En ik prijs u, broeders, omdat u in alles aan mij denkt en aan de overleveringen vasthoudt, zoals ik die aan u heb overgeleverd. Maar ik wil dat u weet dat Christus het Hoofd is van iedere man en de man het hoofd van de vrouw en God het Hoofd van Christus. Iedere man die bidt of profeteert en iets op zijn hoofd heeft, onteert zijn hoofd. Iedere vrouw echter die bidt of profeteert met onbedekt hoofd, onteert haar eigen hoofd, want het is precies hetzelfde alsof zij kaalgeschoren is. Want als een vrouw het hoofd niet bedekt heeft, laat zij zich dan ook maar kaalknippen. Als het echter voor een vrouw schandelijk is kaalgeknipt of kaalgeschoren te zijn, laat zij dan het hoofd bedekken. Een man moet het hoofd namelijk niet bedekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is. De vrouw is echter de heerlijkheid van de man. De man immers is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. Want ook is een man niet geschapen omwille van de vrouw, maar een vrouw omwille van de man. Daarom moet de vrouw een teken van gezag op het hoofd hebben, omwille van de engelen. Evenwel is de man niet zonder de vrouw, en de vrouw niet zonder de man, in de Heere. Want zoals de vrouw uit de man voortkomt, zo is ook de man er door de vrouw, maar alle dingen zijn uit God. Oordeel bij uzelf: is het gepast dat een vrouw met onbedekt hoofd tot God bidt? Of leert ook de natuur zelf u niet dat als een man lang haar draagt, het een oneer voor hem is? Maar als een vrouw lang haar draagt, is het voor haar een eer, omdat het lange haar als een bedekking aan haar gegeven is. Maar als iemand op twist uit lijkt te zijn, wij hebben een dergelijke gewoonte niet, en de gemeenten van God evenmin. (1 Korinthe 11:2-16)


En ik prijs u, broeders, omdat u in alles aan mij denkt en aan de overleveringen vasthoudt, zoals ik die aan u heb overgeleverd. Maar ik wil dat u weet dat Christus het Hoofd is van iedere man en de man het hoofd van de vrouw en God het Hoofd van Christus. Iedere man die bidt of profeteert en iets op zijn hoofd heeft, onteert zijn hoofd. Iedere vrouw echter die bidt of profeteert met onbedekt hoofd, onteert haar eigen hoofd, want het is precies hetzelfde alsof zij kaalgeschoren is. Want als een vrouw het hoofd niet bedekt heeft, laat zij zich dan ook maar kaalknippen. Als het echter voor een vrouw schandelijk is kaalgeknipt of kaalgeschoren te zijn, laat zij dan het hoofd bedekken. Een man moet het hoofd namelijk niet bedekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is. De vrouw is echter de heerlijkheid van de man. De man immers is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. Want ook is een man niet geschapen omwille van de vrouw, maar een vrouw omwille van de man. Daarom moet de vrouw een teken van gezag op het hoofd hebben, omwille van de engelen. Evenwel is de man niet zonder de vrouw, en de vrouw niet zonder de man, in de Heere. Want zoals de vrouw uit de man voortkomt, zo is ook de man er door de vrouw, maar alle dingen zijn uit God. Oordeel bij uzelf: is het gepast dat een vrouw met onbedekt hoofd tot God bidt? Of leert ook de natuur zelf u niet dat als een man lang haar draagt, het een oneer voor hem is? Maar als een vrouw lang haar draagt, is het voor haar een eer, omdat het lange haar als een bedekking aan haar gegeven is. Maar als iemand op twist uit lijkt te zijn, wij hebben een dergelijke gewoonte niet, en de gemeenten van God evenmin. (1 Korinthe 11:2-16)


1. Paulus’ lofprijzing

Paulus begint met een lofprijzing: “En ik prijs u, broeders, omdat u in alles aan mij denkt en aan de overleveringen vasthoudt, zoals ik die aan u heb overgeleverd” (11:2). Paulus prijst de Korintiërs dat ze aan hem denken en dat ze wat hij overgeleverd heeft vasthouden. Het gaat hier om instructies die mondeling of schriftelijk zijn doorgegeven (2 Thessalonicenzen 2:15).

2. hoofdschap

Dan vervolgt Paulus: “Maar ik wil dat u weet dat Christus het Hoofd is van iedere man en de man het hoofd van de vrouw en God het Hoofd van Christus” (11:3). Vanaf dit vers tot vers 16 behandelt Paulus het zevende onderwerp van de Korinthebrief: Hoofdbedekking. 

De eerste zes onderwerpen worden in de eerste tien hoofdstukken behandeld. Deze zes onderwerpen vormen samen een groep met onderwerpen die het menselijke leven aangaan. De laatste vijf onderwerpen in de hoofdstukken elf tot zestien vormen een andere groep met onderwerpen die Gods bestuur aangaan. Het eerste onderwerp in deze groep is het hoofdschap van Jezus en God in de goddelijke regering. In Efeze 1:22-23 zien we het hoofdschap van Jezus over Zijn lichaam, de gemeente. Hier gaat het over het hoofdschap van Jezus over iedere man met betrekking tot individuen. Christus is zowel hoofd van het lichaam, de gemeente, als ook individueel over de gelovigen. Hij is het directe hoofd van een ieder van ons. Als Paulus de onderwerpen van Gods bestuur gaat overdenken is het hoofdschap van Christus en God zijn eerste zorg.

In vers 3 wijst Paulus erop dat het hoofd van de vrouw de man is. In Gods regeringsorde staat de vrouw onder het hoofdschap van de man. Zo schiep God de vrouw (Genesis 2:18-24; 1 Timotheüs 2:13), volgens de natuur (11:14), die door God geschapen is, is de vrouw ondergeschikt aan de man. Paulus zegt ook dat het hoofd van Christus God is. Chrisus is Gods Gezalfde, aangesteld door God. Zo staat Hij onder God. En God uit wie Hij voortkomt, is Zijn hoofd. Dit verwijst naar de relatie tussen Christus en God in de goddelijke regering.

