15 juli
Spreken met God

Och, wist ik maar dat ik Hem zou vinden, dan zou ik naar Zijn woonplaats toe komen. Ik zou de rechtszaak voor Zijn aangezicht uiteenzetten, en ik zou mijn mond vullen met mijn verdediging. (Job 23:3—4)

Lees verder Daniel 9:1—19.


Och, wist ik maar dat ik Hem zou vinden, dan zou ik naar Zijn woonplaats toe komen. Ik zou de rechtszaak voor Zijn aangezicht uiteenzetten, en ik zou mijn mond vullen met mijn verdediging. (Job 23:3—4)

Lees verder Daniel 9:1—19.


De goede geestelijke orde in het gebed bestaat volgens mij niet uit zomaar een mooie volgorde van woorden. Het is goed om eerst te voelen dat we met iets bezig zijn wat werkelijkheid is, dat we op het punt staan om tegen God te spreken die we niet kunnen zien maar die er toch werkelijk is. We kunnen Hem niet aanraken, horen of met onze andere zintuigen waarnemen maar toch is Hij echt bij ons alsof we met een vriend spreken van vlees en bloed zoals wijzelf.

Als we de werkelijkheid van Gods aanwezigheid voelen, zal onze geest door Gods genade nederig gemaakt worden. We zullen ons voelen als Abraham toen hij zei, “Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken, hoewel ik stof en as ben!” (Genesis 18:27).

Als gevolg daarvan zullen we onszelf niet zomaar van ons gebed ontdoen zoals de jongens hun lesje opzeggen, zomaar met ons hoofd. Veel minder zullen we spreken als een rabbijn die zijn leerlingen onderwijst. En zeker zullen we niet spreken zoals ik sommigen heb horen spreken, met de ruwheid van een struikrover die iemand op de weg stopt en zijn portemonnee eist.

Als we Gods aanwezigheid voelen en door Zijn genade nederig gemaakt worden, zullen we nederige maar moedige verzoeken doen. We zullen nederig aandringen om genade door het bloed van de Verlosser. Niet met de terughoudendheid van een slaaf maar met de liefdevolle eerbied van een kind. Geen onbeschaamd en brutaal kind maar een leergierig en gehoorzaam kind die zijn Vader eert. Daarom vraagt hij het dringend maar met een eerbiedige onderwerping aan de wil van de Vader.

Als ik voel dat ik in Gods aanwezigheid ben, en mij gedraag zoals dat in Zijn aanwezigheid hoort, erken ik vervolgens dat ik geen recht heb op dat waar ik om vraag. Ik kan niet verwachten dat ik het anders ontvang dan als een geschenk van genade. Ik moet onthouden dat God het kanaal beperkt waardoor Hij mij genade wil geven, Hij wil het mij geven door Zijn lieve Zoon. Daarom moet ik schuilen onder de bescherming van de grote Verlosser.

De goede geestelijke orde in het gebed bestaat volgens mij niet uit zomaar een mooie volgorde van woorden. Het is goed om eerst te voelen dat we met iets bezig zijn wat werkelijkheid is, dat we op het punt staan om tegen God te spreken die we niet kunnen zien maar die er toch werkelijk is. We kunnen Hem niet aanraken, horen of met onze andere zintuigen waarnemen maar toch is Hij echt bij ons alsof we met een vriend spreken van vlees en bloed zoals wijzelf.

Als we de werkelijkheid van Gods aanwezigheid voelen, zal onze geest door Gods genade nederig gemaakt worden. We zullen ons voelen als Abraham toen hij zei, “Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken, hoewel ik stof en as ben!” (Genesis 18:27).

Als gevolg daarvan zullen we onszelf niet zomaar van ons gebed ontdoen zoals de jongens hun lesje opzeggen, zomaar met ons hoofd. Veel minder zullen we spreken als een rabbijn die zijn leerlingen onderwijst. En zeker zullen we niet spreken zoals ik sommigen heb horen spreken, met de ruwheid van een struikrover die iemand op de weg stopt en zijn portemonnee eist.

Als we Gods aanwezigheid voelen en door Zijn genade nederig gemaakt worden, zullen we nederige maar moedige verzoeken doen. We zullen nederig aandringen om genade door het bloed van de Verlosser. Niet met de terughoudendheid van een slaaf maar met de liefdevolle eerbied van een kind. Geen onbeschaamd en brutaal kind maar een leergierig en gehoorzaam kind die zijn Vader eert. Daarom vraagt hij het dringend maar met een eerbiedige onderwerping aan de wil van de Vader.

Als ik voel dat ik in Gods aanwezigheid ben, en mij gedraag zoals dat in Zijn aanwezigheid hoort, erken ik vervolgens dat ik geen recht heb op dat waar ik om vraag. Ik kan niet verwachten dat ik het anders ontvang dan als een geschenk van genade. Ik moet onthouden dat God het kanaal beperkt waardoor Hij mij genade wil geven, Hij wil het mij geven door Zijn lieve Zoon. Daarom moet ik schuilen onder de bescherming van de grote Verlosser.

Ter overdenking

In noodgevallen kunnen gelovigen tot God bidden in de haast van het moment (Nehemia 2:4). Op andere momenten is het goed en passend om de tijd te nemen en zorgvuldig te bidden (Nehemia 1:4; Mattheüs 6:5–7).

Preek nr. 700, 15 juli 1866

Beschikbaar gesteld door Day One


Ter overdenking

In noodgevallen kunnen gelovigen tot God bidden in de haast van het moment (Nehemia 2:4). Op andere momenten is het goed en passend om de tijd te nemen en zorgvuldig te bidden (Nehemia 1:4; Mattheüs 6:5–7).

Preek nr. 700, 15 juli 1866

Beschikbaar gesteld door Day One