Een kind kan de kindertijd niet gemakkelijk doorkomen zonder vriendjes, zelfs al zou dat wenselijk zijn. En bovendien is het niet wenselijk dat een kind de kindertijd zonder vriendjes doorkomt, zelfs al zou dat op alle manieren mogelijk zijn. Vriendjes zijn voor een kind een noodzaak, of je de zaak nu bekijkt in het licht van de wereld zoals die is, of in het licht van de wereld zoals die zou moeten zijn. Omdat een kind dus vriendjes zál hebben, en omdat het ze nódig heeft, is het des te belangrijker dat een ouder zich bewust is van het belang om ieder van zijn kinderen te begeleiden bij de keuze van zijn vriendjes, en in zijn omgang met de vriendjes die het zonder te kiezen heeft.
Geen kind kan goed worden opgevoed helemaal op zichzelf, en ook niet uitsluitend door de invloeden die rechtstreeks van bovenaf tot hem komen. Er zijn krachten die een kind vormen doordat ze van opzij op hem inwerken in plaats van van bovenaf; ze bereiken hem via zijn gevoel, in plaats van via zijn natuurlijke verlangen naar kennis. Er zijn lessen die een kind niet zo goed leert van een oudere leraar boven hem als van een jonge leermeester naast hem. Er zijn drijfveren die bij een kind nooit volledig tot hun recht komen wanneer het als kind alleen is, maar die hem vervullen en meenemen wanneer ze op hem inwerken terwijl hij deel uitmaakt van een klein groepje kinderen. Alleen wanneer een kind deze lessen leert van, en deze drijfveren ontvangt met, wijs gekozen en passende vriendjes, kan het er het voordeel van hebben waar het eerlijk gezegd recht op heeft.
Elke oplettende ouder zal getuigen dat zijn kind meer dan eens bij hem is gekomen met een nieuwe belangstelling voor een gedachte of een onderwerp, gewekt door de woorden of het voorbeeld van een jong vriendje — tot verbazing van de ouder, die eerder tevergeefs had geprobeerd juist in die richting belangstelling te wekken. Alles wat de ouder over het onderwerp had gezegd, had geen waarde gehad vergeleken met wat het vriendje van het kind, als een tweede ik, had gezegd of gedaan. En omgekeerd zijn er maar weinig ouders die niet tot hun spijt hebben ontdekt dat hun kind lessen en prikkels heeft opgedaan die lijnrecht ingingen tegen alle ouderlijke raad en bedoelingen, door een korte en betrekkelijk onopgemerkte vriendschap waartegen men zich had moeten wapenen. En dit zijn nog maar voorbeelden van de vormende en meeslepende kracht van de vriendschappen van kinderen. Zo'n kracht mag door geen enkele ouder die het meeste en beste voor de verstandige opvoeding van zijn kind wil doen, worden genegeerd of gering geschat.
Elke nadenkende ouder zal beseffen dat een kind niet geleerd kan worden om onbaatzuchtig rekening te houden met zijn vriendjes; om geduld te hebben en toe te geven aan vriendjes die zwak of ongeduldig of veeleisend zijn; om medeleven te tonen met vriendjes die medeleven nodig hebben, en om liefdevol te zorgen voor vriendjes die zo'n liefdevolle zorg verdienen — tenzij het vriendjes heeft tegenover wie het te allen tijde zo'n goede houding kan oefenen en tonen. En geen ouder zal zeggen, of denken, dat het goed zou zijn voor een kind om deze onderdelen van karaktervorming in zijn ontwikkeling te missen.
Een enig kind is van nature in het nadeel in zijn gezin, juist omdat het een enig kind is. Het mist de lessen die speelkameraadjes thuis hem zouden geven; de prikkels en de inspiratie die het uit hun omgang zou ontvangen; het beroep op zijn betere natuur, en het appel op zijn zelfbeheersing en zelfverloochening, dat van hun behoeften zou uitgaan. Ouders die maar één kind hebben, moeten ervoor zorgen dat dit gemis in zekere mate wordt aangevuld door de omgang met kinderen uit andere gezinnen. Het is namelijk een vergissing voor een ouder om te proberen zijn kind op te voeden zonder de hulp van kindervriendschappen. Geen kind kan zonder die vriendschappen zo bezielend en evenwichtig worden gevormd als mét. Zelfs waar er een stuk of zes of meer kinderen in één gezin zijn, blijft er voor elk kind behoefte aan vriendjes van buiten, van dezelfde leeftijd en met dezelfde behoeften als dat kind; want het is voor niemand mogelijk om tot dezelfde verhouding met een kind te komen als een kind van zijn eigen leeftijd en behoeften.