Om het onderwerp van hoofdbedekking te bespreken, neemt de apostel het hoofdschap van God, het hoofdschap van Christus en het hoofdschap van de man als de vaste grond voor zijn onderwijs. Zijn onderwijs over hoofdbedekking is niet gebaseerd op religieuze gebruiken of menselijke gewoonten, maar op het hoofdschap in Gods bestuur. Deze vaste grond stelt een discussie over hoofdbedekking terzijde. 

Kort nadat ik gered was werd er veel gesproken over hoofdbedekking. Sommigen voerden aan dat Paulus over hoofdbedekking sprak omdat dat in zijn tijd de gewoonte was. Maar een grondige studie maakte het later voor mij duidelijk dat er onder zowel Joden als Grieken niet zo’n gewoonte was. Volgens Joods gebruik moesten enkel de priesters hun hoofd bedekken. Paulus onderwijs in 1 Korinthe 11 is dus niet gebaseerd op een gewoonte in het Middellandse Zeegebied. Integendeel, zijn onderwijs is in overeenstemming met goddelijke openbaring. 

De reden dat we hoofdbedekking hebben in de gemeente heeft betrekking op het hoofdschap van God. Daarom begint Paulus in 11:3 door ons duidelijk te maken dat het hoofd van iedere man Christus is, dat het hoofd van de vrouw de man is en dat het hoofd van Christus God is. Zo is hoofdbedekking verbonden aan hoofdschap in Gods regering. In het universum, en specifiek in Gods manier van besturen, is orde. God is het hoofd over Christus, Christus is het hoofd over iedere man, en de man is het hoofd over de vrouw. Daarom moeten de zusters tijdens samenkomsten een hoofdbedekking dragen om zo aan te geven dat ze Gods gezag erkennen en Zijn hoofdschap respecteren, dat we geen opstandig volk zijn. In plaats daarvan zijn we absoluut onderworpen aan Hem en laten dit zien door ons hoofd te bedekken. 

Hoewel dit al meer dan vijftig jaar onze praktijk is, hebben we hiertoe nooit iemand gedwongen. We willen niet dat hoofdbedekking enkel een uiterlijke formaliteit is. Maar het is een feit dat Bijbel ons leert dat de gemeente zo’n teken moet kennen waardoor we verklaren dat we een volk zijn onder Gods hoofdschap.

3. hoofdbedekking

a. elke man die bid of profeteert met een bedekt hoofd onteert zijn hoofd

Vervolgens zegt Paulus: “Iedere man die bidt of profeteert en iets op zijn hoofd heeft, onteert zijn hoofd” (vers 4). Profeteren betekent hier spreken namens God. Omdat de man hoofdschap heeft over de vrouw en het beeld en de heerlijkheid van God is (vers 7) moet zijn hoofd zichtbaar blijven, niet verborgen, onbedekt wanneer hij bidt tot God of spreekt namens God en zo de troon van Zijn bestuur aanraakt. Anders onteert hij zijn hoofd. 

We moeten niet denken dat bidden en profeteren onbeduidende zaken zijn. Het is geweldig om namens God te spreken en zowel ons spreken tot God als namens God hebben betrekking tot Zijn bestuur. Ze zijn verbonden aan Zijn gezag en hoofdschap. Daarom moeten mannen als beeld en heerlijkheid van God hun hoofd niet bedekken wanneer ze bidden of profeteren. Als we ons hoofd zouden bedekken zouden we ons hoofd onteren.

b. elke vrouw die bid of profeteert met een onbedekt hoofd onteert haar hoofd

Paulus vervolgt: “Iedere vrouw echter die bidt of profeteert met onbedekt hoofd, onteert haar eigen hoofd, want het is precies hetzelfde alsof zij kaalgeschoren is” (11:5). Omdat de vrouw onder het hoofdschap van de man staat, moet haar hoofd bedekt worden en niet zichtbaar worden wanneer ze het goddelijke bestuur aanraakt door tot God te bidden of namens Hem te spreken. Anders onteert ze haar eigen hoofd. Ze ontkent Gods orde van regering door haar hoofd te laten zien aan de engelen die toekijken (vers 10) wanneer ze het gezag van God aanraakt. 

Paulus zegt dat een vrouw die haar hoofd niet bedekt hetzelfde is als een vrouw die haar hoofd kaal scheert. Dit laat zien dat het onterend is voor een vrouw om kaal geschoren te worden (vers 6). 

Vers zes zegt: “Want als een vrouw het hoofd niet bedekt heeft, laat zij zich dan ook maar kaalknippen. Als het echter voor een vrouw schandelijk is kaalgeknipt of kaalgeschoren te zijn, laat zij dan het hoofd bedekken.” Dit geeft aan dat hoofdbedekking een toevoeging is aan lang haar. Het lange haar van een vrouw laat zien dat ze Gods orde van regering niet verwerpt en wanneer ze haar hoofd bedekt zegt ze amen op deze goddelijke orde.

4. De redenen

a. de man is Gods beeld en heerlijkheid maar de vrouw de heerlijkheid van de man

Een reden voor hoofdbedekking vinden we in vers 7: “Een man moet het hoofd namelijk niet bedekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is. De vrouw is echter de heerlijkheid van de man.” De man is gemaakt naar het beeld van God (Genesis 1:2), om God uit te drukken en Hem te verheerlijken. Omdat de man Gods beeld en heerlijkheid draagt en God vertegenwoordigd, moet Zijn hoofd niet bedekt worden. Als hij dat wel doet, wordt Gods beeld en heerlijkheid bedekt. En omdat de vrouw de heerlijkheid van de man is, moet haar hoofd niet zichtbaar zijn maar bedekt. Ze moet haarzelf niet uitdrukken maar de man, onder wie zij is. Dit is een reden die Paulus geeft voor zijn onderwijs over hoofdbedekking. 

