“Zie toch, ik heb de rechtszaak uiteengezet; ik weet dat ík rechtvaardig ben. Wie is hij die een rechtszaak met mij voert? Als ik nu zweeg, zou ik de geest geven.” (Job 13:18-19)
Dit zijn de woorden van een gerechtvaardigde. Van iemand die wist dat hij gerechtvaardigd was en klaar was om zijn positie te verdedigen tegen alle aanklagers.
Jobs verklaring hier kan in eerste instantie een bewering zijn van zijn onschuld tegen de beschuldigingen van zijn vrienden. Maar we kunnen het voor meer dan dit gebruiken.
We doen groot onrecht aan de heiligen van het Oude Testament en aan hun voorrechten, en niet minder aan de God die hen maakte tot wat ze waren, wanneer we denken dat ze een onvolmaakte rechtvaardiging hadden. Of een onvolmaakte en onzekere kennis van hun rechtvaardiging. Paulus’ verklaring was heel duidelijk op dit punt: “Ik weet in Wie ik geloofd heb.” En toch was dat niet zozeer duidelijker dan die van Job: “Ik weet dat mijn Verlosser leeft.”
Toen Paulus zei: “God is het Die rechtvaardigt. Wie is het die verdoemt?” sprak hij alleen wat Job eeuwen eerder had gesproken: “Ik weet dat ík rechtvaardig ben. Wie is hij die een rechtszaak met mij voert?“
Laten we in verband met de woorden van onze tekst kijken naar de volgende gedeelten: Psalm 32:1,5, Jesaja 50:7-9, 51:12, Romeinen 8:31,34, 1 Johannes 1:9.
In al deze teksten hebben we dezelfde waarheid, dezelfde toon, hetzelfde vertrouwen, dezelfde zekerheid. En dezelfde bron of kanaal waardoor al deze dingen in de ziel stromen. Het oude en het nieuwe zijn hetzelfde. We kunnen niet zeggen dat het oude beter is of het nieuwe beter is. Beide zijn goed, en beide zijn hetzelfde. In beide hebben we de uitspraak van het ene geloof van de gemeente. En de stem van de ene Geest, de Geest van aanneming tot kinderen, door de ene Verlosser.
In onze tekst (samen met de context aan beide kanten) hebben we de uitdrukking van de gevoelens van een oude heilige over de mens en over God. Hij heeft geen verwachting van de mens, maar hij heeft alle verwachting van God. Je zou het tegenovergestelde verwachten. Van de onvolmaakte mens zou je kunnen verwachten dat hij geduld heeft met een onvolmaakte medemens. Maar kun je verwachten dat een volmaakte God geduldig is met ons? Toch valt hij terug op God. En de oneindig heilige, alles doorzoekende God voelt als een zekerder toevlucht voor een zondaar dan de onheilige, zonde-verontschuldigende mens.
Dit moet de geest zijn van onze omgang met God. Zijn heiligheid en Zijn alwetendheid zijn geen ontmoedigingen, maar juist het tegenovergestelde. Hij kent het allerslechtste van ons, en Hij haat het. Toch heeft Hij medelijden met ons. We kunnen Hem niets ergers over onszelf vertellen dan wat Hij al weet. En is dit geen bemoediging! Het bekrompen hart van de mens doet ons aan hem wanhopen, maar Gods oneindige hart geeft ons hoop. Zijn we niet vaak getroost met de gedachte dat God ons volledig kent? Laten we dan kijken naar de gevoelens of houding van een heilige tegenover God.
- Wantrouwen wordt vertrouwen. “Ik weet dat ik gerechtvaardigd ben.” Het is geen wankele hoop, niet zomaar een misschien. Het is een zekerheid. Hierover spreekt Paulus: “Want wij hebben deel aan Christus gekregen, als wij tenminste het beginsel van de vaste grond van het geloof tot het einde toe onwrikbaar vasthouden” (Hebreeen 3:14). Dit was de houding van de heiligen van het Oude Testament, nog meer die van het Nieuwe. Het is het gevoel van het kind. Het is eenvoudig vertrouwen, voor alles, beginnend met vergeving.
- Het is vertrouwen als een zondaar. Job spreekt als een zondaar, gewoon als zondaar, niet als een beter mens dan anderen. Hij gaat naar God gewoon als zondaar. En hij vertrouwt als zondaar. Hij beseft deze gezegende waarheid dat iemands kwaad geen reden is om God te wantrouwen. Toen Adam van God wegvluchtte, wist hij dit niet. Hij dacht dat zijn zonde een reden was om God te wantrouwen en van Hem weg te vluchten. Totdat God hem anders leerde en hem liet zien wat genade was.
