Wat betekent “het Israël van God” in Galaten 6:16? Is dit een aparte groep of onderdeel van iets groters? En wie behoort werkelijk tot Gods volk?
Wat betekent “het Israël van God” in Galaten 6:16? Is dit een aparte groep of onderdeel van iets groters? En wie behoort werkelijk tot Gods volk?
Aan het einde van zijn brief aan de Galaten spreekt Paulus een zegen uit. Over die zegen wordt al heel lang gediscussieerd. De HSV vertaalt het vers zo:
“En allen die overeenkomstig deze regel wandelen: vrede en barmhartigheid zij over hen en over het Israël van God” (Galaten 6:16).
Je zou dit vers ook anders kunnen lezen. Sommige Engelse vertalingen geven het Griekse woordje kai (dat meestal “en” betekent) weer als “namelijk” of “dat wil zeggen.” In dat geval gaat het niet om twee groepen, maar om één groep.
Wie de eerste vertaling volgt, ziet meestal twee groepen: (1) “allen die overeenkomstig deze regel wandelen” – dat zijn dan gelovige heidenen, of alle gelovigen in de gemeente, Jood of heiden – en (2) alle gelovige Joden, oftewel etnische Israëlieten die in Jezus geloven.
Volgens de tweede lezing heeft Paulus maar één groep op het oog. Het Griekse voegwoord kai, dat meestal gewoon als “en” vertaald wordt, wordt dan verklarend opgevat (de technische term is “epexegetisch”) en weergegeven als “namelijk.” In sommige vertalingen wordt het helemaal weggelaten. Paulus noemt dan degenen “die overeenkomstig deze regel wandelen” hetzelfde als “het Israël van God.” Het is één en dezelfde groep. De meeste uitleggers erkennen dat kai op beide manieren vertaald kan worden en dat de grammatica alleen het niet kan beslissen. De context moet de doorslag geven.
Sommigen denken dat Paulus met “het Israël van God” alle etnische Joden bedoelt – het hele volk, of ze nu in Jezus geloven of niet. Maar dat is zeer onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk. Het is ondenkbaar dat Paulus mensen die Christus afwijzen zou beschouwen als “van God” en over hen een geestelijke zegen zou uitspreken. We moeten niet vergeten dat Paulus eerder in Galaten een vloek (of “anathema”; Galaten 1:8-9) uitsprak over hen die het evangelie verdraaien. Zij eisten dat besnijdenis of andere rituelen en werken nodig zijn om door God aanvaard te worden. Het is onmogelijk dat Paulus zich nu zou omdraaien en over hen “vrede en barmhartigheid” zou uitspreken. Als het gaat om “het Israël van God,” zijn er dus twee mogelijkheden: (1) Joodse gelovigen, of (2) Joodse en niet-Joodse gelovigen samen, die samen de gemeente vormen – het ene, ware Israël van God.
De eerste stap om tot een goede uitleg te komen is: wat bedoelt Paulus met “deze regel”? De “regel” waarnaar Paulus iedereen oproept te leven, zou alles kunnen zijn wat hij in de brief geschreven heeft. Maar waarschijnlijker verwijst hij naar wat er vlak daarvoor staat. In vers 15 heeft Paulus als een soort samenvatting van de hele brief verklaard dat het besneden zijn en het onbesneden zijn er niet toe doen. Dat wil zeggen: uiterlijke kenmerken van een bepaald volk doen er bij God niet toe, en daarom zouden ze er ook bij ons niet toe moeten doen. Ons leven moet gevormd en bepaald worden door de “regel” van de “nieuwe schepping.” Dat betekent: ongeacht je afkomst, je bloed of je volk – alleen het geloof in Jezus telt in Gods ogen. En alleen dat geloof zou moeten bepalen hoe wij naar anderen kijken, hoe we denken over hun bestemming, en hoe we met hen omgaan in het lichaam van Christus.
Door de hele brief aan de Galaten heeft Paulus zich ingespannen om dit belangrijke punt duidelijk te maken: je hoeft geen Jood te worden en je hoeft niet besneden te worden om bij het volk van God te horen. De valse leraars die de apostel bestrijdt, beweerden dat gehoorzaamheid aan de wet – en vooral de besnijdenis – noodzakelijke voorwaarden waren om door God aanvaard te worden. Maar Paulus heeft steeds weer betoogd dat alleen geloof in Jezus Christus nodig is. Hij ging zelfs zo ver dat hij niet-Joden die in Jezus geloven het “nageslacht” van Abraham noemde (Galaten 3:16, 29). In hen en voor hen worden de verbondsbeloften vervuld. Of je nu etnisch Joods bent of niet-Joods, het maakt niet uit voor je positie bij God. Je hoeft alleen “in” Christus te zijn. Hij is Zelf het ene ware Nageslacht aan wie de beloften oorspronkelijk gedaan zijn.
