond of viel met de macht over zichzelf. Het was hún spel om hem boos te krijgen als ze konden; maar als dat lukte, had hij gefaald, en dat wisten ze. En dat is een les die niet alleen schoolleiders maar ook ouders met winst kunnen leren.

Wanneer een ouder een kind alleen uit liefde straft, zonder door boosheid van streek te zijn, ziet het kind eerder in dat de straf rechtvaardig is, en komt het niet in de verleiding om drift met drift te beantwoorden. Een meisje dat van haar vader te horen had gekregen dat hij haar zou moeten straffen als ze iets bepaalds deed, kwam naar hem toe toen hij thuiskwam en vertelde hem dat ze gedaan had wat verboden was. Hij betreurde dat oprecht. 'Maar u zei, papa, dat u me ervoor zou straffen,' voegde ze eraan toe. 'Ja, lief kind, en ik moet me aan mijn woord houden,' antwoordde hij. Toen trok hij haar liefdevol naar zich toe en legde hij haar precies uit waarom hij haar moest straffen. Met tranen in haar ogen keek ze vol vertrouwen naar hem op en zei: 'U vindt het niet fijn om me te straffen, hè papa?' 'Nee, echt niet, lieverd,' zei hij gemeend. 'Het doet u meer pijn dan mij, hè papa?' vroeg ze meelevend, alsof ze zich meer zorgen maakte om haar vader dan om zichzelf. 'Ja, inderdaad, lief kind,' antwoordde hij teder. En de straf die deze vader gaf en die deze dochter onderging, gaf tussen die twee zelfs geen moment wrijving. Sterker nog, ze bracht hun allebei iets goeds — iets wat een straf uit boosheid, hoe terecht op zichzelf ook, in zo'n geval nooit had kunnen brengen.

In de regel zou een kind alleen gestraft moeten worden voor iets waarvan het op het moment dat het dat deed, wist dat het straf verdiende. Het is voor een ouder net zo onrechtvaardig om pas een straf op een overtreding te zetten nadat die al begaan is, als wanneer een overheid een wet met terugwerkende kracht zou aannemen, waarmee daden worden bestraft die vóór die wet zijn gepleegd. En als een kind, op het moment dat het iets verkeerds doet, begrijpt dat het daarop een vaste straf kan verwachten, dan is er weinig kans dat het zijn ouder onrechtvaardig vindt als die de straf uitvoert. En dan is er zeker geen enkele reden voor de ouder om die straf overhaast te geven zolang hij nog boos is.

Straf die een kind van een boze ouder krijgt, schaadt allebei: de ouder én het kind. De ouder wordt er slechter van dat hij heeft toegegeven aan de verleiding om zijn boosheid op het kind bot te vieren. En het kind wordt geschaad doordat het weet dat zijn ouder verkeerd heeft gedaan. Je kunt een kind leren inzien dat het straf verdient. Maar je hoeft een kind niet te leren dat zijn ouder verkeerd doet als die hem straft uit boosheid — dat voelt het zelf wel aan. Geen ouder zou een kind moeten straffen anders dan met het oog op het welzijn van het kind. En om een kind door straf goed te doen, moet een ouder zich angstvallig onthouden van straffen zolang hij boos is.

Gerelateerde artikelen

Alle