Wanneer een man bid of profeteert, de troon van Gods gezag aanraakt, moet zijn hoofd niet bedekt worden, maar wanneer een vrouw bid of profeteert moet haar hoofd bedekt worden.

b. de man niet uit de vrouw maar de vrouw uit de man

In vers 8 geeft Paulus ons een tweede reden voor hoofdbedekking: “De man immers is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man.” God nam een rib uit de man en zo maakte Hij een vrouw uit een man (Genesis 2:21-23). God schiep geen vrouw. Hij vormde uit het stof van de aarde een mannelijk lichaam en blies in zijn lichaam de levensadem. Zo werd een man, Adam, een levende ziel. Vervolgens bracht God hem in een diepe slaap, opende zijn zij, haalde er een rib uit en gebruikte de rib om de vrouw te vormen. Zo werd de vrouw niet geschapen maar uit de man voortgebracht. Dit geeft aan dat de plaats van de vrouw aan de zijde is van de man. 

Een man kan echter niet trots zijn op zijn positie in relatie tot de vrouw. Lees vers 11 en 12: “Evenwel is de man niet zonder de vrouw, en de vrouw niet zonder de man, in de Heere. Want zoals de vrouw uit de man voortkomt, zo is ook de man er door de vrouw, maar alle dingen zijn uit God.” In Gods plan en orde bestaat de vrouw niet zonder de man en de man niet zonder de vrouw. De man is de bron van het bestaan van de vrouw, zo is de vrouw uit de man voortgekomen. Maar uit de vrouw wordt de man geboren, zo is de man er door de vrouw. 

Paulus is dus evenwichtig wat de relatie tussen de man en de vrouw betreft. Aan de ene kant is de vrouw uit de man omdat ze gevormd is uit de rib van Adam. Aan de andere kant is de man er door de vrouw omdat de man tot stand komt door zijn moeder. Zo moeten wij ook in evenwicht blijven en onthouden dat de vrouw uit de man is voortgekomen en de man door de vrouw.

c. de man niet voor de vrouw maar de vrouw voor de man

Vers 9 zegt: “Want ook is een man niet geschapen omwille van de vrouw, maar een vrouw omwille van de man.” Hier ziet Paulus Gods doel in de schepping van man en vrouw als een andere reden voor hoofdbedekking. Het is niet gebaseerd op menselijke gewoonten maar op Gods doel voor de schepping. In de schepping werd de vrouw gemaakt om de man aan te vullen (Genesis 2:18,24)

d. gezag op het hoofd omwille van de engelen

In vers 10 vervolgt Paulus: “Daarom moet de vrouw een teken van gezag op het hoofd hebben, omwille van de engelen.” Een teken  van gezag wijst hier op de hoofdbedekking die het gezag aangeeft van het hoofdschap van de man. 

Ook dit wordt gegeven als reden voor hoofdbedekking. Hoofdbedekking is nauw verbonden aan Gods hoofdschap en gezag. De aarsengel en zijn ondergeschikten kwamen in opstand tegen Gods hoofdschap (Ezechiël 28:13-18; Jesaja 14:12-15; Mattheüs 25:41), vestigde zijn koninkrijk van duisternis (Mattheüs 12:26; Kolossenzen1:13) en werd Satan, Gods tegenstander. Na de schepping van de mens verleidde Satan de mens om hem te volgen in opstand tegen God. Vervolgens zond God Zijn Zoon om Satan te vernietigen en de mens uit zijn heerschappij te bevrijden en terug te brengen naar Zijn Koninkrijk (1 Johannes 3:8; Hebreeën 2:14; Kolossenzen 1:13). Wanneer gelovigen God aanbidden door tot Hem te bidden en namens Hem te spreken, moeten ze aan de engelen laten zien dat ze onder Gods hoofdschap staan, onder Zijn goddelijke gezag (zie 1 Korinthe 4:9). Ze moeten dit aan de engelen laten zien omdat zij aangesteld zijn om er voor te zorgen dat de gelovigen zich aan Gods orde en bestuur vasthouden. Daarom hebben zusters een teken, een bedekking, op hun hoofd.

Het is veelzeggend dat Paulus zegt dat vrouwen een teken gezag op hun hoofd moeten hebben omwille van de engelen. Satan, een hoofdengel, had de opdracht gekregen om namens God het universum te besturen, maar hij kwam in opstand en een deel van de engelen volgden hem. Natuurlijk bleef een groot deel van de engelen trouw aan God. God schiep de mens om af te rekenen met de opstandige engelen, maar Satan verleidde de mens en de mens volgde hem. Maar in de verlossing kwam God om de gevallen mens weer terug te brengen tot zichzelf. Gods verloste volk is de gemeente. Als de gemeente moeten we aan de engelen verklaren, zowel aan de opstandige als de trouwe, dienende engelen, dat we, als Gods verloste volk, niet opstandig zijn tegenover Zijn hoofdschap. Nee, we blijven onder Zijn hoofdschap. Niet alleen in het komende tijdperk van Zijn eeuwige koninkrijk, maar ook in dit tijdperk van opstandigheid onderwerpen we ons al aan Zijn gezag. De bedekking op het hoofd van onze zusters verklaren dit aan de engelen. 