Zoals Tom Schreiner uitlegt: het zou heel verwarrend zijn geweest voor de Galaten als Paulus – nadat hij de gelijkheid van Jood en heiden in Christus had betoogd (Galaten 3:28) en had benadrukt dat gelovigen Abrahams kinderen zijn – nu in zijn afsluitende woorden zou zeggen dat alleen Joden die in Jezus geloven tot het Israël van God behoren. Dan zou hij aan het eind van de brief een wig drijven tussen Joden en heidenen. Dat zou suggereren dat niet-Joden geen deel uitmaken van het ware Israël. Zo’n wig zou de tegenstanders in de kaart spelen. Zij zouden zeggen: “Zie je wel, om bij het ware Israël te horen moet je besneden worden” (Galaten, Zondervan Exegetical Commentary on the New Testament [Grand Rapids: Zondervan, 2010], 383).
Nogmaals: als je “Israël van God” opvat als een verwijzing naar alle uitverkoren Joden – etnische Israëlieten die in Jezus geloven – dan zou Paulus volgens Palmer Robertson de regel overtreden die hij zelf net heeft opgesteld. Hij zou dan zijn zegen uitspreken over uitverkoren Joden die de besnijdenis gebruikten om zich als Gods volk te identificeren. “Het Israël van God” zou dan een groep zijn die verschilt van allen die het tot gewoonte maken om nooit een onderscheid tussen Jood en heiden te gebruiken als basis voor het identificeren van Gods volk. Maar dan zou Paulus zijn eigen redenering tegenspreken (O. Palmer Robertson, The Israel of God: Yesterday, Today, and Tomorrow [Phillipsburg: P & R Publishing, 2000], 41).
Laten we bedenken dat Paulus gelovigen – of ze nu heiden of Jood zijn – beschrijft als zowel de “kinderen” (Galaten 3:7) als het “nageslacht” van Abraham. Deze positie ontvangen zij door genade alleen, door geloof alleen, in Christus alleen (Galaten 3:16, 29; en in Filippenzen 3:3 worden al zulke gelovigen de ware “besnijdenis” genoemd, “die God in de Geest dienen”). Gordon Fee concludeert hieruit dat Paulus eigenlijk een laatste, bewust uitdagende uitspraak doet tegen de onruststokers (de valse leraars of judaïsten). Zij proberen heidenen onderdeel te maken van het oude Israël. Paulus heeft de hele brief lang krachtig tegen hen gestreden. Met deze laatste zet (Galaten 6:16) wijst hij aan wie werkelijk Israël is – Gods Israël. Dat zijn degenen die leven volgens de regel dat de besnijdenis waar de onruststokers op aandringen voor niets telt. Christus is alles en in allen. En wie Hem volgen, worden door Paulus aangeduid met een nieuw woord: zij zijn “Gods Israël,” het echte (Galaten, Pentecostal Commentary Series [Dorset, UK: Deo Publishing, 2007], 253).
Dit zijn de belangrijkste overwegingen die mij ertoe brengen het eens te zijn met Gary Burge wanneer hij zegt dat de apostel de grenzen opnieuw trekt van wie bij Gods volk hoort. Het gaat niet langer om aanspraken op grond van afkomst of volk. Israël is nu de naam voor het volk van God dat bij Abraham hoort, ongeacht hun etnische achtergrond (Jesus and the Land: The New Testament Challenge to ‘Holy Land’ Theology [Grand Rapids: Baker Academic, 2010], 84). Eenvoudig gezegd: het Israël van God is de gemeente van Jezus Christus. Daarin zijn door genade alleen, door geloof alleen, in Christus alleen zowel etnische Joden als etnische heidenen opgenomen. Samen delen zij gelijk in de beloften van God.