Omdat de vriendschappen van een kind zo'n grote invloed hebben, is het des te belangrijker dat de ouders ze nauwlettend volgen en zorgvuldig begeleiden. Bij de keuze van een buurt — om te wonen of voor een zomervakantie; bij de keuze van een gewone school; bij de keuze van een zondagsschool, waar de ouders een keuze hebben, behoren de vriendschappen die ze daarmee voor hun kind veiligstellen een belangrijke plaats in te nemen in hun overwegingen. En wanneer de buurt, de gewone school en de zondagsschool eenmaal zijn gekozen, blijft de ouder verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat het kind de best beschikbare vriendschappen daar aankweekt en de meest ongewenste vermijdt. Verwaarlozing of onachtzaamheid op dit punt kan het kind voor zijn hele leven schade berokkenen. Aandacht juist hier kan meer voor hem doen dan langs welke andere weg ook mogelijk is.
Het is de plicht van een ouder om te weten wie de vriendjes van zijn kind zijn, en om van ieder van die vriendjes afzonderlijk het karakter, het gedrag en de invloed op zijn kind te kennen. Hier ligt het belangrijkste werk van een ouder als het gaat om het begeleiden en sturen van de vriendschappen van zijn kind. Een ouder moet het vertrouwen van zijn kind hebben om deze kennis te verkrijgen; en een ouder moet zijn kind zijn genegenheid geven om deze kennis verstandig te kunnen gebruiken. Het kan nodig zijn om voor deze vriendjes een open huis te houden, en persoonlijk een open hart en open hand voor hen, net zoals het zeker nodig is om een open oor te houden voor wat het kind vertrouwelijk vertelt over hun woorden en daden, als de ouder alles over hen wil weten wat hij weten moet. Er zijn ouders die dit alles voor en met hun kinderen doen, als een doeltreffend middel om die kinderen in hun vriendschappen te begeleiden. Het is jammer dat er niet meer ouders zijn die bereid zijn dit te doen, gezien alles wat het voor kinderen tot stand kan brengen.
Nu hij de vriendschappen van zijn kind kent, behoort een ouder de waardevolste ervan aan te moedigen en die welke hij niet kan goedkeuren te ontmoedigen. Hij behoort zijn kind te helpen de voordelen van de ene soort en de nadelen van de andere in te zien, en zijn omgang te regelen naar de maatstaven die hem zo worden voorgehouden. Het gaat niet aan dat een ouder de zaken op dit gebied hun eigen gang laat gaan en alle vriendschappen voor zijn kind aanvaardt precies zoals ze toevallig op zijn pad komen. Hij moet zich verantwoordelijk voelen dat zijn kind verstandig kiest, uit de aangeboden vriendjes, wie het behoudt terwijl andere worden losgelaten of vermeden. En het is aan een ouder om ervoor te zorgen dat de vriendschappen van zijn kind van groeiende waarde zijn, voor de vriendjes net zo goed als voor het kind zelf; dat de invloed van zijn kind op juist zijn speelkameraadjes hun ten goede komt, terwijl zijn eigen welzijn wordt bevorderd door hun omgang met hem. De vriendschappen van een kind behoren, net als die van oudere mensen, voor beide partijen voordelig te zijn — juist met de bedoeling om ze dat te laten zijn.
Door de wenselijkheid en het belang van vriendschappen voor zijn kind te erkennen, de best beschikbare veilig te stellen, hun kenmerken en neigingen volledig te leren kennen, te helpen ze te ziften, en te streven naar hun gestage verbetering, kan een ouder werkelijk goed werk doen in het begeleiden van zijn kind in en door zijn vriendschappen. Dit middel tot opvoeding van een kind verwaarlozen zou zijn hele levensloop in gevaar brengen, wat er ook verder voor hem werd gedaan.