In vers 13 vraagt Paulus: “Oordeel bij uzelf: is het gepast dat een vrouw met onbedekt hoofd tot God bidt?” Paulus geeft aan dat het, aan de hand van de redenen die hij gegeven heeft, niet gepast is dat een vrouw met onbedekt hoofd bid.

e. de natuur leert ons dat lang haar een man onteert en dat lang haar de heerlijkheid is van de vrouw

De verzen 14 en 15 zeggen: “Of leert ook de natuur zelf u niet dat als een man lang haar draagt, het een oneer voor hem is? Maar als een vrouw lang haar draagt, is het voor haar een eer, omdat het lange haar als een bedekking aan haar gegeven is.” Wanneer Paulus spreekt over de natuur verwijst hij naar onze natuurlijke samenstelling volgens Gods schepping. De natuur vertelt ons dat een man geen lang haar moet hebben, maar een vrouw wel. De vrouw beseft door haar vrouwelijke samenstelling dat het haar heerlijkheid is wanneer haar haar hoofd bedekt. Ook dit geeft Paulus als een reden voor hoofdbedekking. 

Hoe vrijmoedig een zuster ook is, ze zou geen vrede hebben wanneer ze het gezag van haar man zou overnemen. Er is niemand die haar hoeft te leren dat ze zich daar ongemakkelijk bij zou moeten voelen. Haar natuurlijke samenstelling die God geschapen heeft, weet ze dat ze geen gezag over haar man moet hebben. Er is geen twijfel dat de vrouwelijke samenstelling verschilt van de mannelijke. Daarom ondersteunt zelfs het gevoel wat we hebben van onze natuurlijke samenstelling Paulus onderwijs over hoofdbedekking. 

In vers 15 zegt Paulus dat het lange haar van de vrouw haar als bedekking gegeven is. Sommigen die over hoofdbedekking discussiëren menen dat hoofdbedekking eenvoudig wijst op het lange haar van een vrouw. Volgens hen is haar hoofd bedekt zolang ze lang haar heeft. Maar wanneer we deze verzen nauwkeurig lezen, zien we dat hoofdbedekking iets anders is dan het lange haar van de vrouw. Het lange haar van een vrouw laat zien dat ze Gods orde van regering niet verwerpt en wanneer ze haar hoofd bedekt zegt ze amen op deze goddelijke orde.

In vers 16 besluit Paulus zijn gedeelte over hoofdbedekking: “Maar als iemand op twist uit lijkt te zijn, wij hebben een dergelijke gewoonte niet, en de gemeenten van God evenmin.” Gewoonte wijst hier op de gewoonte van twist en discussie. Noch de apostelen, nog de gemeenten, tolereerden geen discussie over het onderwijs van de apostelen. Verder laat het meervoud van gemeenten in dit vers zien dat alle lokale gemeenten onafhankelijk zijn van elkaar maar toch op dezelfde manier handelen in overeenstemming met het onderwijs van de apostelen.

Conclusie

Wanneer we nadenken over hoofdbedekking, is het niet onze bedoeling dat de zusters een uiterlijke praktijk aannemen op een leerstellige manier. Vanaf het moment dat Gods herstel dit land bereikte, heb ik er in een preek nooit op aangedrongen dat zusters hun hoofden moesten bedekken. Als ik zo’n boodschap gebracht had, zou ik vormelijkheid aangemoedigd hebben. We willen geen uiterlijke vorm. Het dragen van hoofdbedekking wordt algemeen toegepast in de Rooms Katholieke kerk. Ook onder Moslims worden vrouwen opgedragen hun hoofd te bedekken. Maar in die gevallen geloof ik niet dat er enig begrip is van de betekenis van hoofdbedekking. Wanneer een zuster haar hoofd bedekt moet ze weten waarom ze het doet en wat het betekend. 

Het hoofdschap van Christus gaat alle heiligen aan, zowel broeders als zusters. In vers 3 zegt Paulus: “Maar ik wil dat u weet dat Christus het Hoofd is van iedere man en de man het hoofd van de vrouw en God het Hoofd van Christus” Aller eerst is het noodzakelijk dat broeders beseffen dat ze onder het hoofdschap van Christus staan. Wanneer de ouderlingen van de gemeente niet onder het hoofdschap van Christus staan, kunnen ze niet verwachten dat de zusters of wie dan ook, onder hun hoofdschap staan. In vers 3 wijst Paulus er eerst op dat het hoofd van iedere man Christus is en vervolgens wijst hij er op dat het hoofd van de vrouw de man is. Bovendien ziet hij de oorsprong van hoofdbedekking in God zelf als het hoofd van Christus.

We moeten de woorden van Paulus in dit gedeelte verbinden aan het hele boek Openbaring. In de Openbaring zien we dat Christus, het geslachte Lam, absoluut onder het hoofdschap van God staat voor de uitvoering van Zijn bestuur. Openbaring 4 en 5 laten zien dat het geslachte, opgestane en opgevaren Lam nu in de hemel Gods bestuur uitvoert onder Zijn gezag. Christus hemelse bediening staat in verband met het hemelse bestuur en Gods regering. Christus is de Bestuurder die Gods bestuur uitvoert door zich te onderwerpen aan Gods hoofdschap.

Volgens Openbaring 4 en 5 is er in de hemel, voor de troon van God, geen opstand. In plaats daarvan neemt het geslachte, opgestane en opgevaren Lam de leiding om zich te onderwerpen aan het hoofdschap van God in de hemel. De aarde is echter vol opstand. Satan neemt de leiding in de opstand tegen God. Maar geprezen zij God dat te midden van die opstand een lichaam is, samengesteld uit hen die verlost zijn, gedoopt in de Drie-enige God. De doop is geen vormelijkheid. We zijn gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest (Mattheüs 28:19). Volgens Romeinen 6:3 en Galaten 3:27 zijn we in Christus gedoopt. Door in Christus gedoopt te worden als de levengevende Geest zijn we gebracht in het lichaam. Zo is er op aarde een organisme ontstaan, het Lichaam, samengesteld uit degenen die verlost en gedoopt zijn in de Drie-enige God. Dit is het Lichaam van Degene in de hemel die zichzelf aan Gods hoofdschap onderwerpt. En op aarde moet dit Lichaam Christus onderwerping in de hemel weerspiegelen.