Nog een laatste opmerking. In tegenstelling tot wat velen denken, is dit geen “vervangingstheologie.” Christopher Wright legt uit: het gaat er niet om dat de werkelijkheden van Israël en het Oude Testament afgeschaft en “vervangen” worden. Ze worden opgenomen in een grotere werkelijkheid in de Messias. Christus neemt de gelovige Jood niets af van wat bij Israël als Gods volk hoorde. En Hij geeft de gelovige heiden niets minder dan de volle verbondszegen en belofte die Israël toekwam. Integendeel – we delen samen in dit alles en meer, in Hem, en voor altijd (“A Christian Approach to Old Testament Prophecy Concerning Israel,” in Jerusalem Past and Present in the Purposes of God, red. P. W. L. Walker [Cambridge: Cambridge University Press, 1992], 19).
Over dit punt schrijft Samuel E. Waldron: zoals de vlinder de rups overtreft waaruit hij tevoorschijn komt, zo overtreft de gemeente als het Nieuwe Israël het Oude Israël. De vlinder vervangt de rups niet echt. Hij ís de rups in een nieuwe fase van zijn bestaan. Op dezelfde manier vergeten we, als we spreken over de gemeente die Israël vervangt, dat de gemeente eigenlijk Israël is in een nieuw gevormde en uitgebreide fase van haar bestaan. Kort gezegd: termen als vervangingstheologie of supersessionisme verhullen het bijbelse feit dat de gemeente in werkelijkheid de voortzetting is van Israël (MacArthur’s Millennial Manifesto: A Friendly Response [Owensboro, KY: RBAP, 2008], 7).
De gemeente is dus het “ware Israël,” bestaande uit zowel gelovige Joden als gelovige heidenen, in wie de beloften vervuld zullen worden. Of, anders gezegd: de gemeente vervangt Israël niet, maar neemt in zichzelf het gelovige overblijfsel binnen het volk als geheel op en zet dat voort. Het “ware Israël” van God, dat in het Oude Testament bestond uit alle etnische Joden die in hun hart besneden waren, vindt zijn nieuwtestamentische uitdrukking in de gemeente. Die bestaat nu uit alle gelovige etnische Joden en alle gelovige etnische heidenen. Of, om het beeld van Paulus uit Romeinen 11 te gebruiken: de ene Olijfboom = het ware Israël = de gemeente, waarin zowel natuurlijke (Joodse) takken als onnatuurlijke (niet-Joodse) takken zitten – maar in alle gevallen “gelovige takken.”
Aan het einde van zijn brief aan de Galaten spreekt Paulus een zegen uit. Over die zegen wordt al heel lang gediscussieerd. De HSV vertaalt het vers zo:
“En allen die overeenkomstig deze regel wandelen: vrede en barmhartigheid zij over hen en over het Israël van God” (Galaten 6:16).
Je zou dit vers ook anders kunnen lezen. Sommige Engelse vertalingen geven het Griekse woordje kai (dat meestal “en” betekent) weer als “namelijk” of “dat wil zeggen.” In dat geval gaat het niet om twee groepen, maar om één groep.
Wie de eerste vertaling volgt, ziet meestal twee groepen: (1) “allen die overeenkomstig deze regel wandelen” – dat zijn dan gelovige heidenen, of alle gelovigen in de gemeente, Jood of heiden – en (2) alle gelovige Joden, oftewel etnische Israëlieten die in Jezus geloven.
Volgens de tweede lezing heeft Paulus maar één groep op het oog. Het Griekse voegwoord kai, dat meestal gewoon als “en” vertaald wordt, wordt dan verklarend opgevat (de technische term is “epexegetisch”) en weergegeven als “namelijk.” In sommige vertalingen wordt het helemaal weggelaten. Paulus noemt dan degenen “die overeenkomstig deze regel wandelen” hetzelfde als “het Israël van God.” Het is één en dezelfde groep. De meeste uitleggers erkennen dat kai op beide manieren vertaald kan worden en dat de grammatica alleen het niet kan beslissen. De context moet de doorslag geven.
