“Waren zij maar wijs.” (Deuteronomium 32:29)
Dit zijn niet de woorden van toorn, maar van liefde, van teleurgestelde genegenheid, van een bedroefde vriend, van een zachtmoedige vader, van een ernstige, genadige, lankmoedige God. In deze woorden verlangt God naar Israël. In deze woorden verlangt Hij nog steeds naar ons. In deze woorden leren we hoe God tegenover ons staat, de hele dag met Zijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk.
1. Gods verlangen om ons wijs te maken.
Hij, de oneindig wijze God, verlangt ernaar om ons deelgenoten te maken van Zijn wijsheid. Hij heeft geen behagen in onze onwetendheid; nee, het wekt zowel Zijn medelijden als Zijn ongenoegen op. Hij kent de kostbaarheid van wijsheid, en Hij ziet ons niet graag zonder. Hij wenst dat wij wijs zijn. Waarom maakt Hij ons dan niet wijs, aangezien Hij even machtig is als wijs? Ik kan dit hele raadsel niet verklaren, het is ondoorgrondelijk.
Laten we alleen bedenken, (1.) Dat Hij soeverein is en ook liefdevol; (2.) Dat wijsheid, vanwege haar aard, niet kan worden afgedwongen; (3.) Dat de kracht van een menselijke wil om het kwade te doen, om weerstand te bieden aan zowel wijsheid als liefde, heel groot is. Onze neiging tot het kwade is veel groter dan we kunnen bevatten vanwege de zwakheid van het schepsel waarin deze wil is. We kunnen de hele knoop niet ontwarren, maar we weten uit Gods eigen woorden dat Hij oprecht en eerlijk verlangt om ons wijs te zien. Wat kan onze tekst anders betekenen: “Waren zij maar wijs.” Is dit geen goed nieuws? God verlangt ernaar je wijs te maken! “En als iemand van u in wijsheid tekortschiet, laat hij die dan vragen aan God” (Jakobus 1:5).
2. De hardleersheid van de mens.
Het verlangen naar wijsheid en de onwilligheid om onderwezen te worden is een van de vele vreemde tegenstellingen van de mensheid. Het zoeken naar wijsheid en de afwijzing ervan wanneer God deze aanbiedt, is een hele vertoning, vreemd, maar niet helemaal onverklaarbaar. Want de wijsheid die de mens zoekt, is wijsheid die ze zelf willen; het is wijsheid zonder God, het is wijsheid die zijn neigingen en lusten niet tegenspreekt, het is wijsheid die door hemzelf is uitgedacht en waarvoor hij zichzelf de eer van ontdekking toekent.
Onderwerping aan Gods onderwijs is wat hij in het bijzonder niet waardeert; vrijheid om Gods onderwijs aan te nemen of te verwerpen is wat hij voor zichzelf opeist. En in deze tijd ontwikkelt de hardleersheid van de mens zich ten volle. Hij beweert zijn eigen leraar te zijn, en de rechter te zijn over de wijsheid die hij zal ontvangen. Hij staat erop dat zijn eigen rede, zijn eigen geweten en zijn morele besef, zullen oordelen over alles wat hem wordt aangeboden. Onderwijs wat met gezag aan hem wordt voorgesteld ziet hij als onverenigbaar met zijn vrijheid, en daarom verwerpt hij, zelfs wanneer hij het onderwijs aanvaardt, het gezag waarop deze komt. Hij mag de waarheid aannemen, maar dat is omdat zijn eigen rede het heeft bewezen of aanvaard, niet omdat God het heeft aangeboden. Hij zou willen dat zijn geloof zou staan in de wijsheid van mensen, en niet in de kracht van God.
3. Hoe God voorziet om ons wijs te maken.
Hij heeft ons niet aan ons lot overgelaten om willekeurig wijsheid te verzamelen, noch heeft Hij Zichzelf tevreden gesteld met alleen de wens uit te spreken dat wij wijs zouden zijn. Hij heeft aanzienlijk bewijs geleverd van Zijn oprechtheid hierin.
Hij heeft voorzien in,
(1.) De les. Dit boek van Hem bevat die les. Het is volledig, gevarieerd, compleet, eenvoudig. Het is een les voor geleerden en ongeleerden, voor Jood en Griek, voor rijk en arm—dezelfde les voor allemaal. In dit ene boek staat de les der lessen geschreven; de les die, wanneer geleerd, duisternis, onwetendheid en onrust wegneemt, en licht, vrede, gezondheid en een eeuwige verlossing brengt.