Het Lichaam van Christus op aarde moet Christus als hoofd weerspiegelen die zich onderwerpt aan Gods hoofdschap. We moeten een hemelse televisie zijn die op aarde uitdrukken wat er in de hemel gebeurt. Christus is degene die mens werd, voor onze zonden geslacht werd en opgestaan is om de levengevend Geest te worden zodat wij het leven kunnen hebben. Degene in de hemel onderwerpt zich aan Gods hoofdschap door het hemelse bestuur uit te voeren. Als leden van Zijn Lichaam hebben we een hemelse televisie onder ons waardoor we kunnen zien wat er in de hemel gebeurt. Wij moeten de televisie zijn en weerspiegelen wat er in de hemel plaatsvind, zodat anderen kunnen zien in ons wat zich daar afspeelt. Dit betekent dat de gemeente in elke plaats (1 Korinthe 1:2), de hemelse visie moet weerspiegelen en Christus onderwerping uit moet drukken aan het hoofdschap van God om Zijn bestuur uit te voeren. 

Is er een hemelse televisie in jouw gemeente? Weerspiegelt jouw plaatselijke gemeente Christus onderwerping in de hemel? We prijzen God dat er op veel plaatsen een gepaste weerspiegeling is van Christus onderwerping aan Gods hoofdschap. Hoewel de aarde vol is van opstand, moeten wij een volk zijn wat onder Gods hoofdschap de onderwerping van Christus weerspiegelt in onze onderwerping aan Christus.

1. Paulus’ lofprijzing

Paulus begint met een lofprijzing: “En ik prijs u, broeders, omdat u in alles aan mij denkt en aan de overleveringen vasthoudt, zoals ik die aan u heb overgeleverd” (11:2). Paulus prijst de Korintiërs dat ze aan hem denken en dat ze wat hij overgeleverd heeft vasthouden. Het gaat hier om instructies die mondeling of schriftelijk zijn doorgegeven (2 Thessalonicenzen 2:15).

2. hoofdschap

Dan vervolgt Paulus: “Maar ik wil dat u weet dat Christus het Hoofd is van iedere man en de man het hoofd van de vrouw en God het Hoofd van Christus” (11:3). Vanaf dit vers tot vers 16 behandelt Paulus het zevende onderwerp van de Korinthebrief: Hoofdbedekking. 

De eerste zes onderwerpen worden in de eerste tien hoofdstukken behandeld. Deze zes onderwerpen vormen samen een groep met onderwerpen die het menselijke leven aangaan. De laatste vijf onderwerpen in de hoofdstukken elf tot zestien vormen een andere groep met onderwerpen die Gods bestuur aangaan. Het eerste onderwerp in deze groep is het hoofdschap van Jezus en God in de goddelijke regering. In Efeze 1:22-23 zien we het hoofdschap van Jezus over Zijn lichaam, de gemeente. Hier gaat het over het hoofdschap van Jezus over iedere man met betrekking tot individuen. Christus is zowel hoofd van het lichaam, de gemeente, als ook individueel over de gelovigen. Hij is het directe hoofd van een ieder van ons. Als Paulus de onderwerpen van Gods bestuur gaat overdenken is het hoofdschap van Christus en God zijn eerste zorg.

In vers 3 wijst Paulus erop dat het hoofd van de vrouw de man is. In Gods regeringsorde staat de vrouw onder het hoofdschap van de man. Zo schiep God de vrouw (Genesis 2:18-24; 1 Timotheüs 2:13), volgens de natuur (11:14), die door God geschapen is, is de vrouw ondergeschikt aan de man. Paulus zegt ook dat het hoofd van Christus God is. Chrisus is Gods Gezalfde, aangesteld door God. Zo staat Hij onder God. En God uit wie Hij voortkomt, is Zijn hoofd. Dit verwijst naar de relatie tussen Christus en God in de goddelijke regering.

Om het onderwerp van hoofdbedekking te bespreken, neemt de apostel het hoofdschap van God, het hoofdschap van Christus en het hoofdschap van de man als de vaste grond voor zijn onderwijs. Zijn onderwijs over hoofdbedekking is niet gebaseerd op religieuze gebruiken of menselijke gewoonten, maar op het hoofdschap in Gods bestuur. Deze vaste grond stelt een discussie over hoofdbedekking terzijde. 

Kort nadat ik gered was werd er veel gesproken over hoofdbedekking. Sommigen voerden aan dat Paulus over hoofdbedekking sprak omdat dat in zijn tijd de gewoonte was. Maar een grondige studie maakte het later voor mij duidelijk dat er onder zowel Joden als Grieken niet zo’n gewoonte was. Volgens Joods gebruik moesten enkel de priesters hun hoofd bedekken. Paulus onderwijs in 1 Korinthe 11 is dus niet gebaseerd op een gewoonte in het Middellandse Zeegebied. Integendeel, zijn onderwijs is in overeenstemming met goddelijke openbaring. 

De reden dat we hoofdbedekking hebben in de gemeente heeft betrekking op het hoofdschap van God. Daarom begint Paulus in 11:3 door ons duidelijk te maken dat het hoofd van iedere man Christus is, dat het hoofd van de vrouw de man is en dat het hoofd van Christus God is. Zo is hoofdbedekking verbonden aan hoofdschap in Gods regering. In het universum, en specifiek in Gods manier van besturen, is orde. God is het hoofd over Christus, Christus is het hoofd over iedere man, en de man is het hoofd over de vrouw. Daarom moeten de zusters tijdens samenkomsten een hoofdbedekking dragen om zo aan te geven dat ze Gods gezag erkennen en Zijn hoofdschap respecteren, dat we geen opstandig volk zijn. In plaats daarvan zijn we absoluut onderworpen aan Hem en laten dit zien door ons hoofd te bedekken. 