III. Het is vertrouwen dat alleen voortkomt uit Gods karakter. Hij heeft in het gezicht van God gekeken en daar geleerd dat een zondaar Hem mag vertrouwen, gewoon vanwege wie Hij is. Ja, dat een zondaar Hem alleen kan verheerlijken door Hem te vertrouwen vanwege wie Hij is. Het is niet alleen vanwege Zijn genade dat hij vertrouwt. Maar vanwege Zijn heiligheid en macht. Want deze zijn niet langer tegen de zondaar, maar voor hem. Alles in Gods karakter is door het kruis van Christus veranderd in een reden om Hem te vertrouwen. Hoe meer de mens van Hem kent, hoe meer hij vertrouwt. Vertrouwen is het natuurlijke en onafscheidelijke antwoord van de ziel op de goddelijke openbaring van het karakter van God. Het is niet wat de mens in zichzelf ziet, van zijn goede daden of goede gevoelens, van zijn genaden, of zijn berouw, of zijn wedergeboorte, of zijn geloof. Maar wat hij in God ziet, dat wekt vertrouwen op.
Het is vertrouwen op persoonlijke rechtvaardiging. “Ik weet dat ik gerechtvaardigd ben.” Het is geen vaag vertrouwen in een onbekende God. Geen gevoelsmatig vertrouwen in Gods universele vaderschap, of het universele zoonschap van de mensheid. Hij spreekt over persoonlijke rechtvaardiging. Zo erkent hij eerst persoonlijke veroordeling. En dan, als resultaat van een rechterlijke daad, persoonlijke rechtvaardiging. Hierover spreekt de hele Bijbel. Dit is wat het kruis aan ons verzegelt. Dit is geen staat waarin we geboren worden. Maar waarin we komen door te geloven in Hem die overgeleverd is om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging (Romeinen 4:25). Ken jij dit? Is dit het begin van je geloof, het startpunt van je reis naar de hemel?
Het is vertrouwen ondanks alle aanklagers. Van vers 20 tot vers 27 pleit Job met God, belijdt hij zonde, en spreekt hij vertrouwen uit. In vers 28, en het volgende hoofdstuk, wendt hij zich tot de mens als zijn aanklager. Wie is hij? Een mens die zal sterven. Wat maken zijn beschuldigingen uit? Laat de hele wereld veroordelen, wat maakt het uit? Zal dit een vertrouwen doen wankelen dat rust op het woord en de naam van God? Laat Satan en het geweten beschuldigen. Zullen zij een vertrouwen doen wankelen dat van boven komt? Laten hun aanklachten allemaal waar zijn, wat dan nog? “Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen van God? … Wie is het die verdoemt?” (Romeinen 8:33-34) We bekennen schuldig te zijn aan de beschuldigingen. Maar met niet minder vertrouwen vragen we vrijspraak van de Rechter, juist op grond van wat onze Borg heeft gedaan.
“Zie toch, ik heb de rechtszaak uiteengezet; ik weet dat ík rechtvaardig ben. Wie is hij die een rechtszaak met mij voert? Als ik nu zweeg, zou ik de geest geven.” (Job 13:18-19)
Dit zijn de woorden van een gerechtvaardigde. Van iemand die wist dat hij gerechtvaardigd was en klaar was om zijn positie te verdedigen tegen alle aanklagers.
Jobs verklaring hier kan in eerste instantie een bewering zijn van zijn onschuld tegen de beschuldigingen van zijn vrienden. Maar we kunnen het voor meer dan dit gebruiken.
We doen groot onrecht aan de heiligen van het Oude Testament en aan hun voorrechten, en niet minder aan de God die hen maakte tot wat ze waren, wanneer we denken dat ze een onvolmaakte rechtvaardiging hadden. Of een onvolmaakte en onzekere kennis van hun rechtvaardiging. Paulus’ verklaring was heel duidelijk op dit punt: “Ik weet in Wie ik geloofd heb.” En toch was dat niet zozeer duidelijker dan die van Job: “Ik weet dat mijn Verlosser leeft.”
Toen Paulus zei: “God is het Die rechtvaardigt. Wie is het die verdoemt?” sprak hij alleen wat Job eeuwen eerder had gesproken: “Ik weet dat ík rechtvaardig ben. Wie is hij die een rechtszaak met mij voert?“
Laten we in verband met de woorden van onze tekst kijken naar de volgende gedeelten: Psalm 32:1,5, Jesaja 50:7-9, 51:12, Romeinen 8:31,34, 1 Johannes 1:9.
In al deze teksten hebben we dezelfde waarheid, dezelfde toon, hetzelfde vertrouwen, dezelfde zekerheid. En dezelfde bron of kanaal waardoor al deze dingen in de ziel stromen. Het oude en het nieuwe zijn hetzelfde. We kunnen niet zeggen dat het oude beter is of het nieuwe beter is. Beide zijn goed, en beide zijn hetzelfde. In beide hebben we de uitspraak van het ene geloof van de gemeente. En de stem van de ene Geest, de Geest van aanneming tot kinderen, door de ene Verlosser.
In onze tekst (samen met de context aan beide kanten) hebben we de uitdrukking van de gevoelens van een oude heilige over de mens en over God. Hij heeft geen verwachting van de mens, maar hij heeft alle verwachting van God. Je zou het tegenovergestelde verwachten. Van de onvolmaakte mens zou je kunnen verwachten dat hij geduld heeft met een onvolmaakte medemens. Maar kun je verwachten dat een volmaakte God geduldig is met ons? Toch valt hij terug op God. En de oneindig heilige, alles doorzoekende God voelt als een zekerder toevlucht voor een zondaar dan de onheilige, zonde-verontschuldigende mens.
