Aanwijzingen voor de vorming van kinderen

Een kind leren vragen stellen

Hoofdstuk 13 van 30·7 min leestijd
45%

Een kind is een geboren vraagsteller. Het hoeft niet getraind te worden óm vragen te stellen; maar het moet wel gevormd worden ín het vragen stellen. Een kind word niet voor niets een "levend vraagteken" genoemd. Nog voordat het zijn vragen kan uitspreken, staan ze al in zijn ogen te lezen. En als het ze eenmaal kan uitspreken, verdringen ze zich om het hardst. Het lijkt soms alsof een ouder die al die vragen zou beantwoorden, nergens anders meer tijd voor zou hebben. De verleiding is dan om de vragen van een kind te onderdrukken, in plaats van ze te vormen. Maar juist hier kan een ouder een gouden voorrecht verliezen of onderschatten.

Het begin van alle kennis is een vraag. Alle vooruitgang in kennis komt voort uit het blijven stellen van vragen. Waarvandaan? Wat? Waarom? Waarvoor? Waarheen? Dit zijn de startpunten van onderzoek, voor jong en oud. En zodra een van deze vragen op één terrein is beantwoord, dient ze zich opnieuw aan op een ander. Als een kind geen vraagsteller was, zou het geen begin kunnen maken met kennis. En als het ooit gedwongen zou worden om te stoppen met vragen, zou het onmiddellijk ophouden te groeien. Vragen stellen is de uiting van geestelijke honger. Wie het verlangen om te vragen mist, dreigt te sterven van intellectuele verhongering.

Toch doen ouders over het algemeen veel meer moeite om kinderen in hun vragen te beperken dan om hen erin te vormen — ondanks het overduidelijke belang ervan. "Stel niet zoveel vragen." "Waarom moet je altijd maar vragen stellen?" "Je maakt me nog gek met je vragen." Dat zijn de typische reacties. In plaats van: "Ik vind het fijn dat je al die dingen wilt weten." Of: "Aarzel nooit om me iets te vragen." Of: "Hoe meer vragen je stelt, hoe beter — als het maar goede vragen zijn."

Vroeg of laat krijgt het gemiddelde kind het gevoel dat het volwassener is als het minder vragen stelt. Zo onderdrukt het zijn nieuwsgierigheid naar de aard, het doel en de betekenis van wat zijn aandacht trekt. Tot het misschien niet meer nieuwsgierig is naar wat het niet begrijpt, of alle hoop heeft opgegeven op bevredigende antwoorden. Tegen de tijd dat het kind volwassen is, lijkt het bereid om te leven en te sterven in onwetendheid. Liever dat, dan zich belachelijk maken met vragen die anderen tot last kunnen zijn of die als een smet op hemzelf worden gezien.

Er zijn voor de hand liggende redenen waarom ouders hun kind niet aanmoedigen om alle vragen te stellen die in hem opkomen. Ten eerste kost het beantwoorden van vragen veel tijd. Het kost tijd om een kind te voeden, te wassen en aan te kleden. Maar het kost nog meer tijd om in voedsel en kleding te voorzien voor de geest van een kind. En als een ouder merkt dat vijftig beantwoorde vragen alleen maar vijfhonderd nieuwe vragen opleveren, is het niet vreemd dat hij vindt dat er ergens een grens moet zijn. Bovendien zijn de vragen van een kind niet altijd gemakkelijk te beantwoorden. Het gemiddelde kind kan vragen stellen waar de gemiddelde ouder geen antwoord op heeft. En het is niet prettig om onwetendheid te moeten bekennen over iets waar je kind zich zo voor interesseert. Het is veel gemakkelijker om tegen een kind te praten over iets dat je als ouder wél begrijpt, dan om ondervraagd te worden over iets dat je niet begrijpt. Die verleiding is sterk.

