“Ik zei: HEERE, wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd. (Psalm 41:5)
Dit is de roep van iemand die hulp nodig heeft. Van iemand die geen helper heeft. Van iemand die in moeilijke tijden ontdekt dat er geen toevlucht is dan alleen bij God. Het is een roep vanaf het ziekbed van de ziel — veel verschrikkelijker dan het ziekbed van het lichaam — tot de goddelijke Geneesheer, om Zijn hemelse kunde en medicijn toe te passen. Het zegt ons het volgende:
1. Zonde is de ziekte van de ziel.
Het is een oneindig kwaad. Het is het kwaad van alle kwaad. Vergeleken met zonde stelt gewone pijn niets voor. Het einde van alle lichamelijke ziekte, als die haar gang gaat, is de tijdelijke dood. Zo is het einde van alle zonde, als die niet wordt gestopt, de eeuwige dood. De zonde is oneindig gevarieerd in haar aard, al kan ze onder een paar grote beschrijvingen worden samengevat en in bepaalde groepen worden ingedeeld. Alle ziekten van het lichaam, en variaties daarvan, zijn slechts afbeeldingen van de verschrikkelijke vormen van zonde. Verlamming, melaatsheid, koorts, blindheid en dergelijke zijn symbolen van de zonde. Het hele hoofd is ziek en het hele hart is zwak. Er is de ziekte van ongeloof, van onboetvaardigheid, van begeerte, van vijandschap tegen God, van trots, van wereldsgezindheid, enzovoort. Al deze ziekten zijn doorgedrongen in ons geestelijk leven en hebben onze geestelijke gezondheid verwoest.
Maar zonde is niet zomaar een ziekte of een ongeluk, waar je langzaam vanaf komt door een gezonde leefwijze, dieet of medicijn. Het is niet iets dat je door menselijke kunde en inspanning uit je lichaam kunt werken. Het is schuld én ziekte tegelijk. Het moet behandeld worden door de Rechter, net zoveel als door de Geneesheer. Ja, door de Rechter eerst, vóórdat de Geneesheer het kan aanraken. Want zoals de volgorde van het kwaad was: eerst de schuld en dan de ziekte die daaruit voortkwam, zo is de volgorde van het geneesmiddel: eerst de vergeving en dan de gezondheid.
2. God is de Genezer van de ziel.
Of we nu naar de zonde kijken als ziekte, als schuld, of als beide tegelijk — we ontdekken dat we met God alleen te maken hebben. Het medicijn, de kunde, de vergeving, de bevrijding — het is allemaal in Zijn handen. Met niemand anders hoeven we te onderhandelen als het gaat om het wegnemen van de zonde. Niet met onszelf, niet met een mens, niet met het vlees, niet met de gemeente, niet met een geloofsbelijdenis, niet met een priester, maar met God Zelf. En dat rechtstreeks, van aangezicht tot aangezicht, alleen, zonder enige tussenpersoon. Alle anderen zijn geneesheren zonder waarde. Ze genezen helemaal niet, of ze genezen oppervlakkig, of ze maken de ziekte erger. Gezondheid is bij God alleen. Hij geneest volkomen en voor eeuwig. Hij die het Leven van de ziel is, is ook de Gezondheid van de ziel. Wat de ziekte ook is — diep of oppervlakkig, van lange of korte duur, verbonden met het oog, het oor, de hand, de voeten, het hoofd of het hele geestelijke wezen — het advies dat aan de zieke ziel gegeven moet worden is: Ga rechtstreeks naar God. Handel met Hem, en laat Hem met jou handelen.
3. God wil heel graag dat de ziel genezen wordt.
Hij heeft geen plezier in onze ziekte of dood. Zijn verlangen is dat wij leven en gezond zijn. Onze ziekte komt niet van Hem, maar van onszelf, net zoals onze gezondheid niet van onszelf komt, maar van Hem. Toch houdt Hij niet van het kwaad van Zijn schepselen. Hij verlangt hun welzijn, niet hun ondergang. Waarom laat Hij dan ziekte en dood toe? Om oneindig wijze redenen, waar jij en ik nu niets van weten, maar die vroeg of laat bekend zullen worden. Toch mag onze huidige onwetendheid ons er niet toe brengen om te twijfelen aan de oprechtheid van Gods verlangen naar ons welzijn. Deze twee dingen zullen volkomen met elkaar te rijmen blijken, en beide zijn even waar. Laten we niet kiezen voor maar één kant van de waarheid, maar laten we beide kanten aannemen, zoals de goddelijke openbaring ze geeft — wat onze verwarde gedachten ook mogen aanvoeren.