Hoewel dit al meer dan vijftig jaar onze praktijk is, hebben we hiertoe nooit iemand gedwongen. We willen niet dat hoofdbedekking enkel een uiterlijke formaliteit is. Maar het is een feit dat Bijbel ons leert dat de gemeente zo’n teken moet kennen waardoor we verklaren dat we een volk zijn onder Gods hoofdschap.

3. hoofdbedekking

a. elke man die bid of profeteert met een bedekt hoofd onteert zijn hoofd

Vervolgens zegt Paulus: “Iedere man die bidt of profeteert en iets op zijn hoofd heeft, onteert zijn hoofd” (vers 4). Profeteren betekent hier spreken namens God. Omdat de man hoofdschap heeft over de vrouw en het beeld en de heerlijkheid van God is (vers 7) moet zijn hoofd zichtbaar blijven, niet verborgen, onbedekt wanneer hij bidt tot God of spreekt namens God en zo de troon van Zijn bestuur aanraakt. Anders onteert hij zijn hoofd. 

We moeten niet denken dat bidden en profeteren onbeduidende zaken zijn. Het is geweldig om namens God te spreken en zowel ons spreken tot God als namens God hebben betrekking tot Zijn bestuur. Ze zijn verbonden aan Zijn gezag en hoofdschap. Daarom moeten mannen als beeld en heerlijkheid van God hun hoofd niet bedekken wanneer ze bidden of profeteren. Als we ons hoofd zouden bedekken zouden we ons hoofd onteren.

b. elke vrouw die bid of profeteert met een onbedekt hoofd onteert haar hoofd

Paulus vervolgt: “Iedere vrouw echter die bidt of profeteert met onbedekt hoofd, onteert haar eigen hoofd, want het is precies hetzelfde alsof zij kaalgeschoren is” (11:5). Omdat de vrouw onder het hoofdschap van de man staat, moet haar hoofd bedekt worden en niet zichtbaar worden wanneer ze het goddelijke bestuur aanraakt door tot God te bidden of namens Hem te spreken. Anders onteert ze haar eigen hoofd. Ze ontkent Gods orde van regering door haar hoofd te laten zien aan de engelen die toekijken (vers 10) wanneer ze het gezag van God aanraakt. 

Paulus zegt dat een vrouw die haar hoofd niet bedekt hetzelfde is als een vrouw die haar hoofd kaal scheert. Dit laat zien dat het onterend is voor een vrouw om kaal geschoren te worden (vers 6). 

Vers zes zegt: “Want als een vrouw het hoofd niet bedekt heeft, laat zij zich dan ook maar kaalknippen. Als het echter voor een vrouw schandelijk is kaalgeknipt of kaalgeschoren te zijn, laat zij dan het hoofd bedekken.” Dit geeft aan dat hoofdbedekking een toevoeging is aan lang haar. Het lange haar van een vrouw laat zien dat ze Gods orde van regering niet verwerpt en wanneer ze haar hoofd bedekt zegt ze amen op deze goddelijke orde.

4. De redenen

a. de man is Gods beeld en heerlijkheid maar de vrouw de heerlijkheid van de man

Een reden voor hoofdbedekking vinden we in vers 7: “Een man moet het hoofd namelijk niet bedekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is. De vrouw is echter de heerlijkheid van de man.” De man is gemaakt naar het beeld van God (Genesis 1:2), om God uit te drukken en Hem te verheerlijken. Omdat de man Gods beeld en heerlijkheid draagt en God vertegenwoordigd, moet Zijn hoofd niet bedekt worden. Als hij dat wel doet, wordt Gods beeld en heerlijkheid bedekt. En omdat de vrouw de heerlijkheid van de man is, moet haar hoofd niet zichtbaar zijn maar bedekt. Ze moet haarzelf niet uitdrukken maar de man, onder wie zij is. Dit is een reden die Paulus geeft voor zijn onderwijs over hoofdbedekking. 

Wanneer een man bid of profeteert, de troon van Gods gezag aanraakt, moet zijn hoofd niet bedekt worden, maar wanneer een vrouw bid of profeteert moet haar hoofd bedekt worden.

b. de man niet uit de vrouw maar de vrouw uit de man

In vers 8 geeft Paulus ons een tweede reden voor hoofdbedekking: “De man immers is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man.” God nam een rib uit de man en zo maakte Hij een vrouw uit een man (Genesis 2:21-23). God schiep geen vrouw. Hij vormde uit het stof van de aarde een mannelijk lichaam en blies in zijn lichaam de levensadem. Zo werd een man, Adam, een levende ziel. Vervolgens bracht God hem in een diepe slaap, opende zijn zij, haalde er een rib uit en gebruikte de rib om de vrouw te vormen. Zo werd de vrouw niet geschapen maar uit de man voortgebracht. Dit geeft aan dat de plaats van de vrouw aan de zijde is van de man. 

Een man kan echter niet trots zijn op zijn positie in relatie tot de vrouw. Lees vers 11 en 12: “Evenwel is de man niet zonder de vrouw, en de vrouw niet zonder de man, in de Heere. Want zoals de vrouw uit de man voortkomt, zo is ook de man er door de vrouw, maar alle dingen zijn uit God.” In Gods plan en orde bestaat de vrouw niet zonder de man en de man niet zonder de vrouw. De man is de bron van het bestaan van de vrouw, zo is de vrouw uit de man voortgekomen. Maar uit de vrouw wordt de man geboren, zo is de man er door de vrouw. 