Sommigen denken dat Paulus met “het Israël van God” alle etnische Joden bedoelt – het hele volk, of ze nu in Jezus geloven of niet. Maar dat is zeer onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk. Het is ondenkbaar dat Paulus mensen die Christus afwijzen zou beschouwen als “van God” en over hen een geestelijke zegen zou uitspreken. We moeten niet vergeten dat Paulus eerder in Galaten een vloek (of “anathema”; Galaten 1:8-9) uitsprak over hen die het evangelie verdraaien. Zij eisten dat besnijdenis of andere rituelen en werken nodig zijn om door God aanvaard te worden. Het is onmogelijk dat Paulus zich nu zou omdraaien en over hen “vrede en barmhartigheid” zou uitspreken. Als het gaat om “het Israël van God,” zijn er dus twee mogelijkheden: (1) Joodse gelovigen, of (2) Joodse en niet-Joodse gelovigen samen, die samen de gemeente vormen – het ene, ware Israël van God.
De eerste stap om tot een goede uitleg te komen is: wat bedoelt Paulus met “deze regel”? De “regel” waarnaar Paulus iedereen oproept te leven, zou alles kunnen zijn wat hij in de brief geschreven heeft. Maar waarschijnlijker verwijst hij naar wat er vlak daarvoor staat. In vers 15 heeft Paulus als een soort samenvatting van de hele brief verklaard dat het besneden zijn en het onbesneden zijn er niet toe doen. Dat wil zeggen: uiterlijke kenmerken van een bepaald volk doen er bij God niet toe, en daarom zouden ze er ook bij ons niet toe moeten doen. Ons leven moet gevormd en bepaald worden door de “regel” van de “nieuwe schepping.” Dat betekent: ongeacht je afkomst, je bloed of je volk – alleen het geloof in Jezus telt in Gods ogen. En alleen dat geloof zou moeten bepalen hoe wij naar anderen kijken, hoe we denken over hun bestemming, en hoe we met hen omgaan in het lichaam van Christus.
Door de hele brief aan de Galaten heeft Paulus zich ingespannen om dit belangrijke punt duidelijk te maken: je hoeft geen Jood te worden en je hoeft niet besneden te worden om bij het volk van God te horen. De valse leraars die de apostel bestrijdt, beweerden dat gehoorzaamheid aan de wet – en vooral de besnijdenis – noodzakelijke voorwaarden waren om door God aanvaard te worden. Maar Paulus heeft steeds weer betoogd dat alleen geloof in Jezus Christus nodig is. Hij ging zelfs zo ver dat hij niet-Joden die in Jezus geloven het “nageslacht” van Abraham noemde (Galaten 3:16, 29). In hen en voor hen worden de verbondsbeloften vervuld. Of je nu etnisch Joods bent of niet-Joods, het maakt niet uit voor je positie bij God. Je hoeft alleen “in” Christus te zijn. Hij is Zelf het ene ware Nageslacht aan wie de beloften oorspronkelijk gedaan zijn.
Zoals Tom Schreiner uitlegt: het zou heel verwarrend zijn geweest voor de Galaten als Paulus – nadat hij de gelijkheid van Jood en heiden in Christus had betoogd (Galaten 3:28) en had benadrukt dat gelovigen Abrahams kinderen zijn – nu in zijn afsluitende woorden zou zeggen dat alleen Joden die in Jezus geloven tot het Israël van God behoren. Dan zou hij aan het eind van de brief een wig drijven tussen Joden en heidenen. Dat zou suggereren dat niet-Joden geen deel uitmaken van het ware Israël. Zo’n wig zou de tegenstanders in de kaart spelen. Zij zouden zeggen: “Zie je wel, om bij het ware Israël te horen moet je besneden worden” (Galaten, Zondervan Exegetical Commentary on the New Testament [Grand Rapids: Zondervan, 2010], 383).
Nogmaals: als je “Israël van God” opvat als een verwijzing naar alle uitverkoren Joden – etnische Israëlieten die in Jezus geloven – dan zou Paulus volgens Palmer Robertson de regel overtreden die hij zelf net heeft opgesteld. Hij zou dan zijn zegen uitspreken over uitverkoren Joden die de besnijdenis gebruikten om zich als Gods volk te identificeren. “Het Israël van God” zou dan een groep zijn die verschilt van allen die het tot gewoonte maken om nooit een onderscheid tussen Jood en heiden te gebruiken als basis voor het identificeren van Gods volk. Maar dan zou Paulus zijn eigen redenering tegenspreken (O. Palmer Robertson, The Israel of God: Yesterday, Today, and Tomorrow [Phillipsburg: P & R Publishing, 2000], 41).