4. God heeft voorzien in de genezing van de ziel.
De ziekte ging zo ver boven menselijke kunde uit, dat niemand anders dan God de genezing op Zich kon nemen. Hij heeft het op Zich genomen. Hij heeft de middelen gegeven. Hij heeft de Geneesheer gestuurd. Het medicijn is het kruis. Er is vergeving, die onmisbaar is als het begin van de genezing: rechtvaardige vergeving door de dood van de Borg. Bij en met het kruis begint de genezing, en ze begint met de vergeving van de zondaar. Maar vergeving is niet alles. Er is ook angst, moeite, onrust, vermoeidheid, duisternis, en dergelijke. Ook daarvoor zorgt het kruis. En bij het medicijn is er de Geneesheer Zelf, Christus Jezus. Of liever: er is Christus en de Heilige Geest. Christus die de Geest uitdeelt, en de Geest die Christus openbaart. De kracht en de kunde zijn in Hun handen. Zij passen de goddelijke voorziening toe. Zodat alles wat met de genezing van de ziel te maken heeft, werkelijk goddelijk is. Luister naar de eigen woorden van de Heere hierover: “En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft” (Johannes 3:14–15).
Daarom vragen we:
(1.) Ben jij genezen? Als dat zo is, geef God de eer! De gezondheid kwam zeker niet van een mens, maar van de liefde en kracht van God, van het kruis van Christus, van de hand van de Heilige Geest.
(2.) Wil jij genezen worden? Misschien ben je nog steeds niet genezen? Dan is hier het kruis, voor genezing. Kijk en word genezen. Kijk en word gered. Kijk en ontvang vergeving. Het gaat niet om werken, of kopen, of verdienen, maar eenvoudig om kijken. Het zien van het kruis is vergeving, gezondheid en leven. De bladeren van deze boom zijn tot genezing van de heidenvolken (Openbaring 22:2).
(3.) Kun jij het zonder genezing uithouden? Is jouw wond zo klein, jouw ziekte zo onbeduidend, dat je het zonder het kruis kunt en jezelf kunt genezen? Of denk je, al ben je niet genezen, dat je zo verder kunt gaan — goed genoeg, zonder gezondheid? Stel dat je dat in deze wereld zou kunnen, hoe zit het dan met de wereld die komt? Op een eeuwig ziekbed geworpen worden — denk daar eens over na! Eeuwige ziekte die lichaam en ziel doordringt — denk daar eens over na! O, kijk en word genezen! Maak nu direct de woorden van onze tekst tot de jouwe: “Genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.”
“Ik zei: HEERE, wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd. (Psalm 41:5)
Dit is de roep van iemand die hulp nodig heeft. Van iemand die geen helper heeft. Van iemand die in moeilijke tijden ontdekt dat er geen toevlucht is dan alleen bij God. Het is een roep vanaf het ziekbed van de ziel — veel verschrikkelijker dan het ziekbed van het lichaam — tot de goddelijke Geneesheer, om Zijn hemelse kunde en medicijn toe te passen. Het zegt ons het volgende:
1. Zonde is de ziekte van de ziel.
Het is een oneindig kwaad. Het is het kwaad van alle kwaad. Vergeleken met zonde stelt gewone pijn niets voor. Het einde van alle lichamelijke ziekte, als die haar gang gaat, is de tijdelijke dood. Zo is het einde van alle zonde, als die niet wordt gestopt, de eeuwige dood. De zonde is oneindig gevarieerd in haar aard, al kan ze onder een paar grote beschrijvingen worden samengevat en in bepaalde groepen worden ingedeeld. Alle ziekten van het lichaam, en variaties daarvan, zijn slechts afbeeldingen van de verschrikkelijke vormen van zonde. Verlamming, melaatsheid, koorts, blindheid en dergelijke zijn symbolen van de zonde. Het hele hoofd is ziek en het hele hart is zwak. Er is de ziekte van ongeloof, van onboetvaardigheid, van begeerte, van vijandschap tegen God, van trots, van wereldsgezindheid, enzovoort. Al deze ziekten zijn doorgedrongen in ons geestelijk leven en hebben onze geestelijke gezondheid verwoest.
Maar zonde is niet zomaar een ziekte of een ongeluk, waar je langzaam vanaf komt door een gezonde leefwijze, dieet of medicijn. Het is niet iets dat je door menselijke kunde en inspanning uit je lichaam kunt werken. Het is schuld én ziekte tegelijk. Het moet behandeld worden door de Rechter, net zoveel als door de Geneesheer. Ja, door de Rechter eerst, vóórdat de Geneesheer het kan aanraken. Want zoals de volgorde van het kwaad was: eerst de schuld en dan de ziekte die daaruit voortkwam, zo is de volgorde van het geneesmiddel: eerst de vergeving en dan de gezondheid.