Paulus is dus evenwichtig wat de relatie tussen de man en de vrouw betreft. Aan de ene kant is de vrouw uit de man omdat ze gevormd is uit de rib van Adam. Aan de andere kant is de man er door de vrouw omdat de man tot stand komt door zijn moeder. Zo moeten wij ook in evenwicht blijven en onthouden dat de vrouw uit de man is voortgekomen en de man door de vrouw.

c. de man niet voor de vrouw maar de vrouw voor de man

Vers 9 zegt: “Want ook is een man niet geschapen omwille van de vrouw, maar een vrouw omwille van de man.” Hier ziet Paulus Gods doel in de schepping van man en vrouw als een andere reden voor hoofdbedekking. Het is niet gebaseerd op menselijke gewoonten maar op Gods doel voor de schepping. In de schepping werd de vrouw gemaakt om de man aan te vullen (Genesis 2:18,24)

d. gezag op het hoofd omwille van de engelen

In vers 10 vervolgt Paulus: “Daarom moet de vrouw een teken van gezag op het hoofd hebben, omwille van de engelen.” Een teken  van gezag wijst hier op de hoofdbedekking die het gezag aangeeft van het hoofdschap van de man. 

Ook dit wordt gegeven als reden voor hoofdbedekking. Hoofdbedekking is nauw verbonden aan Gods hoofdschap en gezag. De aarsengel en zijn ondergeschikten kwamen in opstand tegen Gods hoofdschap (Ezechiël 28:13-18; Jesaja 14:12-15; Mattheüs 25:41), vestigde zijn koninkrijk van duisternis (Mattheüs 12:26; Kolossenzen1:13) en werd Satan, Gods tegenstander. Na de schepping van de mens verleidde Satan de mens om hem te volgen in opstand tegen God. Vervolgens zond God Zijn Zoon om Satan te vernietigen en de mens uit zijn heerschappij te bevrijden en terug te brengen naar Zijn Koninkrijk (1 Johannes 3:8; Hebreeën 2:14; Kolossenzen 1:13). Wanneer gelovigen God aanbidden door tot Hem te bidden en namens Hem te spreken, moeten ze aan de engelen laten zien dat ze onder Gods hoofdschap staan, onder Zijn goddelijke gezag (zie 1 Korinthe 4:9). Ze moeten dit aan de engelen laten zien omdat zij aangesteld zijn om er voor te zorgen dat de gelovigen zich aan Gods orde en bestuur vasthouden. Daarom hebben zusters een teken, een bedekking, op hun hoofd.

Het is veelzeggend dat Paulus zegt dat vrouwen een teken gezag op hun hoofd moeten hebben omwille van de engelen. Satan, een hoofdengel, had de opdracht gekregen om namens God het universum te besturen, maar hij kwam in opstand en een deel van de engelen volgden hem. Natuurlijk bleef een groot deel van de engelen trouw aan God. God schiep de mens om af te rekenen met de opstandige engelen, maar Satan verleidde de mens en de mens volgde hem. Maar in de verlossing kwam God om de gevallen mens weer terug te brengen tot zichzelf. Gods verloste volk is de gemeente. Als de gemeente moeten we aan de engelen verklaren, zowel aan de opstandige als de trouwe, dienende engelen, dat we, als Gods verloste volk, niet opstandig zijn tegenover Zijn hoofdschap. Nee, we blijven onder Zijn hoofdschap. Niet alleen in het komende tijdperk van Zijn eeuwige koninkrijk, maar ook in dit tijdperk van opstandigheid onderwerpen we ons al aan Zijn gezag. De bedekking op het hoofd van onze zusters verklaren dit aan de engelen. 

In vers 13 vraagt Paulus: “Oordeel bij uzelf: is het gepast dat een vrouw met onbedekt hoofd tot God bidt?” Paulus geeft aan dat het, aan de hand van de redenen die hij gegeven heeft, niet gepast is dat een vrouw met onbedekt hoofd bid.

e. de natuur leert ons dat lang haar een man onteert en dat lang haar de heerlijkheid is van de vrouw

De verzen 14 en 15 zeggen: “Of leert ook de natuur zelf u niet dat als een man lang haar draagt, het een oneer voor hem is? Maar als een vrouw lang haar draagt, is het voor haar een eer, omdat het lange haar als een bedekking aan haar gegeven is.” Wanneer Paulus spreekt over de natuur verwijst hij naar onze natuurlijke samenstelling volgens Gods schepping. De natuur vertelt ons dat een man geen lang haar moet hebben, maar een vrouw wel. De vrouw beseft door haar vrouwelijke samenstelling dat het haar heerlijkheid is wanneer haar haar hoofd bedekt. Ook dit geeft Paulus als een reden voor hoofdbedekking. 

Hoe vrijmoedig een zuster ook is, ze zou geen vrede hebben wanneer ze het gezag van haar man zou overnemen. Er is niemand die haar hoeft te leren dat ze zich daar ongemakkelijk bij zou moeten voelen. Haar natuurlijke samenstelling die God geschapen heeft, weet ze dat ze geen gezag over haar man moet hebben. Er is geen twijfel dat de vrouwelijke samenstelling verschilt van de mannelijke. Daarom ondersteunt zelfs het gevoel wat we hebben van onze natuurlijke samenstelling Paulus onderwijs over hoofdbedekking. 

In vers 15 zegt Paulus dat het lange haar van de vrouw haar als bedekking gegeven is. Sommigen die over hoofdbedekking discussiëren menen dat hoofdbedekking eenvoudig wijst op het lange haar van een vrouw. Volgens hen is haar hoofd bedekt zolang ze lang haar heeft. Maar wanneer we deze verzen nauwkeurig lezen, zien we dat hoofdbedekking iets anders is dan het lange haar van de vrouw. Het lange haar van een vrouw laat zien dat ze Gods orde van regering niet verwerpt en wanneer ze haar hoofd bedekt zegt ze amen op deze goddelijke orde.

