Maar een Samaritaan die op reis was, kwam in zijn buurt, en toen hij hem zag, was hij met innerlijke ontferming bewogen. (Lukas 10:33)

Lees verder Johannes 11:11—44.


Maar een Samaritaan die op reis was, kwam in zijn buurt, en toen hij hem zag, was hij met innerlijke ontferming bewogen. (Lukas 10:33)

Lees verder Johannes 11:11—44.


Ik geloof niet in de manier waarop sommigen doen alsof ze het Evangelie prediken. Ze hebben geen Evangelie voor zondaren als zondaren. Ze hebben alleen een evangelie voor hen die boven het dode niveau van de zondaren gestegen zijn, die dus eigenlijk niets meer dan opgeknapte zondaren zijn.

Zoals de priester in deze gelijkenis zien ze de arme zondaar en zeggen, “Hij kent Zijn behoefte aan Christus niet dus ik nodig hem niet uit om naar Christus te komen. Hij is dood, tegen dode zielen kunnen we niet preken.” Zo passeren ze hem aan de andere kant van de weg. Ze blijven dichtbij de uitverkorenen en levenden, maar ze hebben niets te zeggen tegen de doden. Stel je voor dat ze Christus te genadig maken en Zijn barmhartigheid te vrij.

De Leviet had niet zoveel haast als de priester. De priester moest gaan preken en misschien zou hij te laat komen voor de dienst. Daarom kon hij niet stoppen om deze man te helpen. En trouwens, hij zou zijn ambtskleding bevuilt, of zichzelf verontreinigd hebben. Dan zou hij nauwelijks meer geschikt zijn om te preken voor de keurige en fatsoenlijke gemeente.

Maar de Leviet, had ook wat haast, hij moest het bijbelgedeelte voorlezen want hij diende in de gemeente. Hij kon nog net op tijd binnen zijn voor de zegenbede. Zo spaarde hij zichzelf met de luxe om niet naar de arme zondaar om te zien.

Zo heb ik predikanten gekend die zeiden, “Kijk, we moeten de staat van de zondaar beschrijven, we moeten ze waarschuwen, maar we mogen ze niet uitnodigen om naar de Heere Jezus te komen.” Ja heren, jullie moeten hem aan de andere kant van de weg passeren, nadat je naar hem gekeken hebt want je hebt zoals je zelf belijdt geen goed nieuws voor die arme stakker.

Ik loof de Heere dat Hij mij een Evangelie heeft gegeven waarmee ik naar de doden kan gaan, een Evangelie voor de allervuilsten. Ik dank mijn Meester dat Hij niet tegen de zondaar zegt, “Doe eerst zelf maar wat, ik kom je halverwege wel tegen,” nee, Hij komt waar hij is. Daar vind Hij hem verwoest, verloren en verhard. Hij ontmoet hem waar hij is. Hij geeft hem leven en vrede zonder te vragen of zonder dat hij zichzelf moet voorbereiden op genade.

Deze beschikbare welwillendheid van de Samaritaan, is deze morgen ook van mij. Ik mag je de beschikbare genade in Christus laten zien.

Ik geloof niet in de manier waarop sommigen doen alsof ze het Evangelie prediken. Ze hebben geen Evangelie voor zondaren als zondaren. Ze hebben alleen een evangelie voor hen die boven het dode niveau van de zondaren gestegen zijn, die dus eigenlijk niets meer dan opgeknapte zondaren zijn.

Zoals de priester in deze gelijkenis zien ze de arme zondaar en zeggen, “Hij kent Zijn behoefte aan Christus niet dus ik nodig hem niet uit om naar Christus te komen. Hij is dood, tegen dode zielen kunnen we niet preken.” Zo passeren ze hem aan de andere kant van de weg. Ze blijven dichtbij de uitverkorenen en levenden, maar ze hebben niets te zeggen tegen de doden. Stel je voor dat ze Christus te genadig maken en Zijn barmhartigheid te vrij.

De Leviet had niet zoveel haast als de priester. De priester moest gaan preken en misschien zou hij te laat komen voor de dienst. Daarom kon hij niet stoppen om deze man te helpen. En trouwens, hij zou zijn ambtskleding bevuilt, of zichzelf verontreinigd hebben. Dan zou hij nauwelijks meer geschikt zijn om te preken voor de keurige en fatsoenlijke gemeente.

Maar de Leviet, had ook wat haast, hij moest het bijbelgedeelte voorlezen want hij diende in de gemeente. Hij kon nog net op tijd binnen zijn voor de zegenbede. Zo spaarde hij zichzelf met de luxe om niet naar de arme zondaar om te zien.

Zo heb ik predikanten gekend die zeiden, “Kijk, we moeten de staat van de zondaar beschrijven, we moeten ze waarschuwen, maar we mogen ze niet uitnodigen om naar de Heere Jezus te komen.” Ja heren, jullie moeten hem aan de andere kant van de weg passeren, nadat je naar hem gekeken hebt want je hebt zoals je zelf belijdt geen goed nieuws voor die arme stakker.

Ik loof de Heere dat Hij mij een Evangelie heeft gegeven waarmee ik naar de doden kan gaan, een Evangelie voor de allervuilsten. Ik dank mijn Meester dat Hij niet tegen de zondaar zegt, “Doe eerst zelf maar wat, ik kom je halverwege wel tegen,” nee, Hij komt waar hij is. Daar vind Hij hem verwoest, verloren en verhard. Hij ontmoet hem waar hij is. Hij geeft hem leven en vrede zonder te vragen of zonder dat hij zichzelf moet voorbereiden op genade.

Deze beschikbare welwillendheid van de Samaritaan, is deze morgen ook van mij. Ik mag je de beschikbare genade in Christus laten zien.

Ter overdenking

Jezus wekte de fysieke doden op (Mark 5:40–42) zonder dat ze zichzelf eerst half-levend moesten maken. Precies zo werkt Hij ook wanneer Hij zondaren opwekt uit hun geestelijke dood (Efeze 2:1,5). Wekt Hij je nu op om op Hem te vertrouwen (Efeze 2:8).

Preek 473, 5 oktober 1862

Beschikbaar gesteld door Day One


Ter overdenking

Jezus wekte de fysieke doden op (Mark 5:40–42) zonder dat ze zichzelf eerst half-levend moesten maken. Precies zo werkt Hij ook wanneer Hij zondaren opwekt uit hun geestelijke dood (Efeze 2:1,5). Wekt Hij je nu op om op Hem te vertrouwen (Efeze 2:8).

Preek 473, 5 oktober 1862

Beschikbaar gesteld door Day One