Laten we bedenken dat Paulus gelovigen – of ze nu heiden of Jood zijn – beschrijft als zowel de “kinderen” (Galaten 3:7) als het “nageslacht” van Abraham. Deze positie ontvangen zij door genade alleen, door geloof alleen, in Christus alleen (Galaten 3:16, 29; en in Filippenzen 3:3 worden al zulke gelovigen de ware “besnijdenis” genoemd, “die God in de Geest dienen”). Gordon Fee concludeert hieruit dat Paulus eigenlijk een laatste, bewust uitdagende uitspraak doet tegen de onruststokers (de valse leraars of judaïsten). Zij proberen heidenen onderdeel te maken van het oude Israël. Paulus heeft de hele brief lang krachtig tegen hen gestreden. Met deze laatste zet (Galaten 6:16) wijst hij aan wie werkelijk Israël is – Gods Israël. Dat zijn degenen die leven volgens de regel dat de besnijdenis waar de onruststokers op aandringen voor niets telt. Christus is alles en in allen. En wie Hem volgen, worden door Paulus aangeduid met een nieuw woord: zij zijn “Gods Israël,” het echte (Galaten, Pentecostal Commentary Series [Dorset, UK: Deo Publishing, 2007], 253).
Dit zijn de belangrijkste overwegingen die mij ertoe brengen het eens te zijn met Gary Burge wanneer hij zegt dat de apostel de grenzen opnieuw trekt van wie bij Gods volk hoort. Het gaat niet langer om aanspraken op grond van afkomst of volk. Israël is nu de naam voor het volk van God dat bij Abraham hoort, ongeacht hun etnische achtergrond (Jesus and the Land: The New Testament Challenge to ‘Holy Land’ Theology [Grand Rapids: Baker Academic, 2010], 84). Eenvoudig gezegd: het Israël van God is de gemeente van Jezus Christus. Daarin zijn door genade alleen, door geloof alleen, in Christus alleen zowel etnische Joden als etnische heidenen opgenomen. Samen delen zij gelijk in de beloften van God.
Nog een laatste opmerking. In tegenstelling tot wat velen denken, is dit geen “vervangingstheologie.” Christopher Wright legt uit: het gaat er niet om dat de werkelijkheden van Israël en het Oude Testament afgeschaft en “vervangen” worden. Ze worden opgenomen in een grotere werkelijkheid in de Messias. Christus neemt de gelovige Jood niets af van wat bij Israël als Gods volk hoorde. En Hij geeft de gelovige heiden niets minder dan de volle verbondszegen en belofte die Israël toekwam. Integendeel – we delen samen in dit alles en meer, in Hem, en voor altijd (“A Christian Approach to Old Testament Prophecy Concerning Israel,” in Jerusalem Past and Present in the Purposes of God, red. P. W. L. Walker [Cambridge: Cambridge University Press, 1992], 19).
Over dit punt schrijft Samuel E. Waldron: zoals de vlinder de rups overtreft waaruit hij tevoorschijn komt, zo overtreft de gemeente als het Nieuwe Israël het Oude Israël. De vlinder vervangt de rups niet echt. Hij ís de rups in een nieuwe fase van zijn bestaan. Op dezelfde manier vergeten we, als we spreken over de gemeente die Israël vervangt, dat de gemeente eigenlijk Israël is in een nieuw gevormde en uitgebreide fase van haar bestaan. Kort gezegd: termen als vervangingstheologie of supersessionisme verhullen het bijbelse feit dat de gemeente in werkelijkheid de voortzetting is van Israël (MacArthur’s Millennial Manifesto: A Friendly Response [Owensboro, KY: RBAP, 2008], 7).
De gemeente is dus het “ware Israël,” bestaande uit zowel gelovige Joden als gelovige heidenen, in wie de beloften vervuld zullen worden. Of, anders gezegd: de gemeente vervangt Israël niet, maar neemt in zichzelf het gelovige overblijfsel binnen het volk als geheel op en zet dat voort. Het “ware Israël” van God, dat in het Oude Testament bestond uit alle etnische Joden die in hun hart besneden waren, vindt zijn nieuwtestamentische uitdrukking in de gemeente. Die bestaat nu uit alle gelovige etnische Joden en alle gelovige etnische heidenen. Of, om het beeld van Paulus uit Romeinen 11 te gebruiken: de ene Olijfboom = het ware Israël = de gemeente, waarin zowel natuurlijke (Joodse) takken als onnatuurlijke (niet-Joodse) takken zitten – maar in alle gevallen “gelovige takken.”