Dit moet de geest zijn van onze omgang met God. Zijn heiligheid en Zijn alwetendheid zijn geen ontmoedigingen, maar juist het tegenovergestelde. Hij kent het allerslechtste van ons, en Hij haat het. Toch heeft Hij medelijden met ons. We kunnen Hem niets ergers over onszelf vertellen dan wat Hij al weet. En is dit geen bemoediging! Het bekrompen hart van de mens doet ons aan hem wanhopen, maar Gods oneindige hart geeft ons hoop. Zijn we niet vaak getroost met de gedachte dat God ons volledig kent? Laten we dan kijken naar de gevoelens of houding van een heilige tegenover God.
- Wantrouwen wordt vertrouwen. “Ik weet dat ik gerechtvaardigd ben.” Het is geen wankele hoop, niet zomaar een misschien. Het is een zekerheid. Hierover spreekt Paulus: “Want wij hebben deel aan Christus gekregen, als wij tenminste het beginsel van de vaste grond van het geloof tot het einde toe onwrikbaar vasthouden” (Hebreeen 3:14). Dit was de houding van de heiligen van het Oude Testament, nog meer die van het Nieuwe. Het is het gevoel van het kind. Het is eenvoudig vertrouwen, voor alles, beginnend met vergeving.
- Het is vertrouwen als een zondaar. Job spreekt als een zondaar, gewoon als zondaar, niet als een beter mens dan anderen. Hij gaat naar God gewoon als zondaar. En hij vertrouwt als zondaar. Hij beseft deze gezegende waarheid dat iemands kwaad geen reden is om God te wantrouwen. Toen Adam van God wegvluchtte, wist hij dit niet. Hij dacht dat zijn zonde een reden was om God te wantrouwen en van Hem weg te vluchten. Totdat God hem anders leerde en hem liet zien wat genade was.
III. Het is vertrouwen dat alleen voortkomt uit Gods karakter. Hij heeft in het gezicht van God gekeken en daar geleerd dat een zondaar Hem mag vertrouwen, gewoon vanwege wie Hij is. Ja, dat een zondaar Hem alleen kan verheerlijken door Hem te vertrouwen vanwege wie Hij is. Het is niet alleen vanwege Zijn genade dat hij vertrouwt. Maar vanwege Zijn heiligheid en macht. Want deze zijn niet langer tegen de zondaar, maar voor hem. Alles in Gods karakter is door het kruis van Christus veranderd in een reden om Hem te vertrouwen. Hoe meer de mens van Hem kent, hoe meer hij vertrouwt. Vertrouwen is het natuurlijke en onafscheidelijke antwoord van de ziel op de goddelijke openbaring van het karakter van God. Het is niet wat de mens in zichzelf ziet, van zijn goede daden of goede gevoelens, van zijn genaden, of zijn berouw, of zijn wedergeboorte, of zijn geloof. Maar wat hij in God ziet, dat wekt vertrouwen op.
Het is vertrouwen op persoonlijke rechtvaardiging. “Ik weet dat ik gerechtvaardigd ben.” Het is geen vaag vertrouwen in een onbekende God. Geen gevoelsmatig vertrouwen in Gods universele vaderschap, of het universele zoonschap van de mensheid. Hij spreekt over persoonlijke rechtvaardiging. Zo erkent hij eerst persoonlijke veroordeling. En dan, als resultaat van een rechterlijke daad, persoonlijke rechtvaardiging. Hierover spreekt de hele Bijbel. Dit is wat het kruis aan ons verzegelt. Dit is geen staat waarin we geboren worden. Maar waarin we komen door te geloven in Hem die overgeleverd is om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging (Romeinen 4:25). Ken jij dit? Is dit het begin van je geloof, het startpunt van je reis naar de hemel?
Het is vertrouwen ondanks alle aanklagers. Van vers 20 tot vers 27 pleit Job met God, belijdt hij zonde, en spreekt hij vertrouwen uit. In vers 28, en het volgende hoofdstuk, wendt hij zich tot de mens als zijn aanklager. Wie is hij? Een mens die zal sterven. Wat maken zijn beschuldigingen uit? Laat de hele wereld veroordelen, wat maakt het uit? Zal dit een vertrouwen doen wankelen dat rust op het woord en de naam van God? Laat Satan en het geweten beschuldigen. Zullen zij een vertrouwen doen wankelen dat van boven komt? Laten hun aanklachten allemaal waar zijn, wat dan nog? “Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen van God? … Wie is het die verdoemt?” (Romeinen 8:33-34) We bekennen schuldig te zijn aan de beschuldigingen. Maar met niet minder vertrouwen vragen we vrijspraak van de Rechter, juist op grond van wat onze Borg heeft gedaan.
Horatius Bonar (1808-1889) was een prediker en dichter die verschillende boeken heeft geschreven om twijfelende zielen te leiden tot geloofszekerheid en prachtige liederen zoals “Ik hoorde Jezus’ zachte stem.” Deze reflecties zijn onderdeel van de serie “Licht en waarheid.”