Dat er grenzen moeten zijn aan het voorrecht van een kind om vragen te stellen, is duidelijk. Elk voorrecht heeft zijn grenzen, net als elke plicht. Maar die grenzen horen te liggen bij het moment waarop vragen gesteld worden en de personen aan wie ze gesteld worden — niet bij hoeveel er gevraagd mag worden. Een kind mag de gast van zijn moeder niet vragen hoe oud ze is, of waarom ze er niet zo vriendelijk uitziet als zijn moeder. Het mag een armer speelkameraadje niet vragen waarom hij geen betere schoenen heeft. Het mag anderen niet onderbreken voor een vraag, en het is niet altijd gepast om vader of moeder iets te vragen waar anderen bij zijn. Wanneer en aan wie het zijn vragen mag stellen — dat is wat ouders hun kind moeten leren.

Het is bij de ouder dat een kind in alle vrijheid als vraagsteller terecht moet kunnen. Zowel vader als moeder zou elke oprechte vraag van het kind moeten verwelkomen. Elke ouder zou vaste tijden moeten inruimen voor het vrije vragen van zijn kind. Tijden die even heilig zijn als het uur van gebed. Misschien is het vlak voor het ontbijt, of vlak erna, of aan het einde van de dag. Misschien is het tijdens een wandeling samen, of in de rustiger uren van de zondag. Voor de moeder is het slapengaan van het kind vaak het beste moment. Maar ook als ze naait of met huishoudelijke taken bezig is, mag het kind naast haar zitten en vragen stellen. Wanneer het moment voor vragen is aangebroken, moet het kind aangemoedigd worden om alles te vragen wat het wil. En de ouder moet zich verplicht voelen om op elke vraag een liefdevol en doordacht antwoord te geven.

Een kind heeft de hulp van zijn ouders nodig bij zijn vorming als vraagsteller. Het moet de vrijheid hebben om vragen te stellen, maar het moet die vrijheid gebruiken binnen de grenzen van redelijkheid en een goed doel. Een kind kan geneigd zijn om domme, gedachteloze of doelloze vragen te stellen. In dat geval moet het herinnerd worden aan zijn plicht om echt kennis te zoeken. Noch zijn eigen tijd noch die van zijn ouder mag verspild worden aan vragen die nergens toe leiden. Aan de andere kant kan een kind te lang bij één punt blijven hangen. Dan is het de plicht van de ouder om het naar een ander onderwerp te leiden. Wanneer een kind zijn ouder bevraagt, heeft die ouder de verantwoordelijkheid én de mogelijkheid om het kind als vraagsteller te vormen: door zijn vragen met vriendelijkheid te ontvangen en met wijsheid te sturen.

Als een kind een vraag stelt die een ouder werkelijk niet kan beantwoorden, is het veel beter om eerlijk te zeggen: "Dat weet ik niet," dan om ongeduldig te zeggen: "Stel toch niet van die dwaze vragen." Maar vaak is het ook beter om een eenvoudig antwoord te geven — een antwoord op één punt van de vraag — dan om iets uit te leggen dat het kind niet kan bevatten. Stel dat een kind vraagt waarom de zonsopgang altijd aan de ene kant van het huis te zien is en de zonsondergang aan de andere kant. Je hoeft dan niet te zeggen dat het kind daar te jong voor is. En je hoeft ook geen astronomische uitleg te geven. Antwoord gewoon dat het ene raam naar het oosten kijkt en het andere naar het westen, en dat de zon opkomt in het oosten en ondergaat in het westen. Dat geeft het kind één nieuw stukje kennis. En dat is alles waar het op dat moment om vraagt.

Een kind kan een vraag stellen over iets dat nu nog niet gepast uitgelegd kan worden. Dan mag het niet berispt worden voor zijn nieuwsgierigheid. Geef een antwoord in de vorm van een algemene waarheid die het onderwerp raakt, en vertel het kind vriendelijk dat het hier later meer over kan weten. Dit stelt een welwillend kind voorlopig tevreden en moedigt het aan om een waarheidszoekende vraagsteller te blijven.

Een heel eenvoudig antwoord op elke vraag is alles wat een kind verwacht. Maar dat is wel zijn recht, als het oprecht informatie zoekt. En het is de plicht van de ouder om het te geven, als het kind op een gepast moment en met de juiste instelling komt. Een kind wordt geschaad als het te veel wordt ingeperkt als vraagsteller. Maar het wordt geholpen als geen ander als het door zijn ouders wordt aangemoedigd en met wijsheid wordt gevormd in dit hoge voorrecht.

Gerelateerde artikelen

Alle