(2.) De school. Het is de school van Christus. Want onze eerste stap is om Zijn discipelen te worden, om Hem en Zijn regels voor de leiding van onze studies te aanvaarden. “Ga dan heen, maak discipelen onder alle volken…” was Zijn opdracht in Mattheüs 28:19. Zo treden we Zijn academie binnen, we schrijven ons in als Zijn leerlingen. Dit discipelschap is de eerste stap naar wijsheid, het is de verwerping van de valse scholen, van de wereld, van de mens, van de filosofie, en de onderwerping van ons hele wezen aan de voorschriften van deze school.
(3.) De discipline. Het gaat er niet alleen om dat we gevuld worden met informatie. De geest, de ziel, het geweten moeten zo gedisciplineerd en voorbereid worden dat ze het op de juiste manier ontvangen. Gevarieerd is deze discipline, deze training. Ontbering, verdriet, beproeving—allerlei soorten tuchtiging zijn nodig om ons geschikt te maken voor het ontvangen van de wijsheid. In deze goddelijke school worden al deze dingen dagelijks gebruikt om ons ontvankelijk, buigzaam, leerbaar en onderworpen te maken.
(4.) De Leraar. Hij is de Heilige Geest. Soms wordt gezegd dat wij “van Christus leren” en “van de Vader leren,” maar de Geest is de bijzondere leraar; “Hij zal u de weg wijzen in heel de waarheid;” “wie is een Leraar als Hij?” Zijn onderwijs is volmaakt, onweerstaanbaar, maar niet wonderbaarlijk; geleidelijk, natuurlijk, maar toch bovennatuurlijk. Hij onderwijst ons uit dat boek dat Hij geïnspireerd heeft.
Zo verlangt God naar ons, treurend over onze onwetendheid, rouwend over onze hardleersheid en Hij biedt aan om ons te onderwijzen, om ons wijs te maken. Zo met medelijden voor ons, voorziet Hij voor ons. Hij laat ons geen enkel excuus als wij hardleers willen blijven. “Waren zij maar wijs,” zegt Hij tegen ieder van ons. Hij zegt het oprecht. Laten wij onszelf helemaal in Zijn handen leggen voor onderwijs, voor licht, voor zegen. Alles wat Hij vraagt is dat wij onszelf inschrijven als Zijn leerlingen en ons onderwerpen aan Zijn onderwijs. In Zijn oneindige barmhartigheid en liefde smeekt Hij ons wijs te zijn.
“Waren zij maar wijs.” (Deuteronomium 32:29)
Dit zijn niet de woorden van toorn, maar van liefde, van teleurgestelde genegenheid, van een bedroefde vriend, van een zachtmoedige vader, van een ernstige, genadige, lankmoedige God. In deze woorden verlangt God naar Israël. In deze woorden verlangt Hij nog steeds naar ons. In deze woorden leren we hoe God tegenover ons staat, de hele dag met Zijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk.
1. Gods verlangen om ons wijs te maken.
Hij, de oneindig wijze God, verlangt ernaar om ons deelgenoten te maken van Zijn wijsheid. Hij heeft geen behagen in onze onwetendheid; nee, het wekt zowel Zijn medelijden als Zijn ongenoegen op. Hij kent de kostbaarheid van wijsheid, en Hij ziet ons niet graag zonder. Hij wenst dat wij wijs zijn. Waarom maakt Hij ons dan niet wijs, aangezien Hij even machtig is als wijs? Ik kan dit hele raadsel niet verklaren, het is ondoorgrondelijk.
Laten we alleen bedenken, (1.) Dat Hij soeverein is en ook liefdevol; (2.) Dat wijsheid, vanwege haar aard, niet kan worden afgedwongen; (3.) Dat de kracht van een menselijke wil om het kwade te doen, om weerstand te bieden aan zowel wijsheid als liefde, heel groot is. Onze neiging tot het kwade is veel groter dan we kunnen bevatten vanwege de zwakheid van het schepsel waarin deze wil is. We kunnen de hele knoop niet ontwarren, maar we weten uit Gods eigen woorden dat Hij oprecht en eerlijk verlangt om ons wijs te zien. Wat kan onze tekst anders betekenen: “Waren zij maar wijs.” Is dit geen goed nieuws? God verlangt ernaar je wijs te maken! “En als iemand van u in wijsheid tekortschiet, laat hij die dan vragen aan God” (Jakobus 1:5).
2. De hardleersheid van de mens.
Het verlangen naar wijsheid en de onwilligheid om onderwezen te worden is een van de vele vreemde tegenstellingen van de mensheid. Het zoeken naar wijsheid en de afwijzing ervan wanneer God deze aanbiedt, is een hele vertoning, vreemd, maar niet helemaal onverklaarbaar. Want de wijsheid die de mens zoekt, is wijsheid die ze zelf willen; het is wijsheid zonder God, het is wijsheid die zijn neigingen en lusten niet tegenspreekt, het is wijsheid die door hemzelf is uitgedacht en waarvoor hij zichzelf de eer van ontdekking toekent.
