Advent met John Piper

Kom tot de Zaligmaker

Dag 337 van 48 · 2 december 2026
702%

De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, onze Heere Jezus Christus, uit de doden heeft teruggebracht, op grond van het bloed van het eeuwige verbond, moge u toerusten tot elk goed werk om Zijn wil te doen, en in u werken wat in Zijn ogen welbehaaglijk is, door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. (Hebreeën 13:20-21)

Een van de dingen die God welbehaaglijk zijn, is dat Zijn volk tot in eeuwigheid tot Hem blijft naderen. Daarom werkt Hij juist dat in ons.
Hebreeën 13:21 zegt dat Hij dit doet ‘door Jezus Christus’. Dat betekent in ieder geval dat Jezus deze genade door Zijn dood voor ons heeft verworven en dat Jezus de Vader erom bidt op grond van Zijn dood.


Met andere woorden, als de schrijver van Hebreeën ons zegt dat we door ons naderen tot God in aanmerking komen voor het eeuwige verlossingswerk van onze Hogepriester (4:16), wil hij niet zeggen dat onze Hogepriester ons alleen laat in onze zondige aanleg en natuurlijke weerstand, alsof wij op eigen kracht tot God zouden kunnen naderen. Integendeel, onze Hogepriester doet voorbede voor ons en vraagt de Vader te doen wat Hij volgens Hebreeën 13:21 zal doen: in ons werken wat in Zijn ogen welbehaaglijk is, ‘door Jezus Christus’.


Laat me dit verduidelijken door te laten zien hoe onze Hogepriester dat deed toen Hij op aarde was. In Lukas 22:31-32 zei Jezus tegen Petrus: ‘Simon, Simon, zie, de satan heeft u allen opgeëist om te ziften als de tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoudt. En u, als u eens tot inkeer gekomen bent, versterk dan uw broeders.’

Jezus deed dus al voorbede voor de Zijnen toen Hij nog op aarde was. Hij bad dat Petrus’ geloof – zijn geloof, ons geloof – niet zou ophouden.


Is het niet heerlijk om in deze adventstijd te weten dat God ons vraagt naar Hem toe te komen? Dat deze grote, heilige God van gerechtigheid en toorn je nodigt om te komen.
Bovendien was Hij zo vol vertrouwen in Zijn gebed voor Petrus dat Hij zei: ‘Als u eens tot inkeer gekomen bent’ en niet: ‘In het geval u tot inkeer komt.’ Ook al struikelde Petrus in zijn verloochening van Jezus, daarmee hield zijn geloof niet volledig op te bestaan. Dat is wat de Heere voor ons bidt. Dit is weer zo’n stukje van onze grote hoop en zekerheid in deze grote troostbrief aan de Hebreeën.
Is het niet heerlijk om in deze adventstijd te weten dat God ons vraagt naar Hem toe te komen? Dat deze grote, heilige God van gerechtigheid en toorn zegt: ‘Kom naar Mij toe, door Mijn Zoon, jouw Hogepriester. Kom naar Mij toe. Kom naar Mij toe’?

Gerelateerde artikelen

Alle