In vers 16 besluit Paulus zijn gedeelte over hoofdbedekking: “Maar als iemand op twist uit lijkt te zijn, wij hebben een dergelijke gewoonte niet, en de gemeenten van God evenmin.” Gewoonte wijst hier op de gewoonte van twist en discussie. Noch de apostelen, nog de gemeenten, tolereerden geen discussie over het onderwijs van de apostelen. Verder laat het meervoud van gemeenten in dit vers zien dat alle lokale gemeenten onafhankelijk zijn van elkaar maar toch op dezelfde manier handelen in overeenstemming met het onderwijs van de apostelen.

Conclusie

Wanneer we nadenken over hoofdbedekking, is het niet onze bedoeling dat de zusters een uiterlijke praktijk aannemen op een leerstellige manier. Vanaf het moment dat Gods herstel dit land bereikte, heb ik er in een preek nooit op aangedrongen dat zusters hun hoofden moesten bedekken. Als ik zo’n boodschap gebracht had, zou ik vormelijkheid aangemoedigd hebben. We willen geen uiterlijke vorm. Het dragen van hoofdbedekking wordt algemeen toegepast in de Rooms Katholieke kerk. Ook onder Moslims worden vrouwen opgedragen hun hoofd te bedekken. Maar in die gevallen geloof ik niet dat er enig begrip is van de betekenis van hoofdbedekking. Wanneer een zuster haar hoofd bedekt moet ze weten waarom ze het doet en wat het betekend. 

Het hoofdschap van Christus gaat alle heiligen aan, zowel broeders als zusters. In vers 3 zegt Paulus: “Maar ik wil dat u weet dat Christus het Hoofd is van iedere man en de man het hoofd van de vrouw en God het Hoofd van Christus” Aller eerst is het noodzakelijk dat broeders beseffen dat ze onder het hoofdschap van Christus staan. Wanneer de ouderlingen van de gemeente niet onder het hoofdschap van Christus staan, kunnen ze niet verwachten dat de zusters of wie dan ook, onder hun hoofdschap staan. In vers 3 wijst Paulus er eerst op dat het hoofd van iedere man Christus is en vervolgens wijst hij er op dat het hoofd van de vrouw de man is. Bovendien ziet hij de oorsprong van hoofdbedekking in God zelf als het hoofd van Christus.

We moeten de woorden van Paulus in dit gedeelte verbinden aan het hele boek Openbaring. In de Openbaring zien we dat Christus, het geslachte Lam, absoluut onder het hoofdschap van God staat voor de uitvoering van Zijn bestuur. Openbaring 4 en 5 laten zien dat het geslachte, opgestane en opgevaren Lam nu in de hemel Gods bestuur uitvoert onder Zijn gezag. Christus hemelse bediening staat in verband met het hemelse bestuur en Gods regering. Christus is de Bestuurder die Gods bestuur uitvoert door zich te onderwerpen aan Gods hoofdschap.

Volgens Openbaring 4 en 5 is er in de hemel, voor de troon van God, geen opstand. In plaats daarvan neemt het geslachte, opgestane en opgevaren Lam de leiding om zich te onderwerpen aan het hoofdschap van God in de hemel. De aarde is echter vol opstand. Satan neemt de leiding in de opstand tegen God. Maar geprezen zij God dat te midden van die opstand een lichaam is, samengesteld uit hen die verlost zijn, gedoopt in de Drie-enige God. De doop is geen vormelijkheid. We zijn gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest (Mattheüs 28:19). Volgens Romeinen 6:3 en Galaten 3:27 zijn we in Christus gedoopt. Door in Christus gedoopt te worden als de levengevende Geest zijn we gebracht in het lichaam. Zo is er op aarde een organisme ontstaan, het Lichaam, samengesteld uit degenen die verlost en gedoopt zijn in de Drie-enige God. Dit is het Lichaam van Degene in de hemel die zichzelf aan Gods hoofdschap onderwerpt. En op aarde moet dit Lichaam Christus onderwerping in de hemel weerspiegelen.

Het Lichaam van Christus op aarde moet Christus als hoofd weerspiegelen die zich onderwerpt aan Gods hoofdschap. We moeten een hemelse televisie zijn die op aarde uitdrukken wat er in de hemel gebeurt. Christus is degene die mens werd, voor onze zonden geslacht werd en opgestaan is om de levengevend Geest te worden zodat wij het leven kunnen hebben. Degene in de hemel onderwerpt zich aan Gods hoofdschap door het hemelse bestuur uit te voeren. Als leden van Zijn Lichaam hebben we een hemelse televisie onder ons waardoor we kunnen zien wat er in de hemel gebeurt. Wij moeten de televisie zijn en weerspiegelen wat er in de hemel plaatsvind, zodat anderen kunnen zien in ons wat zich daar afspeelt. Dit betekent dat de gemeente in elke plaats (1 Korinthe 1:2), de hemelse visie moet weerspiegelen en Christus onderwerping uit moet drukken aan het hoofdschap van God om Zijn bestuur uit te voeren. 

Is er een hemelse televisie in jouw gemeente? Weerspiegelt jouw plaatselijke gemeente Christus onderwerping in de hemel? We prijzen God dat er op veel plaatsen een gepaste weerspiegeling is van Christus onderwerping aan Gods hoofdschap. Hoewel de aarde vol is van opstand, moeten wij een volk zijn wat onder Gods hoofdschap de onderwerping van Christus weerspiegelt in onze onderwerping aan Christus.