Onderwerping aan Gods onderwijs is wat hij in het bijzonder niet waardeert; vrijheid om Gods onderwijs aan te nemen of te verwerpen is wat hij voor zichzelf opeist. En in deze tijd ontwikkelt de hardleersheid van de mens zich ten volle. Hij beweert zijn eigen leraar te zijn, en de rechter te zijn over de wijsheid die hij zal ontvangen. Hij staat erop dat zijn eigen rede, zijn eigen geweten en zijn morele besef, zullen oordelen over alles wat hem wordt aangeboden. Onderwijs wat met gezag aan hem wordt voorgesteld ziet hij als onverenigbaar met zijn vrijheid, en daarom verwerpt hij, zelfs wanneer hij het onderwijs aanvaardt, het gezag waarop deze komt. Hij mag de waarheid aannemen, maar dat is omdat zijn eigen rede het heeft bewezen of aanvaard, niet omdat God het heeft aangeboden. Hij zou willen dat zijn geloof zou staan in de wijsheid van mensen, en niet in de kracht van God.
3. Hoe God voorziet om ons wijs te maken.
Hij heeft ons niet aan ons lot overgelaten om willekeurig wijsheid te verzamelen, noch heeft Hij Zichzelf tevreden gesteld met alleen de wens uit te spreken dat wij wijs zouden zijn. Hij heeft aanzienlijk bewijs geleverd van Zijn oprechtheid hierin.
Hij heeft voorzien in,
(1.) De les. Dit boek van Hem bevat die les. Het is volledig, gevarieerd, compleet, eenvoudig. Het is een les voor geleerden en ongeleerden, voor Jood en Griek, voor rijk en arm—dezelfde les voor allemaal. In dit ene boek staat de les der lessen geschreven; de les die, wanneer geleerd, duisternis, onwetendheid en onrust wegneemt, en licht, vrede, gezondheid en een eeuwige verlossing brengt.
(2.) De school. Het is de school van Christus. Want onze eerste stap is om Zijn discipelen te worden, om Hem en Zijn regels voor de leiding van onze studies te aanvaarden. “Ga dan heen, maak discipelen onder alle volken…” was Zijn opdracht in Mattheüs 28:19. Zo treden we Zijn academie binnen, we schrijven ons in als Zijn leerlingen. Dit discipelschap is de eerste stap naar wijsheid, het is de verwerping van de valse scholen, van de wereld, van de mens, van de filosofie, en de onderwerping van ons hele wezen aan de voorschriften van deze school.
(3.) De discipline. Het gaat er niet alleen om dat we gevuld worden met informatie. De geest, de ziel, het geweten moeten zo gedisciplineerd en voorbereid worden dat ze het op de juiste manier ontvangen. Gevarieerd is deze discipline, deze training. Ontbering, verdriet, beproeving—allerlei soorten tuchtiging zijn nodig om ons geschikt te maken voor het ontvangen van de wijsheid. In deze goddelijke school worden al deze dingen dagelijks gebruikt om ons ontvankelijk, buigzaam, leerbaar en onderworpen te maken.
(4.) De Leraar. Hij is de Heilige Geest. Soms wordt gezegd dat wij “van Christus leren” en “van de Vader leren,” maar de Geest is de bijzondere leraar; “Hij zal u de weg wijzen in heel de waarheid;” “wie is een Leraar als Hij?” Zijn onderwijs is volmaakt, onweerstaanbaar, maar niet wonderbaarlijk; geleidelijk, natuurlijk, maar toch bovennatuurlijk. Hij onderwijst ons uit dat boek dat Hij geïnspireerd heeft.
Zo verlangt God naar ons, treurend over onze onwetendheid, rouwend over onze hardleersheid en Hij biedt aan om ons te onderwijzen, om ons wijs te maken. Zo met medelijden voor ons, voorziet Hij voor ons. Hij laat ons geen enkel excuus als wij hardleers willen blijven. “Waren zij maar wijs,” zegt Hij tegen ieder van ons. Hij zegt het oprecht. Laten wij onszelf helemaal in Zijn handen leggen voor onderwijs, voor licht, voor zegen. Alles wat Hij vraagt is dat wij onszelf inschrijven als Zijn leerlingen en ons onderwerpen aan Zijn onderwijs. In Zijn oneindige barmhartigheid en liefde smeekt Hij ons wijs te zijn.
Horatius Bonar (1808-1889) was een prediker en dichter die verschillende boeken heeft geschreven om twijfelende zielen te leiden tot geloofszekerheid en prachtige liederen zoals “Ik hoorde Jezus’ zachte stem.” Deze reflecties zijn onderdeel van de serie “Licht en waarheid.”