2. God is de Genezer van de ziel.
Of we nu naar de zonde kijken als ziekte, als schuld, of als beide tegelijk — we ontdekken dat we met God alleen te maken hebben. Het medicijn, de kunde, de vergeving, de bevrijding — het is allemaal in Zijn handen. Met niemand anders hoeven we te onderhandelen als het gaat om het wegnemen van de zonde. Niet met onszelf, niet met een mens, niet met het vlees, niet met de gemeente, niet met een geloofsbelijdenis, niet met een priester, maar met God Zelf. En dat rechtstreeks, van aangezicht tot aangezicht, alleen, zonder enige tussenpersoon. Alle anderen zijn geneesheren zonder waarde. Ze genezen helemaal niet, of ze genezen oppervlakkig, of ze maken de ziekte erger. Gezondheid is bij God alleen. Hij geneest volkomen en voor eeuwig. Hij die het Leven van de ziel is, is ook de Gezondheid van de ziel. Wat de ziekte ook is — diep of oppervlakkig, van lange of korte duur, verbonden met het oog, het oor, de hand, de voeten, het hoofd of het hele geestelijke wezen — het advies dat aan de zieke ziel gegeven moet worden is: Ga rechtstreeks naar God. Handel met Hem, en laat Hem met jou handelen.
3. God wil heel graag dat de ziel genezen wordt.
Hij heeft geen plezier in onze ziekte of dood. Zijn verlangen is dat wij leven en gezond zijn. Onze ziekte komt niet van Hem, maar van onszelf, net zoals onze gezondheid niet van onszelf komt, maar van Hem. Toch houdt Hij niet van het kwaad van Zijn schepselen. Hij verlangt hun welzijn, niet hun ondergang. Waarom laat Hij dan ziekte en dood toe? Om oneindig wijze redenen, waar jij en ik nu niets van weten, maar die vroeg of laat bekend zullen worden. Toch mag onze huidige onwetendheid ons er niet toe brengen om te twijfelen aan de oprechtheid van Gods verlangen naar ons welzijn. Deze twee dingen zullen volkomen met elkaar te rijmen blijken, en beide zijn even waar. Laten we niet kiezen voor maar één kant van de waarheid, maar laten we beide kanten aannemen, zoals de goddelijke openbaring ze geeft — wat onze verwarde gedachten ook mogen aanvoeren.
4. God heeft voorzien in de genezing van de ziel.
De ziekte ging zo ver boven menselijke kunde uit, dat niemand anders dan God de genezing op Zich kon nemen. Hij heeft het op Zich genomen. Hij heeft de middelen gegeven. Hij heeft de Geneesheer gestuurd. Het medicijn is het kruis. Er is vergeving, die onmisbaar is als het begin van de genezing: rechtvaardige vergeving door de dood van de Borg. Bij en met het kruis begint de genezing, en ze begint met de vergeving van de zondaar. Maar vergeving is niet alles. Er is ook angst, moeite, onrust, vermoeidheid, duisternis, en dergelijke. Ook daarvoor zorgt het kruis. En bij het medicijn is er de Geneesheer Zelf, Christus Jezus. Of liever: er is Christus en de Heilige Geest. Christus die de Geest uitdeelt, en de Geest die Christus openbaart. De kracht en de kunde zijn in Hun handen. Zij passen de goddelijke voorziening toe. Zodat alles wat met de genezing van de ziel te maken heeft, werkelijk goddelijk is. Luister naar de eigen woorden van de Heere hierover: “En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft” (Johannes 3:14–15).
Daarom vragen we:
(1.) Ben jij genezen? Als dat zo is, geef God de eer! De gezondheid kwam zeker niet van een mens, maar van de liefde en kracht van God, van het kruis van Christus, van de hand van de Heilige Geest.
(2.) Wil jij genezen worden? Misschien ben je nog steeds niet genezen? Dan is hier het kruis, voor genezing. Kijk en word genezen. Kijk en word gered. Kijk en ontvang vergeving. Het gaat niet om werken, of kopen, of verdienen, maar eenvoudig om kijken. Het zien van het kruis is vergeving, gezondheid en leven. De bladeren van deze boom zijn tot genezing van de heidenvolken (Openbaring 22:2).
(3.) Kun jij het zonder genezing uithouden? Is jouw wond zo klein, jouw ziekte zo onbeduidend, dat je het zonder het kruis kunt en jezelf kunt genezen? Of denk je, al ben je niet genezen, dat je zo verder kunt gaan — goed genoeg, zonder gezondheid? Stel dat je dat in deze wereld zou kunnen, hoe zit het dan met de wereld die komt? Op een eeuwig ziekbed geworpen worden — denk daar eens over na! Eeuwige ziekte die lichaam en ziel doordringt — denk daar eens over na! O, kijk en word genezen! Maak nu direct de woorden van onze tekst tot de jouwe: “Genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.”
Horatius Bonar (1808-1889) was een prediker en dichter die verschillende boeken heeft geschreven om twijfelende zielen te leiden tot geloofszekerheid en prachtige liederen zoals “Ik hoorde Jezus’ zachte stem.” Deze reflecties zijn onderdeel van de serie “Licht en waarheid.”








